Het religieuze profiel van de Nederlandse Verlichting [The Religious Profile of the Dutch Enlightenment]

15 

Full text

(1)

Kerkhistorische Studiën

Uitgegeven ter gelegenheid van het 95-jarig bestaan van het Kerkhistorisch Gezelschap S.S.S.

Redactie C.E. Brons-Alberti

M.F. de Mey M. Slootmans A.J. Verschoor

(2)

Deze uitgave is mede tot stand gekomen door steun van het Leids Universiteits Fonds

ISBN 90-9010049-0

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaargemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotocopieè'n, opna-men, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de

Redactieadres: Theologisch Instituut Matthias de Vrieshof l

Postbus 9515 2300 RA Leiden

Lay-out: Brassica Producties/Wouter Kool Schoolmeesterpad 39

2316 VE Leiden (071) 5224328

Druk : Grafisch Bedrijf RU Leiden Stationsplein 240

(3)

Inhoud

Voorwoord 5 E.R Meijering

Het onderzoek naar (de receptie van) de patristische theologie 7 W. Janse

'Om niet gevaarlijk met een tak van boven neder te vallen'

Een beroep op de predestinatieleer van Heinrich Bullinger

en Albert Hardenberg in Noord-Holland in 1596 11

A.J. Verschoor

'Non sum Sardanapalus'

Een vrek in Herpt en Hedikhuizen: de kwestie Johannes Paludanus 25

A.J. Verschoor & W. Jansen (red.) Voortzetting van een traditie

Kerkenraadsacta gereformeerd Leiden jantiari-april 1650 49

A. Goudriaan

Over historisch onderzoek van de zeventiende-eeuwse

systematische theologie 63 E.G.E. van der Wall

Het religieuze profiel van de Nederlandse Verlichting 75 J.Pas

Theodorus van der Groe

Een onderzoek naar zijn analyse van het geestelijk klimaat in

de achttiende eeuw aan de hand van zijn biddagspreken 85

M. Messemaker

(4)

C.E. Brons-Alberti

These are the times that try man's souls 115

E. de Berg Cornelius Rogge

Een remonstrantse visie op de verhouding kerk-staat

in de republiek rond 1795 119

C.E. Brons-Alberti

Heftige discussie over de invoering van de scheiding

tussen kerk en staat in 1796 129

P.L. Slis

De staatsregeling van 1798 141

M. Ploeger

De gulden middenweg of de weg naar Rome?

Anglicanisme en Rooms-Katholicisme in Newman's

Essay on Development (1845) 153

P.G.J.M. Raedts Traditie als utopie

De katholieken en hun middeleeuwen (1815-1900) 163

H.L. Murre-van den Berg

Amerikaanse zending in West-Azië 175

J. Frishman

Bekeerlingen en missionarissen in de negentiende eeuw in Nederland

Een eerste verkenning 187

T.R. Barnard

Hij voert de titel van eerwaarde

Het proponentschap der Remonstrantse Broederschap

vanaf 1850 tot heden 193

(5)

Voorwoord

De lustrumbundel van het Kerkhistorisch Gezelschap S.S.S., die ver-schijnt ter gelegenheid van het 95-jarig bestaan van dit Leidse gezel-schap, beoogt een overzicht te bieden van wat er anno 1996 door de Leidse vakgroep Kerk- en dogmengeschiedenis aan onderzoek en on-derwijs wordt verricht. Daarbij komen niet alleen docenten maar ook studenten van de vakgroep aan het woord. De auteurs laten ieder op hun eigen wijze iets zien van het kerkhistorisch onderzoek waar zij mee bezig zij n.

