Het braafste jongetje van de klas of toch het slimste jongetje van de klas: Wie wordt woordvoerder op electoraal voordelige onderwerpen?

32 

Full text

(1)

Het braafste jongetje van de klas of toch het slimste jongetje van de klas: wie wordt woordvoerder op electoraal voordelige onderwerpen?

Charlotte van Kleef S1538950

11 juni 2019

Begeleider: De heer Otjes

Tweede lezer: De heer Louwerse

Master thesis politicologie: Nederlandse politiek Universiteit van Leiden

(2)

1

Inleiding

Specialistische parlementariërs komen in zowel presidentiële als parlementaire democratieën voor. Parlementariërs verdelen in deze democratieën het werk in het parlement door zich te specialiseren in bepaalde onderwerpen en leggen hierbij hun parlementaire taken vooral toe op deze onderwerpen (Mickler, 2017). De manier waarop werkzaamheden in parlementen georganiseerd worden en de instituties die hieraan ten grondslag liggen faciliteren

specialisatie. Het commissiestelsel in een parlement wordt binnen de literatuur gezien als het voornaamste instituut dat specialisme faciliteert (Shepsle & Weingast, 1982; Krehbiel, 1990; Cox & McCubbins, 1993; Hansen, 2010; Mickler, 2017). Parlementariërs worden door het commissiestelsel verdeeld over thema-specifieke commissies, waarbij zij zich specialiseren in de thema’s van de commissie waarin zij plaats nemen (Shepsle & Weingast, 1982; Krehbiel,

1990; Cox & McCubbins, 1993). Het commissiestelsel is echter niet het enige instituut wat specialisme faciliteert. In parlementen met een sterke partijcultuur organiseren partijen voornamelijk de werkzaamheden van hun parlementariërs en bepalen zij zo de norm van specialisatie (Damgaard, 1995; Muller, 2000; Mickler, 2017). Partijen verdelen hierbij de parlementariërs over verschillende onderwerpen waardoor zij zich specialiseren in deze onderwerpen (Andeweg & Thomassen, 2010).

Literatuur die uitgaat van het commissiestelsel als leidend instituut achter specialisatie heeft zich onder andere gefocust op de vraag waarom een parlementariër in een bepaalde commissie terechtkomt en zich zo specialiseert. In het huidige theoretische debat zijn hierbij drie theorieën leidend die voornamelijk onderzocht zijn voor de Amerikaanse casus. Deze drie theorieën beschrijven dat parlementariërs in een bepaalde commissie zitting nemen uit

eigenbelang (de distributive theorie), uit parlementair belang (de informational theorie) of uit partijbelang (de partisan theorie) (Shepsle & Weingast, 1982;Krehbiel; 1990; Cox &

McCubbins, 1993). Deze theorieën zijn moeilijk toepasbaar op West-Europese landen, omdat

Abstract

Dit onderzoek focust zich op het begrip specialisatie van parlementariërs in parlementen met een sterke partijeenheid en beperkte persoonlijke electorale belangen. Onderzocht wordt welke factoren kunnen verklaren waarom iemand woordvoerder wordt op een partij-prioritair

(3)

2

zij politieke partijen niet als voornaamste actor beschouwen in het verdelen van de

werkzaamheden in het parlement. Mickler (2017) heeft daarom een nieuw theoretisch kader ontwikkeld waarbij deze drie ‘Amerikaanse’ theorieën toegepast worden op drie

West-Europese landen waar er sprake is van een sterke partijcultuur. Mickler (2017) stelt hierbij de vraag hoe politieke partijen de hoeveelheid werk structureren in parlementaire commissies. Hierbij past hij de distributive theorie toe door commissies te zien als ‘een middel om voordelen voor bepaalde groepen buiten het parlement te bieden’ (Mickler, 2017, p. 41).

Individuele parlementariërs komen hierbij in een bepaalde commissie vanwege hun binding met een district of een bepaalde belangengroep. De informational theorie past hij toe door te kijken hoe makkelijk parlementariërs zich specialiseren op basis van factoren als commissie-ervaring, werkervaring en genoten onderwijs. De partisan theorie past hij toe door te kijken of commissiebenoemingen onderdeel zijn van het beloningssysteem van de partij, waarbij

partijleden worden beoordeeld op de mate van loyaliteit die zij hebben naar de partij toe. Hij toetst hiervoor of parlementariërs met meer parlementaire ervaring of parlementariërs die ideologisch dicht bij de partij staan een commissie toegewezen krijgen die belangrijk is voor de partij (Mickler, 2017).

Er zijn een aantal punten van kritiek te leveren op het werk van Mickler (2017). Een eerste punt is de scope die hij heeft gebruikt voor het toetsen wanneer iemand in een

(4)

3

Een tweede punt van kritiek op Mickler (2017) is dat hij kijkt naar de mate van wenselijkheid van commissies voor partijen. Politieke partijen hebben electorale belangen bij bepaalde onderwerpen. Dit zijn prioritaire onderwerpen voor de partij. Parlementariërs

worden door de partij ingedeeld als woordvoerder op een of meerdere onderwerpen en niet op commissies. Woordvoerderschappen zijn specifieker waarbij verschillende soorten

woordvoerderschappen in één commissie kunnen voorkomen. Een commissie hoeft daarom niet per se wenselijk te zijn voor de partij, maar in diezelfde commissie kunnen wel prioritaire onderwerpen voor de partij besproken worden. Het kan zo zijn dat een parlementariër

hierdoor niet in een belangrijke commissie terecht komt, maar wel woordvoerder is op een prioritair onderwerp. Het niveau van analyse heeft implicaties voor de uitkomst van het onderzoek en het kan worden verwacht dat een onderzoek op een lager niveau, namelijk op het niveau van woordvoerderschappen, andere resultaten laat zien. Dit geeft Mickler (2017, p. 140) ook zelf in zijn onderzoek aan.

Het onderzoek van Mickler (2017) heeft nieuwe inzichten gegeven in de werking van parlementen in West-Europa. Echter, het beeld is nog niet compleet. Door verder te bouwen op deze inzichten in een nieuw model zal dit onderzoek trachten het beeld completer te maken. In dit onderzoek wordt daarom onderzocht welke factoren verklaren wanneer een parlementariër woordvoerder wordt op een partij-prioritair onderwerp?

Naast bovenstaande theoretische relevantie is het ook maatschappelijk relevant om te onderzoeken wanneer een parlementariër woordvoerder wordt op een bepaald onderwerp. Specialisatie heeft invloed op de werking van het parlement in zijn geheel. Zo blijkt uit onderzoek dat de mate van specialisatie invloed heeft op parlementaire activiteiten en dus op de wijze waarop parlementariërs omgaan met hun wetgevende en controlerende

bevoegdheden (Louwerse & Otjes, 2016). Ander onderzoek laat zien dat woordvoerders op een onderwerp van verschillende politieke partijen meer met elkaar samenwerken en dezelfde amendementen ondersteunen (Louwerse & Otjes, 2015). Hieruit blijkt dat woordvoerders ook invloed hebben op de mate van fragmentatie en de besluitvorming in het parlement. Het is dan ook maatschappelijk relevant om meer te leren over het begrip specialisatie en te begrijpen waarom iemand op een bepaald onderwerp woordvoerder wordt.

De hoofdvraag van dit onderzoek zal onderzocht worden voor de Nederlandse casus. Nederland wordt gekarakteriseerd door een parlementaire overheid en kent een extreem sterke partijeenheid waarbij arbeidsdeling binnen het parlement een precedent schept voor het

(5)

4

electorale drijfveren hebben om op een bepaald onderwerp woordvoerder te worden (Louwerse & Otjes, 2016). Hierdoor is Nederland een extreme casus.