Wellicht zal het de oud-leden van S.S.S. deugd doen te vernemen dat ons Gezelschap sind kort een oude traditie van S.S.S. weer tot le-ven heeft gebracht: de leden transcriberen—of doen althans een geest-driftige poging daartoe—kerkenraadsacta, en wel die van de Leidse kerkenraad in de tweede helft van de zeventiende eeuw, daarbij dank-baar gebruik makend van de deskundigheid op dit terrein van de hui-dige praeses van S.S.S., drs. A.J. Verschoor. Het resultaat van een eerste proeve treft u in deze bundel aan. Het is de bedoeling om bij het 100-jarig bestaan van het Kerkhistorisch Gezelschap S.S.S. een uitvoeriger publicatie van en over de Leidse kerkenraadsacta te doen verschijnen.

De redactie van deze bundel is veel dank verschuldigd voor het gro-te enthousiasme waarmee zij haar taak heeft verricht. Moge het resul-taat de lezers veel genoegen verschaffen.

Op naar het 100-jarig bestaan van ons Gezelschap! E.G.E. van der Wall

Faculteit der godgeleerdheid

Vakgroep Kerk- en dogmengeschiedenis M. de Vrieshofl

(6)

E.G.E. van der Wall

Het religieuze profiel van de Nederlandse Verlichting

Dit jaar waarin het Kerkhistorisch Gezelschap S.S.S. zijn 95-jarig be-staan viert, is ook het jaar waarin wordt herdacht dat precies twee eeu-wen geleden, in 1796, de scheiding van kerk en staat in ons land door de nationale overheid werd afgekondigd. Aan de beslissing van 5 au-gustus 1796 dat er voortaan geen heersende kerk meer in ons land zou zijn gingen—vanzelfsprekend—vele debatten in kerkelijke en poli-tieke kringen vooraf; debatten waarin begrippen als natuurrecht en to-lerantie een centrale rol vervulden.

De Verlichting

Natuurrecht en tolerantie worden als typisch achttiende-eeuwse the-ma's gezien. Deze thethe-ma's staan in direkt verband met de geestesstro-ming die het etiket 'Verlichting' draagt. Nu is bekend dat zodra we in de geschiedschrijving met etiketten gaan zwaaien—en dat valt niet te vermijden—, er altijd wel critici opstaan die de zin van dat etiket be-twisten. Dat geldt ook voor het concept 'Verlichting'. Bestaat er wel zoiets als Verlichting? Zo ja, kunnen we wel van DE Verlichting spre-ken? Is er niet veeleer een verscheidenheid aan Verlichtingen?

Deze en soortgelijke algemene vragen duiken telkens weer op in de discussie over het achttiende-eeuwse geestesleven. Toch hebben die er nog niet toe geleid dat het etiket 'Verlichting' als obsoleet terzijde is ge-schoven. Kennelijk blijkt het begrip wereldwijd nog steeds geschikt om er een bepaalde geestesstroming mee aan te duiden, een geestes-stroming die zich bijvoorbeeld onderscheidt van het gelijktijdig bloei-ende piëtisme, overigens een evenzeer veelkleurige geestesbeweging.

De Nederlandse Verlichting

(7)

76 EG.E. van der Wall meer specifieke vragen wanneer we de blik op Nederland slaan. Kun-nen we van een Verlichting in Nederland spreken? Of van Verlich-tingen in Nederland? Of van een Nederlandse Verlichting? Dat zijn vragen die, meer specifiek van aard, in het onderzoek naar onze natio-nale achttiende eeuw opklinken. Men beluistert ze vooral in studies op het gebied van de politieke en culturele geschiedenis. Ik laat die vragen hier verder rusten omdat zij pas na diepgaand onderzoek beantwoord kunnen worden. Gemakshalve hanteer ik voorshands in het vervolg het begrip 'Nederlandse Verlichting'.

Voor diegene die geïnteresseerd is in de geschiedenis van kerk en re-ligie in Nederland is met name de vraag naar het rere-ligieuze profiel van de Nederlandse Verlichting van belang. Door welke factoren is het godsdienstig karakter van verlicht Nederland bepaald? In hoeverre is de religieuze Verlichting in ons land vrucht van interne, endogene ont-wikkelingen, in welke mate van buitenlandse, exogene factoren? Op welke wijze betoonde men zich in ons land ontvankelijk voor de Verlichting zoals die elders in Europa gestalte kreeg? In welke mate kregen het Engelse en Franse deïsme hier voet aan de grond? Hoe re-ageerde men in ons land op de ideeën van de Duitse neologen? Naast een onderzoek dat zich met dergelijke vragen bezig houdt is het ook interessant om na te gaan hoe de Verlichting zich ontwikkelde in met de Republiek vergelijkbare, overwegend calvinistische landen als Zwitserland en Schotland. Met andere woorden, hoe valt, sprekend over Nederland, de relatie tussen internationale verlichte denkbeelden en nationale godsdienstige opvattingen te omschrijven? Het is deze vraag die centraal staat in het onderzoeksprogramma 'De Nederlandse Verlichting in internationaal perspectief', dat deel uitmaakt van het Leidse kerkhistorische onderzoeksprogramma. Studie van de betrek-kingen tussen de internationale Verlichting en de nationale religieuze ontwikkelingen kan ons wellicht in staat stellen het religieuze profiel van de Nederlandse Verlichting nader te bepalen.

Het Leidse kerkhistorische onderzoek van de Verlichting

(8)

Het religieuze profiel van de Nederlandse Verlichting 77

ging hier om een zogenaamd VF-programma. In die tijd was immers de notie van onderzoeksplanning gelanceerd, waarbij men onverhoeds V(oorwaardelijk) (ge)F(inancierde)-programma's diende te formule-ren en geacht werd om Z(waartepunt)-onderzoek aan te geven; zaken die inmiddels al lang weer vervangen zijn door andere nuttig geachte structuren die ten doel hebben het onderzoek naar grotere hoogten op te stuwen. Wat daarvan zij, met het genoemde onderzoeksprogramma werd een nieuw veld van onderzoek in de Leidse kerkgeschiedschrij-ving geëntameerd. Van meet af aan was daarin de internationale com-ponent aanwezig. In deze 'Leidse' lijn voortgaande beoog ik het religi-euze profiel van de Nederlandse Verlichting te bestuderen in zijn internationale context.

Cartésianisme en spinozisme

Zojuist wierp ik de vraag op in hoeverre 'interne', nationale ontwikke-lingen tot het proces van onze vaderlandse Verlichting hebben bijge-dragen. Men kan zich afvragen of in Nederland het verschijnsel Verlichting zich niet reeds in de late zeventiende eeuw heeft voorge-daan, toen Descartes en Spinoza hun filosofische en religieuze denk-beelden lanceerden. Dat riep hevige reacties op in ons land, zowel in positieve als negatieve zin. Sommigen, met name binnen de gerefor-meerde kerk, toonden zich diep geschokt door deze ontwikkelingen. Kunnen we die schok niet vergelijken met datgene wat de Engelse deï-sten en vervolgens de Franse 'philosophes' in het achttiende-eeuwse Europa bewerkstelligden? Een dergelijke visie impliceert dat de Ver-lichting niet rond 1700 begonnen is met het Engelse deïsme, zoals al-gemeen wordt aangenomen, maar reeds eerder, namelijk zo rond

1670, met het Nederlandse cartésianisme en spinozisme.

Of men die visie accepteert of niet, er is hoe dan ook veel voor te zeggen om in de geschiedenis van religie en kerk in Nederland een cae-suur aan te brengen in de jaren zestig van de zeventiende eeuw. De ver-schijning van Lodewijk Meijer's Philosophia S. Scripturae interpres (De

[cartesiaanse]philosophie de uitlegster van de H. Schrift) in 1666, en

(9)

problema-78 RG.E. van der Wall tisch ervaren. Het is dit vraagstuk dat voor de Verlichting een van de kernthema's werd. De God der christenen werd voor de rechtbank van de rede gedaagd, zoals tijdgenoten reeds stelden.