Theoretisch kader

Specialisatie kan omschreven worden als de verdeling van arbeid onder parlementariërs waardoor zij zich focussen op bepaalde beleidsterreinen om op deze beleidsterreinen goed geïnformeerde beslissingen te nemen. De literatuur is echter niet eenduidig over de typologie (Andeweg, 2014). In de jaren zestig sprak Wahlke et al. (1962) van subject matter experts waarbij parlementariërs expert werden op een bepaald onderwerp. Dit begrip kwam voort uit hun onderzoek naar de rollen die parlementariërs aan kunnen nemen. Searing (1994) spreekt in zijn boek over roltheorie echter van het begrip policy advocate, waarbij parlementariërs bepaalde belangen behartigen door zich in een bepaald onderwerp te verdiepen. Andeweg (1997) spreekt in zijn onderzoek naar roltheorieën ook over de rol van advocate waarbij een parlementariër zich focust op het representeren van bepaalde belangen van sectoren of groepen. Deze verschillende typologieën benoemen allemaal het feit dat parlementariërs zich specialiseren in bepaalde beleidsterreinen en gaan er hierbij van uit dat dit een keuze is van de parlementariër. In bovenstaande literatuur spelen instituties binnen het parlement geen

verklarende rol maar faciliteren zij parlementariërs bij hun keuze zich ergens in te specialiseren (Wahlke et al., 1962; Searing, 1994). De new institutionalism stroming (zie March & Olsen, 1984) en onderzoeken in navolging van deze stroming spreken echter van normen en (in)formele regels in het parlement die in zijn algemeenheid het gedrag van parlementariërs beïnvloeden (Muller & Sieberer, 2014; Martin, 2014). Verschillende instituties in een parlement zoals commissies en politieke partijen zorgen hierbij voor een verdeling van arbeid over parlementariërs. De tijdsdruk waaronder parlementariërs moeten presteren en de ingewikkelde beleidsstukken waarover parlementariërs moeten beslissen zijn hierbij redenen waarom de verdeling van arbeid institutioneel is ingegeven (Mattson & Strom, 1995; Mickler, 2017). De keuze om zich te specialiseren ligt in dit geval niet meer bij de parlementariër en de rol die hij op zich neemt maar wordt ingegeven door instituties binnen het parlement.

(6)

5

het gedrag van parlementariërs. De vraag hierbij is niet meer waarom parlementariërs zich specialiseren maar welke factoren verklaren in welk onderwerp een parlementariër zich specialiseert.

Onderzoeken naar deze vraag zien voornamelijk de commissiestructuur van

parlementen als institutionele actor die de verdeling van arbeid faciliteert. Deze onderzoeken richten zich dan ook op factoren die verklaren welke parlementariërs in een bepaalde

commissie komen en zich zo in een bepaald onderwerp specialiseren. Deze onderzoeken zijn vooral toegespitst op de Amerikaanse casus, waarbij zoals eerder beschreven drie

verschillende theorieën te onderscheiden zijn (Yordanova, 2009; Martin, 2014; Mickler, 2017). De eerste theorie is de distributive theorie. De distributive theorie heeft als centrale aanname dat het parlement een gedecentraliseerde institutie is die gedomineerd wordt door districtsbelangen waarbij volksvertegenwoordigers alleen geïnteresseerd zijn in hun eigen herverkiezing (Shepsle, 1978; Shepsle & Weingast, 1982). De toewijzing wie in welke commissie plaatsneemt gaat op basis van zelfselectie en volksvertegenwoordigers worden in hun keuze voor een bepaalde commissie gedreven door de belangen van het district (Shepsle & Weingast, 1982).

De tweede theorie is de informational theorie. Deze theorie stelt dat het wetgevende proces een two-level game is tussen commissies en de gehele volksvertegenwoordiging, waarbij er sprake is van asymmetrische informatie en een commissie beter geïnformeerd is dan het parlement. Dit zorgt voor angst bij volksvertegenwoordigers omdat zij niet zeker weten of commissies wel de goede beslissingen maken (Gilligan & Krehbiel, 1990). Om deze angst weg te nemen is het volgens Gilligan en Krehbiel (1990) een logische stap om mensen in te delen in een commissie waarover zij al veel kennis hebben en/of al commissie-ervaring in hebben. Dit creëert vertrouwen onder de volksvertegenwoordiging dat in een parlement met asymmetrische informatie toch de juiste beslissingen worden gemaakt. De selectieprocedure is hierbij geen zelfselectie zoals Shepsle (1978) verwacht, maar de volksvertegenwoordiging beslist samen wie het beste in welke commissie kan komen om de angst voor asymmetrische informatie en slechte beslissingen te voorkomen (Gilligan & Krehbiel, 1990).

(7)

6

plaats op basis van een beloningssysteem van de partijleider. Wanneer iemand loyaal is naar de partij toe en zijn of haar diensten voor de partij heeft bewezen wordt deze persoon

geselecteerd voor een commissie die belangrijk is voor de partij (Cox & McCubbins, 2007). De drie bovenstaande theorieën vormen de ruggengraat van empirisch onderzoek naar het commissiestelsel in de VS (Martin, 2014). Buiten de VS richt het merendeel van de onderzoeken naar commissiestelsels zich op het Europees Parlement en zijn er nog weinig onderzoeken geweest naar nationale parlementen (Bowler & Farrell, 1995; McElroy, 2006; Whitaker, 2011; Yordanova, 2009; Martin, 2014). De beperkte onderzoeken die zich richten op nationale parlementen vinden een gemixt beeld van factoren waarom een parlementariër in een bepaalde commissie komt. In parlementen met een districtenstelsel zijn dit overwegend factoren in lijn met de distributive theorie (Ciftci et al., 2008; Hansen, 2011; Raymond & Holt, 2014; Mickler, 2017). Andere onderzoeken laten echter ook zien dat factoren meer in lijn met de informational theorie kunnen verklaren waarom een parlementariër in een commissie komt (Hansen, 2010; Mickler, 2013; Mickler 2017).

Een recente bijdrage aan de bestaande literatuur levert Mickler (2017) waarbij hij een nieuw theoretisch raamwerk op basis van de drie bovenstaande Amerikaanse theorieën toepast op drie West-Europese parlementen. In dit nieuwe theoretisch raamwerk worden politieke partijen gezien als het belangrijkste instituut in het parlement en wordt onderzocht hoe deze politieke partijen het werk over commissies verdelen. Het onderzoek van Mickler (2017) focust zich onder andere op Nederland, een land met een sterke partijcultuur waar politieke partijen parlementariërs woordvoerder maken op een onderwerp en parlementariërs

vervolgens in de commissie komen die relevant is voor dat onderwerp (Andeweg & Thomassen, 2010; Mickler, 2017).

(8)

7

tussen externe belangen van parlementariërs en hun werk in het parlement als ongepast wordt gezien (Mickler, 2017).

De informational theorie toetst Mickler (2017) door te onderzoeken of parlementariërs in een commissie komen waarin zij zich makkelijk kunnen specialiseren. Hij doet dit door als variabelen mee te nemen of iemand ervaring heeft in de betreffende commissie of relevante onderwijs- of werkervaring heeft. Hij vindt sterk bewijs dat parlementariërs in een commissie terechtkomen waarvan zij al eerder lid waren. Dit laat echter alleen zien dat parlementariërs een grote kans hebben om nog een keer in een commissie te komen als zij daar al in zitten. Het maakt niet duidelijk waarom iemand in de eerste plaats in een commissie komt. Mickler (2017) vindt dat hierbij relevante vooropleiding en werkervaring wel een belangrijke rol spelen.