Cartésianisme en spinozisme werden door vele tijdgenoten be-schouwd als uitingen van ongeloof. In ieder geval zouden volgens een aantal 'verontrusten' dergelijke opvattingen de weg banen tot atheïs-me. Teneinde dat tij van groeiend ongeloof te keren bracht men een verscheidenheid aan wapens in stelling, zoals de fysicotheologie en de profetische theologie. Kortom, de christelijke apologetiek bloeide als nooit tevoren.

Of men nu cartésianisme en spinozisme als startpunt van DE Europese Verlichting wil laten gelden, of als uitingen van de vroege Verlichting wil beschouwen, ontegenzeggelijk zijn beide stromingen van betekenis geweest voor de godsdienstige ontwikkelingen in ons land. Het cartésianisme kweekte een liberaal klimaat binnen het Nederlandse calvinisme, waarin Verlichting in de achttiende-eeuwse gereformeerde kerk kon opbloeien. Dat gold a fortiori voor de kringen van protestantse dissenters.

Speelde het cartésianisme in zijn verhouding tot godsdienst en kerk in ons land tot ongeveer 1720 een rol van betekenis, met het spino-zisme—een veelomvattend begrip dat zowel mystieke neigingen als 'atheïsme' omvatte—lag dat wat anders: omdat de Tractatus

Theolo-gico-Politicuszon belangrijke inspiratiebron vormde voor Engelse

deï-sten, die daaruit hun bijbelkritiek, hun aanval op bijbelse wonderen en profetieën destilleerden, was Spinoza via dit kanaal in de achttiende eeuw voortdurend aanwezig. Voor menig achttiende-eeuwer bleef hij het symbool van alles wat naar atheïsme zweemde.

(10)

Het religieuze profiel van de Nederlandse Verlichting 79

De Republiek, het déisme en de néologie

Om de contouren van de periode tussen de vroege en de late Verlichting in het vizier te krijgen richt het onderzoek zich niet alleen op aspecten van die vroege Verlichting, maar ook op die van de latere achttiende eeuw. Het bekende vraagstuk van 'continuïteit-disconti-nuïteit' kan op die wijze enigszins verhelderd worden.

Maken we een sprong van een eeuw, van bijvoorbeeld 1660 naar 1760, dan levert ons dat een ander beeld van de religieuze situatie in ons land op. Nu zal dat niemand verbazen, maar het gaat om de vraag waaruit dat andere bestaat. Zoals een eeuw tevoren het cartésianisme de gemoederen in beroering bracht, zo raakte ons land rond 1760 in de ban van het deïsme; alweer zo'n onmisbaar etiket waarachter een veelkleurige stroming schuil gaat. Het deïsme verkondigde de natuur-lijke religie: de mensheid heeft bij de schepping een zuivere religie ontvangen die helaas in de loop der eeuwen is gecorrumpeerd. De christelijke openbaring biedt ten opzichte van die oorspronkelijke universele religie niets nieuws, maar moet als een poging worden op-gevat die oerreligie opnieuw naar voren te brengen. Of men dit nu wilde of niet—sommige deïsten wilden dat zeker niet—, met een der-gelijke opvatting werd de uniciteit van de christelijke openbaring aan-getast. Die tendens werd versterkt door de gelijktijdig sterk toene-mende belangstelling voor niet-christelijke godsdiensten.

Deïstische denkbeelden konden derhalve worden opgevat als uiter-mate schadelijk voor kerk en christendom. En velen in ons land be-schouwden het deïsme in dat negatieve licht. In de twee decennia tus-sen 1760 en 1780 kwam de strijd in ons land tegen het deïsme tot een hoogtepunt: daarbij werden vooral figuren als Voltaire en Boling-broke, maar ook andere corypheeën als Toland, Collins en Tindal als de grote boosdoeners gezien. Een stroom van publicaties tegen hun ideeën overspoelde de markt. In de jaren zeventig verscheen zelfs een spectator, De Christen, samengesteld door de Amsterdamse theologi-sche hoogleraar Jacob van Nuys Klinkenberg, die geheel gewijd was aan de bestrijding van het deïsme.

(11)

vrijzin-80 EG.E. van der Wall nige opvattingen goed zouden kunnen gedijen. Of was het juist van-wege dat tolerante klimaat dat een deïstisch verzet tegen kerk en chris-tendom hier minder nodig was?

Hoe dat zij, Margaret Jacob heeft een kring van deïsten ontdekt— waaronder spinozisten—die aan het begin van de achttiende eeuw in Den Haag bloeide. De deelnemers waren overwegend van buitenlandse (Franse en Engelse) herkomst (Margaret C. Jacob, The Radical

Enligh-tenment. Pantheists, Freemasons and Republicans, London etc. 1981).

Maar niet alleen aan het begin van de eeuw, ook later zou het deïsme in ons land hebben gebloeid, bijvoorbeeld onder vrij metselaars, waarvan Johannes Kinker als voorbeeld kan gelden, aldus diens biograaf A.J. Hanou (A.J. Hanou, Sluiers van his. Johannes Kinker als voorvechter van

de Verlichting in de vrijmetselarij en andere Nederlandse genootschappen 1790-1845 I-H, Deventer 1988). Dat er rond 1800 inderdaad sprake is

van een zekere bloei van nationaal deïsme blijkt uit verschillende zaken: de oprichting van een deïstisch genootschap, het plan dat werd ge-smeed om een natuurlijke godsdienst in te voeren. Maar ook toen bleef de weerstand groot, getuige het aantal felle reacties in ons land op het beruchte deïstische werk van de Engels-Amerikaanse dissenter Thomas Paine, treffend getiteld The Age of Reason.

Duidelijk is in elk geval dat nader onderzoek naar de invloed van het Engelse deïsme nodig is: in welke mate werden deïstische 'bestsel-lers' hier gelezen, al dan niet in vertaling (Frans of Nederlands)? Hoe werden zij besproken in de geleerdentijdschriften? Welke persoonlijke contacten bestonden er? We weten immers dat verscheidene vooraan-staande Engelse, Franse en Duitse deïsten ons land voor kortere of lan-gere tijd hebben bezocht. Met uitzondering van Voltaire is nog weinig onderzoek verricht naar hun netwerken.

Bij het deïsme voegde zich in de jaren tachtig de néologie, de 'nieuwe hervorming' die vooral uit Duitsland stamde. Zij beheerst het religieuze toneel zo vanaf 1780 tot aan 1820. De néologie werd de nieuwe vijand. Daarvoor hoeft men alleen maar de prijsvragen van het Haagsch Genootschap na te zien; een genootschap in 1785 opgericht naar aanleiding van een deïstisch werk van de Engelse dissenter Joseph Priestley, dat men echter tegen de achtergrond van de opkomende né-ologie des te gevaarlijker achtte.

(12)

He t religieuze profiel van de Nederlandse Verlichting 81

vrijwel continu voordeden. Er ontbrandde een strijd tussen twee fac-ties, die zich tooiden met de respectieve benamingen van 'toleranten' en 'intoleranten'. Deze vrijwel aaneengesloten reeks van controversen laat ons zien dat verlichte ideeën hier niet voetstoots werden aanvaard.

Een 'case study: de Socratische oorlog 1769-1780

Misschien wel de belangrijkste van die controversen is de zogenaamde Socratische oorlog die zich afspeelde tussen 1769 en 1780.