De partisan theorie toetst Mickler (2017) door te kijken of commissies onderdeel zijn van het beloningssysteem van de partij en hoe actief de rol van het bestuur van de partij hierbij is. Dit is volgens Mickler (2017) zichtbaar door te onderzoeken waarom iemand in een commissie komt die belangrijk is voor de partij. Hierbij baseert Mickler (2017) het belang van een commissie op basis van het aantal moties gerelateerd aan een commissie dat elke partij heeft geïnitieerd in vier verschillende parlementaire periodes. Er wordt aangenomen dat commissies belangrijker zijn voor de partij als de partij meer moties over onderwerpen gerelateerd aan die commissies indient dan dat ze voor andere commissies doet. De

commissies zijn op basis hiervan per partij gecategoriseerd in ‘hoog belang’ en ‘laag belang’. Vervolgens wordt gemeten of een parlementariër met veel parlementaire ervaring of een parlementariër die dichtbij het ideologische gemiddelde van de partij staat eerder in een voor de partij belangrijke commissie terechtkomt. In het onderzoek van Mickler (2017) wordt voor zowel de invloed van parlementaire ervaring als voor de invloed van de ideologische afstand van de parlementariër tot de partij geen bewijs gevonden.

Dit onderzoek bouwt verder op de bevindingen van Mickler (2017) waarbij een tweetal kritieken op zijn onderzoek worden meegenomen. Het eerste kritiekpunt is dat Mickler (2017) in zijn onderzoek kijkt naar commissiebenoemingen en niet naar de

toewijzing van woordvoerderschappen. Om te kunnen begrijpen hoe partijen de arbeid in het Nederlandse parlement verdelen is dit lagere analyseniveau echter beter toepasbaar. In Nederland worden parlementariërs namelijk in eerste instantie woordvoerder op een

(9)

8

een onderzoek op een lager analyseniveau waarschijnlijk zal leiden tot meer uitgesproken resultaten wordt verwacht dat op een lager niveau beter te meten is wanneer iemand woordvoerder wordt op een partij-prioritair onderwerp. Mickler (2017) gebruikt de

categorieën ‘hoog belang’ en ‘laag belang’ om per partij het belang van een commissie aan te

geven. Het is echter niet zo dat een partij-prioritair onderwerp automatisch in een ‘hoog belang’ commissie besproken wordt. Commissies zijn namelijk brede groepen waarin over

veel verschillende onderwerpen gesproken wordt. Als een partij aan één onderwerp van de vele onderwerpen waarover een commissie gaat veel aandacht besteedt hoeft hierdoor de commissie zelf niet van hoog belang te zijn voor de partij. Een lager onderzoeksniveau waarbij wordt gekeken naar woordvoerderschappen en het belang van onderwerpen kan een duidelijker beeld geven waarom een parlementariër een partij-prioritair onderwerp toebedeeld krijgt.

De reden hiervoor is dat specifieke onderwerpen van groot electoraal belang kunnen zijn voor een partij. Onderzoek naar partijcompetitie door Robertson (1976) laat zien dat partijen bezit kunnen nemen van een onderwerp. Partijen profileren zich graag op

onderwerpen waarop zij zichzelf of de kiezers hen als competent beschouwen en proberen deze onderwerpen te benadrukken in zowel het parlement als naar kiezers toe (Budge & Farlie, 1983; Walgrave et al., 2015). Daarnaast proberen politieke partijen electorale

concurrenten zo min mogelijk de kans te geven om de onderwerpen die deze partijen in bezit hebben te benadrukken. Deze strijd om onderwerpen wordt issuecompetitie genoemd. Hierbij voelen partijen vaak zeer goed aan welke onderwerpen ze moeten benadrukken en welke onderwerpen niet (Carmines & Stimson, 1989). Issuecompetitie heeft zowel invloed op de electorale arena als op de parlementaire arena (Petrocik, 1996; Green-Pedersen, 2010; Otjes, 2019). In de parlementaire arena proberen partijen debatten over bepaalde onderwerpen te laten gaan of stellen zij meer mondelinge en schriftelijke vragen over bepaalde onderwerpen (Otjes & Louwerse, 2018). Deze parlementaire middelen worden gebruikt in een

(10)

9

naar commissiebenoemingen wordt duidelijker welke parlementariër een partij-prioritair onderwerp toebedeeld krijgt en waarom.

Het tweede punt van kritiek op Mickler (2017) kan geleverd worden op de scope die hij heeft gebruikt voor het toetsen wanneer iemand in een belangrijke commissie komt. Mickler (2017) kijkt alleen naar de invloed van parlementaire ervaring en de ideologische afstand tussen de partij en de parlementariër voor de toewijzing aan belangrijke commissies. Het krijgen van een positie binnen een belangrijke commissie wordt hierbij gezien als een beloning voor het parlementslid. In een parlement met een sterke partijcultuur en beperkte persoonlijke electorale belangen kan echter worden verwacht dat dit beloningsprincipe niet de enige verklaring is voor het toewijzen van parlementariërs aan een voor de partij belangrijke commissie. Factoren die Mickler toetst voor de informational theorie, namelijk werkervaring, relevant onderwijs en ervaring in de commissie, zouden ook kunnen verklaren waarom iemand juist in een voor de partij belangrijke commissie terechtkomt. Deze gedachte wordt onderschreven door meerdere onderzoeken naar commissiebenoemingen (Hansen, 2010; Hansen, 2011; Ciftci, 2008).

Bovenstaande kritieken op Mickler (2017) geven aanleiding tot een nieuw model waarbij wordt gekeken naar woordvoerderschappen op partij-prioritaire onderwerpen en waarbij meer mogelijke verklarende variabelen worden meegenomen. In dit nieuwe model wordt echter de distributive theorie niet getoetst. Dit omdat uit het onderzoek van Mickler (2017) naar voren komt dat er voor de Nederlandse casus geen verklarende effecten gevonden zijn. De gegeven verklaringen voor deze uitkomst klinken plausibel en worden daarom niet getest in dit onderzoek. De factoren volgend uit de informational theorie zullen wel worden meegenomen omdat zij een verklarend effect geven in het model van Mickler (2017). Hierbij heeft vooral ervaring in een commissie een sterk verklarend effect. Ook opgedane kennis over een onderwerp door onderwijs en werkervaring blijkt van belang bij de toewijzing van

commissies. Deze drie variabelen zullen daarom getoetst worden op de toewijzing van woordvoerderschappen op partij-prioritaire onderwerpen.

Ervaring als woordvoerder hypothese (1a): Parlementariërs worden waarschijnlijker woordvoerder op een prioritair onderwerp voor de partij als zij ervaring hebben als woordvoerder op dat onderwerp.

Onderwijs hypothese (1b): Parlementariërs worden waarschijnlijker woordvoerder op een

(11)

10

Werkervaring hypothese (1c): Parlementariërs worden waarschijnlijker woordvoerder op

een prioritair onderwerp voor de partij als zij relevante werkervaring hebben met betrekking tot dit onderwerp.

De variabelen gebruikt voor het toetsen van de partisan theorie laten voor de Nederlandse casus geen verklarend effect zien in het onderzoek van Mickler (2017, p. 154). Het kan echter niet worden uitgesloten dat een beloningsprincipe vanuit de partij geen verklaring geeft voor het worden van woordvoerder op een partij-prioritair

onderwerp. Woordvoerders genieten binnen de partij een bepaalde macht waarbij zij met partijleden die woordvoerder zijn op soortgelijke onderwerpen steminstructies geven aan de overige leden en zo de mening van de partij beïnvloeden (Thomassen & Andeweg, 2004). Daarnaast bepalen zij in eerste instantie samen welke schriftelijke of mondelinge vragen er gesteld worden en welke moties er worden ingediend (Mickler, 2017).