In deze polemiek komt een tweetal thema's aan de orde die op het eerste gezicht niet veel met elkaar te maken lijken te hebben. Allereerst de vraag naar de zaligheid van deugdzame heidenen, die de aanleiding vormde tot een felle discussie onder Nederlandse intellectuelen. Dat deze aloude kwestie onverwachts in de jaren zestig en zeventig van de achttiende eeuw een grote actualiteitswaarde bleek te bezitten valt al-leen te begrijpen tegen de achtergrond van het deïsme. Dat deïsme werd gepropageerd door een goede vriend van Voltaire en andere 'phi-losophes', Jean-François Marmontel, die in zijn roman Bélisaire (1767; Ned. vert. 1768) de hemel met vooraanstaande deugdzame heidenen stoffeerde. Het toelaten tot de hemel van dergelijke deugd-zame heidenen—zoals Socrates, naar wie de polemiek al snel werd ver-noemd—zag men als iets typisch deïstisch: indien men dat aan-vaardde, betekende dat niets anders dan de omhelzing van de natuurlijke religie. Immers, dan kon ieder die deugd hoog in het vaan-del schreef de hemelse zaligheid verwerven, zonder dat daartoe de christelijke openbaring nodig was. Een dergelijke tolerantie ging niet alleen de katholieke theologische faculteit van de Sorbonne veel te ver, maar ook orthodoxe calvinisten in de Republiek. In ons land ont-vlamde weldra de strijd tussen de gereformeerde orthodoxie enerzijds en verlichte dissenters (remonstranten, lutheranen, doopsgezinden) anderzijds.

(13)

82 E.G.E. van der Wall ook zo'n grote rol speelde in de onverkwikkelijke affaire die zich in die-zelfde jaren voordeed rond de Groningse juridische hoogleraar Frederik Adolf van der Marck.

Aan de hand van de Socratische oorlog kunnen we niet alleen de re-latie tussen de nationale en internationale Verlichting verhelderen, maar ook die tussen Verlichting en calvinisme. In hoeverre toonden gereformeerden zich ontvankelijk voor verlichte denkbeelden? Naast de orthodoxie, die met hand en tand 'het Dordse systema' verdedigde en voorts van geen enkele gelijkstelling van andere denominaties wilde weten, zien we ook een meer liberale stroming tot ontwikkeling ko-men. Het waren die 'liberalen' die tijdens de Bataafse Revolutie van 1795 hun stem in de discussies over de heersende kerk zouden laten horen. Het spreekt vanzelf dat met deze gehele controverse politieke opvattingen onlosmakelijk verbonden waren. Ook hier meldden zich prinsgezinden versus patriotten, waarbij de scheidslijnen niet altijd sa-menvielen met gereformeerden versus dissenters.

Verdraagzaamheid is iets anders dan gelijkstelling: het eerste impli-ceert de superioriteit van een bepaalde godsdienstige denominatie, het tweede niet. Op basis van natuurrechtelijke ideeën kwam het in de ja-ren negentig van de achttiende eeuw in ons land tot de Verklaring van

de rechten van de mem en burger (1795), waarmee de gelijkstelling van

alle godsdienstige gezindten een feit werd. Tot het opstellen van die

Verklaring had de prominente jurist en democraat Pieter Paulus een

belangrijk aandeel geleverd, een man wiens eerste, roemruchte publi-catie was verschenen in verband met de Socratische oorlog, waarin hij zich ook uitliet over de verhouding van de publieke kerk tot de andere gezindten (Het nut der stadhouderlijke regering, 1773). Door zijn vroegtijdige dood (maart 1796) maakte Pieter Paulus de beslissing van 5 augustus 1796 tot scheiding van kerk en staat, en derhalve de gelijk-stelling van de protestantse denominaties en de katholieke kerk, niet meer mee; evenmin het besluit van 2 september daaropvolgend om de joden gelijk te stellen.