Woordvoerders krijgen vanuit de partij dus een bepaalde mate van vrijheid wat betreft hun handelingen in de Tweede Kamer. Hierdoor zou kunnen worden verwacht dat

parlementariërs die meer loyaal zijn naar de partij toe meer vertrouwd worden door de partijleiding en woordvoerder mogen worden op een partij-prioritair onderwerp. Mickler (2017) gebruikt de variabelen ervaring in het parlement en de ideologische afstand tussen een parlementariër en de partij als maatstaven voor loyaliteit. Zoals al eerder besproken geven beide variabelen geen verklarend effect. Uit interviews met parlementariërs kwam echter naar voren dat de ervaring van parlementariërs in een parlement een rol kan spelen in de toewijzing van belangrijke commissies (Mickler, 2017, p. 163). Dit wordt verder ondersteund door onderzoek van Hansen (2010, p. 396) naar de Deense casus. Daarom zal deze variabele in dit onderzoek toch getoetst worden, maar zal de ideologische afstand tussen een parlementariër en het ideologische gemiddelde van de partij niet meegenomen worden. Dit leidt tot de vierde hypothese.

Ervaring in parlement hypothese (1d): Parlementariërs worden waarschijnlijker

woordvoerder op een prioritair onderwerp voor de partij als zij meer ervaring hebben in

het parlement.

(12)

11

binnen een politieke partij. Parlementariërs kunnen namelijk naast het zijn van woordvoerder ook andere functies vervullen, bijvoorbeeld de functie van fractievoorzitter,

vicefractievoorzitter of fractiesecretaris. Deze posities zijn in parlementaire democratieën zeer prominent en de fractievoorzitter staat ook vaak bovenaan de kieslijst (Kenig, 2009). De politieke partij heeft er baat bij als bepaalde personen deze functies vervullen aangezien deze functies veel invloed hebben op de handelingen van de partij in het parlement en op kiezers (Heidar & Koole, 2000). De selectiecriteria voor het verkrijgen van een functie verschillen per democratisch systeem en per partij. In parlementaire democratieën wordt veelal gekeken naar het gedrag van een parlementariër in het parlement, de manier waarop een persoon omgaat met de media en of de persoon representatief is voor de partij (Hazan & Voerman, 2006). Algemeen kan worden aangenomen dat een persoon die een functie krijgt binnen een partij een bepaalde staat van dienst heeft en dus belangrijk is voor de partij. De verwachting is hierbij dat iemand die een bepaalde functie binnen de partij heeft meer kans maakt om

woordvoerder te worden op een prioritair onderwerp.

Fractie functie hypothese (1e): Parlementariërs worden waarschijnlijker

woordvoerder op een prioritair onderwerp voor de partij als zij een belangrijke functie binnen de fractie vervullen.

De kieslijst bepaalt voor een groot deel welke parlementariërs her- of verkozen zullen worden (Louwerse & Otjes, 2016). Uit interviews met Kamerleden in Nederland blijkt dat de plaats op de kieslijst mogelijk relevant is voor commissietoewijzingen (Mickler, 2017, p. 151). Mickler (2017) neemt daarom de plaats op de kieslijst mee in zijn analyse maar vindt geen significant effect, mogelijk omdat dit uitgevoerd is op het niveau van

commissietoewijzingen. Onderzoek geeft aan dat de plaats op de kieslijst een bepaalde

hiërarchie in de partij reflecteert. Andeweg en Thomassen (2010) geven in hun onderzoek aan dat de mate waarin iemand bijdraagt aan de partijeenheid invloed heeft op de plaats die deze persoon krijgt op de kieslijst. Zo kan een parlementariër die niet loyaal genoeg is of op een andere manier niet goed bijdraagt aan de partijeenheid een lagere positie op de kieslijst krijgen bij volgende verkiezingen. Andere onderzoeken geven aan dat de verkiesbaarheid van een persoon, de groep die een kandidaat representeert, individuele kenmerken en de

(13)

12

belangrijk om regionale spreiding te hebben op de kieslijst en speelt dit mee bij de afweging welke plek iemand krijgt (Mickler, 2017, p. 151). Deze interviews en onderzoeken laten zien dat de kieslijst een bepaalde hiërarchie in de partij aangeeft, waarbij sommige parlementariërs belangrijker zijn voor de partij dan andere parlementariërs. Echter, het is niet eenduidig vast te stellen wat deze parlementariërs belangrijker maakt en waarom ze een bepaalde plek op de lijst krijgen. Desalniettemin kan worden verwacht dat de plaats op de lijst invloed heeft op de benoeming van woordvoerders op partij-prioritaire onderwerpen. Dit leidt tot de volgende hypothese.

Kieslijst hypothese (1f): Parlementariërs worden waarschijnlijker woordvoerder op een

prioritair onderwerp voor de partij als zij hoog op de kieslijst staan.

Casusselectie

Het belangrijkste criterium waaraan de geselecteerde casus moet voldoen om de

onderzoeksvraag te beantwoorden is dat het een parlement betreft waarin politieke partijen sterke actoren zijn die bepalen wie op welk onderwerp woordvoerder wordt. De sterkte van een partij is onder meer zichtbaar door de mate van cohesie bij zijn leden bij het stemmen in het parlement. Deze mate van cohesie geeft hierbij de eenheid binnen de partij aan (Mickler, 2017). Het Nederlandse parlement kent met een Rice-index van bijna 100%, de hoogste score in de wereld, een zeer sterke partijeenheid (Andeweg & Irwin, 2009). Nederlandse

parlementariërs stemmen vrijwel nooit tegen de partijlijn in (Louwerse & Otjes, 2015). In het Nederlandse parlement zijn politieke partijen door deze partijeenheid zeer sterke actoren. Nederland is door deze sterke partijeenheid een extreme casus en zal daarom worden onderzocht.

De sterke positie van partijen zorgt ervoor dat zij de arbeid in het parlement verdelen en bepalen welk Kamerlid woordvoerder wordt op een onderwerp. Op zichzelf zorgt deze arbeidsdeling er ook weer voor dat de partijeenheid verder wordt versterkt. Dit omdat arbeidsdeling individuele Kamerleden ontmoedigt om een mening te vormen over

(14)

13

de belangen van haar achterban te vertegenwoordigen. Ook in commissieverband handelen parlementariërs namens hun partij (van Schendelen, 1976). De opvatting dat parlementariërs de gehele samenleving of een bepaald sectoraal belang moeten vertegenwoordigen is hierbij ondergeschikt aan het vertegenwoordigen van de partij en haar standpunten (Andeweg, 1997; van Vonno, 2012; Thomassen & Andeweg, 2004).

De zeer sterke partijeenheid in combinatie met een evenredig kiesstelsel zonder districten zorgt daarnaast voor beperkte persoonlijke electorale drijfveren. Parlementariërs hoeven zichzelf door het ontbreken van een districtenstelsel in Nederland minder te profileren om opnieuw verkozen te worden. Ook voorkeursstemmen geven in Nederland niet de

doorslag wie in het parlement komt waardoor dit nog sterker geldt (van Holsteyn & Andeweg, 2012). Door de beperkte persoonlijke electorale belangen handelen parlementariërs sterk uit het partijbelang, waarbij ze de lijn van de partij vrijwel altijd volgen (Andeweg, 1997).

Naast de zeer sterke partijeenheid in Nederland wordt in Nederland de arbeid onder parlementariërs verdeeld door hen woordvoerder te maken op specifieke onderwerpen. In veel andere landen is deze methode anders en wordt de arbeid verdeeld door iemand deel te laten nemen aan een bepaalde commissie (Mickler, 2017). Commissies zijn echter erg breed en er worden veel verschillende onderwerpen besproken in commissies. Om de vraag te

beantwoorden waarom een parlementariër een partij-prioritair onderwerp toebedeeld krijgt is het hierbij goed om te weten over welk onderwerp de parlementariër precies gaat. In

parlementen waarbij parlementariërs in een brede commissie komen is dit moeilijk te zeggen. In Nederland is dit echter heel duidelijk verdeeld en daarom leent Nederland zich goed als casus voor dit onderzoek.

Methodologie

In dit onderzoek wordt onderzocht welke factoren van invloed zijn op het verkrijgen van het woordvoerderschap op een partij-prioritair onderwerp door een Kamerlid. Hiervoor wordt gekeken welke parlementariër het woordvoerderschap op welk onderwerp krijgt en of dit onderwerp een prioritair onderwerp is voor de partij. Door middel van een logistisch

regressiemodel wordt geprobeerd te bepalen welke karakteristieken van de parlementariër en het onderwerp een significante invloed hebben op het verkrijgen van een bepaald

(15)

14 Onderzoekseenheden

Als onderzoekseenheid van dit onderzoek zijn individuele parlementariërs genomen. De periode waarin zij onderzocht zijn is de regeerperiode Rutte III (2017-heden). Er is gekozen voor regeerperiode Rutte III omdat van de huidige Kamerleden het beste vast te stellen is welke woordvoerderschappen zij hebben. Deze informatie is voor eerdere periodes lastiger te verkrijgen.

Een eerste kenmerk waarmee rekening moet worden gehouden is het feit dat de Tweede Kamer bestaat uit ‘kleine’ en ‘grote’ politieke partijen. Mickler (2017) noemt een partij klein als het aantal leden van de partij in de Tweede Kamer kleiner is dan het aantal vaste commissies. Bij het analyseren welk Kamerlid welk woordvoerderschap voor een partij krijgt is het waarschijnlijk dat kleine partijen een bias opleveren in de resultaten. Dit omdat voor deze partijen de keuze wie woordvoerder wordt vaak ook praktisch gemotiveerd is. Bij het analyseren van commissietoewijzingen probeert Mickler (2017) deze bias tegen te gaan door in zijn onderzoek een onderscheid te maken tussen grote en kleine partijen en te corrigeren voor kleine partijen. In dit onderzoek wordt ervoor gekozen alleen grote partijen mee te nemen. Dit leidt ertoe dat voor regeerperiode Rutte III de partijen VVD, PVV, CDA, D66, GroenLinks en de SP worden geanalyseerd. Het analyseren van deze zes grote partijen betekent dat in totaal 118 van de 150 Kamerleden worden beschouwd. Fractievoorzitters worden echter niet meegenomen in dit onderzoek omdat zij een centrale rol spelen in de toewijzingsprocedure. Bovendien hebben fractievoorzitters van grote partijen vaak geen woordvoerderschap (Mickler, 2017).

(16)

15

geïnstalleerd. Alle Kamerleden die na deze datum zijn geïnstalleerd in de Tweede Kamer zijn niet meegenomen in dit onderzoek. In 2017 hebben er na deze datum geen wisselingen meer plaatsgevonden, in 2018 zijn acht personen gewisseld en in 2019 (tot en met maart) één persoon. Het totale aantal parlementariërs dat in dit onderzoek wordt meegenomen komt hierdoor uit op 103 parlementariërs.

Woordvoerderschappen en prioritaire onderwerpen

In dit onderzoek is de afhankelijke variabele de toewijzing van woordvoerderschappen aan Tweede Kamerleden op partij-prioritaire onderwerpen. Woordvoerderschappen van

Kamerleden van de zes onderzochte partijen staan op de partijsites vermeld en zijn voor de beschouwde regeerperiode via deze sites verzameld. Elk woordvoerderschap is vervolgens gecategoriseerd op basis van het Nederlandse codeerboek van het comparative agenda

project, waarbij woordvoerderschappen gecategoriseerd zijn op de subonderwerpen (Breeman

& Timmermans, 2008). Het verzamelen en categoriseren van woordvoerderschappen op deze manier leidt tot een tabel met als rijen de Kamerleden en als kolommen de onderwerpen waarin hun woordvoerderschappen gecategoriseerd zijn. Deze tabel telt in totaal 103 rijen waarbij de woordvoerderschappen in 249 verschillende subonderwerpen gecategoriseerd zijn. Deze tabel laat per onderwerp zien welk Kamerlid woordvoerder is op dat onderwerp en is daarmee een weergave van de afhankelijke variabele in de uitgevoerde analyse.

Om te bepalen in welke mate een onderwerp prioritair is voor een partij is gebruik gemaakt van een dataset van gecodeerde verkiezingsprogramma’s van politieke partijen tussen 1982 en 2017 (Green-Pedersen & Otjes, 2017). Deze dataset is gebaseerd op hetzelfde codeerboek dat is gebruikt om woordvoerderschappen te categoriseren en laat zien aan welke onderwerpen een partij veel aandacht schenkt, de zogeheten issue saliency. De mate van aandacht die een partij aan een onderwerp besteedt is gebruikt om de prioritaire onderwerpen van die partij te bepalen. Omdat deze dataset hetzelfde codeerboek gebruikt als het

codeerboek dat gebruikt is om de woordvoerderschappen in te delen, is het mogelijk te bepalen hoe belangrijk ieder woordvoerderschap is voor een partij.

Onafhankelijke variabelen

(17)

16

Plaats op de kieslijst

Allereerst is de plaats van een Kamerlid op de kieslijst bij de verkiezingen van 2017

meegenomen. De kieslijst van de afgelopen Tweede Kamerverkiezing is gedownload vanaf de site van de Kiesraad (www.kiesraad.nl). De kieslijst geeft per Kamerlid de plaats aan. Het verschilt echter per partij hoe belangrijk een plaatsing is. Dit is afhankelijk van het aantal zetels dat een partij bij de verkiezingen behaalt. Zo is een lid van de VVD vrijwel zeker van een zetel als hij of zij op plaats 14 van de kieslijst staat, maar in het geval van GroenLinks is dit bijvoorbeeld niet zo. Om een waarde aan de kieslijstplaatsing te geven zijn als variabelen meegenomen de plaats op de kieslijst gedeeld door het aantal behaalde zetels voor de partij in de huidige regeerperiode en ook de plaats op de kieslijst gedeeld door het aantal verwachte zetels (peiling) een jaar voor de verkiezing (www.peilingwijzer.nl). Deze nieuwe variabele reflecteert dat bijvoorbeeld plaats twintig op de kieslijst van de VVD ongeveer dezelfde relatieve waarde heeft (op basis van behaalde zetels) als plaats tien op de kieslijst van het CDA (zie Figuur A.1 in Appendix A).

Parlementaire ervaring

Parlementaire ervaring is meegenomen door te kijken naar het aantal jaren dat een Kamerlid een zetel heeft in de Tweede Kamer. Deze informatie is beschikbaar via de officiële site van het Nederlandse parlement (www.tweedekamer.nl).

Werkervaring

Relevante werkervaring van iedere parlementariër is achterhaald door zijn vorige functies te coderen op basis van het codeerboek van het comparative agendaproject (Breeman & Timmermans, 2008). Eerdere werkervaring is gedefinieerd als de werkervaring die een Kamerlid heeft opgedaan in de vijf jaar voordat hij of zij plaats nam in de Tweede Kamer. De arbeidsachtergrond is verzameld door gebruik te maken van de site van de Tweede Kamer, de site van de politieke partijen en via het online biografie archief van het Parlementaire

Documentatie Centrum van de Universiteit van Leiden (www.parlement.com). De codering is gedaan op basis van een overkoepelend thema uit het codeerboek waarbij een Tweede

(18)

17

Vooropleiding

Net als bij werkervaring is voor het bepalen van relevante vooropleiding ook gebruik gemaakt van het codeerboek van het comparative agenda project (Breeman & Timmermans, 2008). Hierbij is de hoogst genoten opleiding op MBO, HBO of WO niveau gecodeerd. Net als bij voorgaande werkervaring is deze informatie verzameld door gebruik te maken van het online biografie archief van het Parlementaire Documentatie Centrum van de Universiteit van Leiden (www.parlement.com), de site van de Tweede Kamer en de site van politieke partijen. Ook hier is de codering gedaan op basis van een overkoepelend thema. De uitzonderingen hierop zijn hetzelfde als bij werkervaring.