De beslissing tot gelijkstelling van alle godsdienstige gezindten is in onze nieuwere Nederlandse (kerk)geschiedenis van veel betekenis ge-weest. Een langzaam proces van emancipatie van voormalige tweede-rangs-burgers kwam op gang; een proces dat, zo meent men wel, pas in de laatste decennia van onze eeuw zijn eindpunt zou hebben gevon-den.

(14)

ge-Het religieuze profiel van de Nederlandse Verlichting 83

bied betekende, zal duidelijk zijn: déisme en néologie, of, in termen van tegenstanders, onverschilligheid en ongeloof, bleven het theolo-gisch toneel beheersen. Het ontstaan van negentiende-eeuwse opwek-kingsbewegingen als Réveil en Afscheiding is zonder dat gegeven moeilijk te begrijpen, zoals ook de opkomst van het Modernisme zich zonder die achttiende-eeuwse ontwikkelingen niet werkelijk laat ver-staan. Die negentiende-eeuwse ontwikkelingen laten we echter hier verder rusten: zij liggen buiten het bestek van het onderzoek naar het religieuze profiel van de Nederlandse Verlichting.

Enkele studies van auteur dezes die betrekkinghebben op het onderzoeksthema 'De Nederlandse Verlichting in internationale context':

—'Profetie en providentie: de coccejanen en de vroege Verlichting', in: P. Bange e.a. (red.), Kerk en Verlichting. Voordrachten gehouden tijdens het

Windesheim Symposium te Windesheim op 18 november 1989, Zwolle 1990,

pp. 29-37

—'Orthodoxy and Scepticism in the Early Dutch Enlightenment', in: R.H. Popkin and A.J. Vanderjagt (eds.), Scepticism and Irreligion in the

Seventeenth and Eighteenth Centuries (Brill's Studies in Intellectual History 37), Leiden enz. 1993, pp. 121-141

—'Between Grotius and Cocceius: The 'theologia prophetica' of Campegius Vitringa (1659-1722)', in: Henk J.M. Nellen and Edwin Rabbie (eds.),

Hugo Grotius Theologian. Essays in Honour of G.H.M. Posthumus Meyjes (Studies in hte History of Christian Thought 55), Leiden enz. 1994, pp.

195-215

— Verlicht Christendom of Verfijnd Heidendom? Jacob van Nuys Klinkenberg (1744-1817) en de Verlichting, Leiden 1994 (oratie)

—'De cocceiaanse theoloog Petrus Allinga en het cartésianisme', in: F.G.M. Broeyer and E.G.E. van der Wall (red.), Een richtingenstrijd in de

gerefor-meerde kerk. Voetianen en coccejanen 1650-1750, Zoetermeer 1994, pp.

131-145

—'De vaderlandse kerk en het vaderlandse verleden. De Socratische oorlog over voorrechten en verdraagzaamheid, ca. 1769- ca. 1780', in: P.H.A.M. Abels e.a. (red.), De kerk in de kop. Bouwstenen tot de kerkgeschiedenis van

Noord-West Overijssel, Delft 1995, pp. 11-32

—'De Nederlandse Verlichting en de Nederlandse kerkgeschiedenis',

Kerktifd8(l996),pp. 10-19

—'Antichrist Stormed': The Glorious Revolution and the Dutch Prophetic Tradition', in: Dale Hoak and Mordechai Feingold (eds.), The World of

William and Mary. Anglo-Dutch Perspectives on the Revolution of '1688-89,

(15)

84 E.G.E. van der Wall

—'Cartesianism and Cocceianism: a natural alliance?', in: Michelle Magde-laine and others (eds.), De l'Humanisme aux Lumières, Bay le et le

protestan-tisme. Mélanges en l'honneur d'Elisabeth Labrousse, Paris-Oxford 1996, pp.

445-455

—'The Tractatus Theologico-Politicus and Dutch Calvinism, 1670-1700', in:

Studia Spinozana 11(1996) (ter perse)

Figure

Updating...

References

Updating...

Related subjects :