Functie in de fractie

Er zijn drie functies binnen de partij meegenomen in de analyse: gewoon Kamerlid, vicefractievoorzitter en fractiesecretaris. De functies van Tweede Kamerleden staan

beschreven op de sites van de partijen en via deze sites is de informatie hierover verzameld.

Ervaring als woordvoerder

De ervaring die iemand als woordvoerder heeft opgedaan in de vorige regeerperiode is

meegenomen in de analyse. Omdat de historische toewijzing van woordvoerderschappen in de regeerperiode Rutte II niet beschikbaar is, is om de ervaring als woordvoerder te achterhalen gebruik gemaakt van schriftelijke vragen. De overheid publiceert alle schriftelijke vragen op www.officielebekendmakingen.nl en via deze site zijn de schriftelijke vragen voor de periode Rutte II verzameld. Door gebruik te maken van de taxonomie waarop de overheid schriftelijke vragen zelf indeelt zijn deze gekoppeld aan de categorieën uit het codeerboek van het

comparative agenda project (Breeman & Timmermans, 2008). Vervolgens is per partij en per onderwerp voor iedere parlementariër bekeken of deze bij meer dan 50 procent van de vragen van zijn partij over dat onderwerp betrokken was als indiener. Indien dat het geval was, is voor die parlementariër gecodeerd dat hij relevante ervaring heeft als woordvoerder op het desbetreffende onderwerp.

Prioriteit onderwerp voor de partij

(19)

18

politieke partijen tussen 1982 en 2017 (Green-Pedersen & Otjes, 2017). Deze variabele is niet zozeer meegenomen omdat deze variabele op zichzelf kan verklaren of een bepaalde

parlementariër woordvoerder wordt op een bepaald onderwerp (immers deze variabele is per onderwerp hetzelfde voor alle parlementariërs van dezelfde partij), maar omdat interacties tussen deze variabele en de andere variabelen gebruikt moeten worden om de gestelde hypotheses te testen. Deze variabele is een belangrijke spil in de uitgevoerde analyse.

Statistische analyse

Als statistisch model wordt een logistisch regressiemodel gebruikt. Dit omdat de afhankelijke variabele bestaat uit binaire data, namelijk het wel of niet krijgen van het woordvoerderschap op een bepaald onderwerp. Iedere hierboven beschreven verklarende variabele wordt

losstaand meegenomen, maar ook in de interactie met de prioriteit van het onderwerp (saliency) voor de partij. De coëfficiënten die bij deze interacties horen zijn relevant om de gestelde hypotheses te kunnen beantwoorden. Als er een significant effect wordt gevonden voor de interactie tussen de prioriteit van het onderwerp en een verklarende variabele, dan ondersteunt dat de hypothese dat die variabele belangrijk is voor de toewijzing van

woordvoerderschappen op partij-prioritaire onderwerpen. In de analyse is gecorrigeerd voor de grootte van de partij. Immers, de kans op een woordvoerderschap wordt kleiner wanneer de partij groter is.

Resultaten

Om de gestelde hypotheses te valideren is het van belang om te kijken naar de interactie tussen de prioriteit van het onderwerp en de verschillende verklarende variabelen. De resultaten van de logistische regressieanalyse staan in Tabel 1. Als eerste valt op dat de

interactie tussen de prioriteit van het onderwerp en positie op de lijst en de interactie tussen de prioriteit van het onderwerp en relevant onderwijs significant is. Kijkend naar de daarbij gevonden coëfficiënten zien we dat het inderdaad zo is dat mensen die hoger op de kieslijst staan of relevant onderwijs hebben gevolgd een grotere kans hebben om woordvoerder te worden op een partij-prioritair onderwerp. Hetzelfde effect voor de kieslijst wordt

(20)

19

coef std err p-waarde

Intercept -2,64 0,22 0,000***

Grootte fractie -0,03 0,00 0,000***

Vicefractievoorzitter 0,45 0,15 0,003***

Fractiesecretaris -0,14 0,17 0,422

Relevant werk 1,77 0,11 0.000***

Relevant onderwijs 0,30 0,13 0,018**

Lijstpositie t.o.v. zetels parlement -0,07 0,12 0,563

Ervaring in Kamer -0,00 0,01 0,981

Ervaring als woordvoerder 2,35 0,22 0.000***

Saliency 14,66 11,67 0,209

Saliency X Relevant onderwijs 15,40 7,65 0,044**

Saliency X Relevant werk -9,26 8,44 0,273

Saliency X Fractiesecretaris 0,06 7,40 0,994

Saliency X Vicefractievoorzitter -1,41 6,68 0,833

Saliency X Lijstpositie t.o.v. zetels parlement 4,25 1,48 0,004***

Saliency X Ervaring in Kamer -0,38 0,40 0,340

Saliency X Ervaring als woordvoerder 8,41 10,59 0,427

* α = 0,1 ** α = 0,05 *** α = 0,01

Tabel 1: Resultaten van het logistische regressiemodel met daarin alle variabelen meegenomen. Duidelijk te zien is dat de interactie tussen de prioriteit van een onderwerp en de lijstpositie en tussen de prioriteit van een onderwerp en relevant

onderwijs een significant effect hebben.

Naast het bekijken van interactie tussen prioritaire onderwerpen en de zes verklarende variabelen kan ook gekeken worden naar het effect van deze variabelen op het verkrijgen van een woordvoerderschap an sich. Tabel 1 laat zien dat relevant onderwijs, relevante

werkervaring, het zijn van fractievoorzitter en ervaring als woordvoerder een verklaring geven voor het krijgen van een bepaald woordvoerderschap. Deze variabelen kunnen dus niet direct verklaren waarom een Kamerlid woordvoerder wordt op een partij-prioritair onderwerp, maar wel waarom een Kamerlid woordvoerder wordt op een onderwerp in het algemeen. Dit verklaart waarschijnlijk ook het feit dat de interactie tussen deze variabelen en de prioriteit van het onderwerp niet significant is. De variabelen hebben op zichzelf al een dusdanig grote invloed of iemand woordvoerder wordt op een onderwerp dat er geen extra effect wordt gevonden voor partij-prioritaire onderwerpen. Het resultaat dat het zijn van

(21)

20

fractievoorzitter bekleedt. De reden dat er toch een significant effect gevonden wordt is waarschijnlijk omdat bij GroenLinks en de PVV de vicefractievoorzitters veel

woordvoerderschappen toebedeeld hebben gekregen.

Verder onderzoek naar de invloed van de plaats op de kieslijst op het

woordvoerderschap voor prioritaire onderwerpen kan worden gedaan door de positie op de lijst uit te splitsen per partij. Figuur 1 laat zien dat bij de PVV een aantal onderwerpen met een zeer hoge saliency toegewezen zijn aan parlementariërs die hoog op de kieslijst stonden. Op basis van Figuur 1 zou men kunnen denken dat vooral de PVV voor een significant effect zorgt. Een analyse met uitsluitsel van de PVV (Tabel A.2 in Appendix A) laat echter nog steeds een significant effect zien voor de interactie tussen de positie op de kieslijst en de mate van prioriteit van het onderwerp.

Uit Tabel 1 blijkt ook dat er geen significant effect wordt gevonden voor de interactie tussen het aantal jaren in het parlement (ervaring) en de prioriteit van het onderwerp. Dit kan komen doordat er een sterke correlatie is tussen de positie op de kieslijst en ervaring in het parlement (r=-0.36, p<0.01), zie Figuur A.2 Appendix A. Wanneer de analyse uitgevoerd wordt zonder lijstpositie als verklarende variabele (Tabel A.3 in Appendix A) blijkt dan ook dat de interactie tussen ervaring in het parlement en de prioriteit van het onderwerp op 0.1 niveau een significant effect heeft. Dit ondersteunt hypothese 1D.

Samenvattend kan worden gesteld dat de positie op de lijst en relevant genoten onderwijs kunnen verklaren waarom iemand woordvoerder wordt op een partij-prioritair onderwerp. Wanneer de positie op de lijst niet wordt meegenomen in het model lijkt ervaring

(22)

21

in het parlement een effect te hebben op wie woordvoerder wordt op een partij-prioritair onderwerp, echter dit is minder sterk dan het effect van de lijstpositie. Daarnaast laat de analyse zien dat zonder te kijken naar de interactie genoten onderwijs, werkervaring, functie binnen de partij en de ervaring die iemand heeft als woordvoerder een duidelijk effect hebben op welk onderwerp iemand woordvoerder wordt.

Conclusie

In dit onderzoek is getracht antwoord te geven op de vraag welke factoren verklaren wanneer een parlementariër woordvoerder wordt op een partij-prioritair onderwerp. Hierbij is dit onderzoek verder gegaan op het theoretisch kader ontwikkeld door Mickler (2017), waarbij twee kritieken op dit theoretisch kader centraal stonden. Ten eerste heeft Mickler (2017) onderzoek gedaan naar commissiebenoemingen en niet naar woordvoerderschappen waarbij commissies te breed zijn om goed de prioritaire onderwerpen van een partij te reflecteren. Ten tweede heeft Mickler (2017) slechts voor een tweetal variabelen onderzocht of zij invloed hebben op de toewijzing van parlementariërs in een voor de partij belangrijke commissie, terwijl in een parlement met een zeer sterke partijcultuur alle meegenomen variabelen hier van invloed op kunnen zijn. In dit onderzoek is geanticipeerd op deze twee kritieken door meerdere variabelen mee te nemen en de toewijzing van woordvoerderschappen te

beschouwen.

Uit de resultaten van dit onderzoek komt ten eerste naar voren dat de plaats op de kieslijst een goede verklaring geeft voor het worden van woordvoerder op een partij-prioritair onderwerp. De hiërarchie binnen een partij die gereflecteerd wordt door de kieslijst is

daarmee ook zichtbaar in de organisatie van het parlement en de manier waarop de arbeid in het parlement wordt verdeeld. Het antwoord op de vraag hoe deze hiërarchie tot stand komt is echter niet eenduidig. Het zou zo kunnen zijn dat Kamerleden met bepaalde kennis belangrijk zijn voor de partij en daarom hoog op de kieslijst geplaatst worden om te verzekeren dat zij in de Kamer terechtkomen en zo woordvoerder kunnen worden. Dit strookt met de andere uitkomst van dit onderzoek dat ook relevant onderwijs een verklaring is waarom iemand woordvoerder wordt op een partij-prioritair onderwerp. Andere factoren kunnen echter niet worden uitgesloten. Zo zouden loyaliteit naar de partij, het representeren van een specifieke groep in de samenleving of andere persoonlijke kenmerken ook een rol kunnen spelen.

(23)

22

onderwerp. Uit dit gegeven kan worden opgemaakt dat het meer waarschijnlijk is dat een parlementariër een partij-prioritair onderwerp toebedeeld krijgt als hij zich makkelijk kan verdiepen in het onderwerp, wat in lijn is met de gedachte van de informational theorie.

Bovenstaande conclusies geven aan wanneer iemand woordvoerder wordt op een partij-prioritair onderwerp. Hiernaast toont dit onderzoek aan dat relevant onderwijs, relevante werkervaring, de functie binnen de partij (specifiek het zijn van

vicefractievoorzitter) en ervaring als woordvoerder verklaren waarom een Kamerlid

woordvoerder wordt op een onderwerp, los van of dit onderwerp prioritair is voor de partij. Dit is grotendeels in lijn met de conclusies van Mickler (2017). Dit onderzoek laat echter zien dat functie binnen de partij ook van invloed kan zijn op het krijgen van een bepaald

woordvoerderschap, waarmee een parlementariër vervolgens in een bepaalde commissie terecht komt.

Er zijn een aantal kritische opmerkingen te plaatsen bij dit onderzoek. Allereerst zijn bepaalde variabelen bewust buiten beschouwing gelaten, waardoor er mogelijk geen compleet beeld ontstaat. De redenen hiervoor zijn uiteengezet in het theoretisch kader. Een tweede kritische opmerking bij dit onderzoek is de beperkte focus op één extreme casus. Er is

gekozen voor de Nederlandse casus omdat Nederland een extreem hoge partijeenheid kent en persoonlijke electorale drijfveren zeer beperkt zijn. Door deze casusselectie lenen de

resultaten van dit onderzoek zich moeilijk voor andere landen. Een derde kritische opmerking is de methode van dataverzameling in dit onderzoek. Voor sommige politieke partijen was het voor een aantal onderwerpen niet geheel duidelijk welk Kamerlid hierop precies

woordvoerder was, terwijl bij andere politieke partijen de verdeling van

woordvoerderschappen zeer specifiek was. Dit probleem had ondervangen kunnen worden door naast de gebruikte bronnen ook andere bronnen te gebruiken. Zo had ook voor de periode van analyse de parlementaire activiteit van Kamerleden, zoals schriftelijke vragen, gebruikt kunnen worden om woordvoerderschappen nauwkeuriger in te delen. Daarnaast zijn er een aantal Kamerleden waarvan niet gevonden kon worden wat voor onderwijs zij hebben gevolgd of wat hun relevante werkervaring was in de afgelopen vijf jaar. Dit kwam in een groot deel van de gevallen doordat er simpelweg geen relevante vooropleiding of

werkervaring was, maar in sommige gevallen was het wel aanwezig maar niet

(24)

23

Dit onderzoek zet aan tot een aantal vervolgvragen. Allereerst blijkt het begrip specialisme en de manier waarop het ontstaat op veel verschillende manieren opgevat te worden. Een duidelijker theoretisch beeld van wat dit begrip werkelijk inhoud zou een goede bijdrage zijn aan de literatuur over de werking van parlementen. Daarnaast is meer onderzoek nodig naar wat de positie op de kieslijst zegt over parlementariërs en hun positie binnen de partij. Ook zou er een meer uitgebreide analyse gedaan kunnen worden waarin meer factoren worden meegenomen of waarin meer regeerperiodes beschouwd worden. Als laatste zet dit onderzoek aan tot eenzelfde analyse in andere West-Europese landen waarbij duidelijk kan worden hoe partijen in deze parlementen de arbeid onder hun parlementariërs verdelen.

(25)

24

Literatuurlijst

Aldrich, J. & Rohde, D. (2001). The logic of conditional party government: Revisiting the electoral connection. In Lawrence, E., Dodd, C. & Oppenheimer, B.I., Congress reconsidered (7th ed.). Washington, D.C.: CQ Press.

Andeweg, R.B. (1997). Role specialisation or role switching? Dutch MPs between electorate and executive. The journal of legislative studies, 3(1), 110-127.

Andeweg, R.B. & Irwin, G.A. (2009). Governance and politics of the Netherlands, 3rd edition.

New York: Palgrave Macmillan.

Andeweg, R.B. & Thomassen, J. (2010). Pathways to party unity: sanctions, loyalty, homogeneity and division of labour in the Dutch parliament. Party politics, 17(5), 655-672.

Andeweg, R.B. (2014). Roles in Legislatures. In Martin, S. Saalfeld, T. & Strøm, K., Oxford Handbook of Legislative Studies (p. 267–285). Oxford: Oxford University Press. Bowler, S. & Farrell, D. (1995). The organizing of the European Parliament: Committees,

specialization and co-ordination. British Journal of Political Science, 25(2), 219–243. Breeman, G. & Timmermans, A (2008). Responsieve Overheid. Leiden: Mimeo.

Budge, I. & Farlie, D. (1983). ‘Party Competition – Selective Emphasis or Direct

Confrontation? An Alternative View with Data’. In Daalder, H. & Mair, P., West

European Party Systems: Continuity and Change (p. 267 – 305). London: Sage.

Carmines, E. & Stimson, J. (1989). Issue Evolution. Princeton: Princeton University Press.

Ciftci, S., Forrest, W. & Tekin, Y. (2008). Committee assignments in a nascent party system: The case of the Turkish Grand National Assembly. International Political Science Review, 29(3), 303–324.

Cox, G.W. & McCubbins, M.D. (1993). Legislative leviathan: Party government in the House. University of California Press.

Cox, G.W. & McCubbins, M.D. (2007). Legislative leviathan: Party government in the

House. Cambridge University Press.

Damgaard, E. (1995). How parties control committee members. In Döring, H., Parliaments

and majority rule in Western Europe (p. 113-141) Mannheim: Mannheim Campus.

(26)

25

Green-Pedersen, C. (2010). Bringing Parties into Parliament: The Development of Parliamentary Activities in Western Europe. Party Politics, 16(3), 347–369.

Green-Pedersen, C. & Otjes, S. (2017). ‘A Hot Topic? Immigration on the Agenda in Western Europe’, Party Politics, Published online ahead of print.

Hansen, M. (2010). Committee assignment politics in the Danish Folketing. Scandinavian Political Studies, 33(4), 381–401.

Hansen, M. (2011). A random process? Committee assignments in Dáil Éireann. Irish Political Studies, 26(3), 345–360.

Hazan, R. & Voerman, G. (2006). Electoral systems and Candidate Selection. Acta Politica, 41(2), 146-162.

Heidar, K. & Koole, R. (2000). Parliamentary party groups in European democracies. Political parties behind closed doors. London and New York: Routledge.

van Holsteyn, J. & Andeweg, R.B. (2012). Tweede orde personalisering: voorkeursstemmen in Nederland. Res publica, 54(2), 163-191.

Kenig, O. (2009). Democratization of party leadership selection: do wider selectorates produce more competitive concepts. Electoral studies, 28(2), 240–247.

Kiesraad (2017). Overzicht van de definitieve kandidatenlijsten voor de verkiezingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op 15 maart 2017. Den Haag, beschikbaar via https://www.kiesraad.nl/.

Krehbiel, K. (1990). Are congressional committees composed of preference outliers? American Political Science Review, 84(1), 149–163.

Louwerse, T. & Otjes, S. (2015). The impact of parliamentary specialisation on cosponsorship. The journal of legislative studies, 21(4), 476-494.

Louwerse, T. & Otjes, S. (2016). Personalised parliamentary behaviour without electoral incentives: the case of the Netherlands. West European politics, 39(4), 778-799. Louwerse, T. (2019). Peilingwijzer Tweede Kamerverkiezingen maart 2016. Beschikbaar via

https://www.peilingwijzer.nl.

Mattson, I. & Strøm, K. (1995). Parliamentary committees. In Döring, H., Parliaments and

Majority rule in Western Europe (p. 249). Mannheim: Campus.

March, J. & Olsen, J. (1984). The New Institutionalism: Organizational Factors in Political Life. The American Political Science Review , 78(3) , 734-749.

(27)

26

McElroy, G. (2006). Committee representation in the European Parliament. European Union Politics, 7(1), 5–29.

Mickler, T. (2013). Standing committee assignments in the German Bundestag - who gets what in within-party negotiations? German Politics, 22(4), 421–440.

Mickler, T. (2017). Parliamentary committees in a party-centred context: structure, composition, functioning. Leiden: Universiteit van Leiden.

Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties. 2019. Officiële bekendmakingen. Den Haag, beschikbaar via https://www.officielebekendmakingen.nl/.

Müller, W. (2000). Political parties in parliamentary democracies: Making delegation and accountability work. European Journal of Political Research, 37(3), 309–333. Muller, C. & Sieberer, U. (2014). Procedure and rules in legislatures. In Martin, S. Saalfeld,

T. & Strøm, K., Oxford Handbook of Legislative Studies (p. 314 – 331). Oxford: Oxford University Press.

Parlementair Documentatie Centrum (2019). Parlement & Politiek. Den Haag: Universiteit Leiden.

Otjes, S. & Louwerse, T. (2018). ‘Parliamentary Questions as Strategic Party Tools,’ West European Politics, 41(2), 496–516.

Otjes, S. (2019). No politics in the agenda-setting meeting: plenary agenda setting in the Netherlands. West European politics, (accepted for publication).

Petrocik, J. (1996). Issue Ownership in Presidential Elections, with a 1980 Case Study. American Journal of Political Science, 40(3), 825–850.

Rahat, G. & Hazan, R. (2001). Candidate selection methods: an analytical framework. Party politics, 7(3), 297-322.

Raymond, C. & Holt, J. (2014). Due North? Do American theories of legislative committees apply to Canada? The Journal of Legislative Studies, 20(2), 174–192.

Robertson, D. (1976). A Theory of Party Competition. New York: Wiley.

van Schendelen, M. (1976). Information and decision making in the Dutch parliament. Legislative studies quarterly, 1(2), 231-250.

Searing, D. (1994). Westminster’s world: understanding political roles. Cambridge: Harvard university press.

Shepsle, K. (1978). The giant jigsaw puzzle: Democratic committee assignments in the modern House. Chicago: University of Chicago Press.

(28)

27

Thomassen, J. & Andeweg, R.B. (2004). Beyond collective representation: individual members of parliament and interest representation in the Netherlands. The journal of legislative studies, 10(4), 47-69.

Tweede Kamer der Staten-Generaal (2019). Beschikbaar via https://www.tweedekamer.nl/. van Vonno, C. (2012). Role-switching in the Dutch Parliament: reinvigorating role theory?

The journal of legislative studies, 18(2), 119-136.

Wahlke, J.C., Eulau, H., Buchanan, W. & Ferguson, L.C. (1962). The Legislative System; Explorations in Legislative Behavior. New York: Wiley.

Walgrave, S., Tresch, A. & Lefevere, J. (2015). The Conceptualisation and Measurement of Issue Ownership. West European Politics, 38(4), 778–796.

Whitaker, R. (2001). Party control in a committee-based legislature? The case of the European Parliament. Journal of Legislative Studies, 7(4), 63–88.

(29)

28

Appendix A: Overige figuren en tabellen

Figuur A.1: Operationalisatie van de lijstpositie. De relatieve plaats op de kieslijst laat de waarde van een bepaalde lijstpositie voor de partij zien ten opzichte van het behaalde zetelaantal in het huidige parlement.

(30)

29

coef std err p-waarde

Intercept -2,41 0,22 0,000***

Grootte fractie -0,04 0,01 0,000***

Vicefractievoorzitter 0,47 0,15 0,001***

Fractiesecretaris -0,11 0,17 0,502

Relevant werk 1,75 0,11 0,000***

Relevant onderwijs 0,31 0,13 0,015**

Lijstpositie t.o.v peiling -0,17 0,10 0,077*

Ervaring in Kamer 0,00 0,01 0,691

Ervaring als woordvoerder 2,36 0,22 0,000***

Saliency 7,56 11,91 0,526

Saliency X Relevant onderwijs 15,78 7,68 0,040**

Saliency X Relevant werk -8,78 8,48 0,3

Saliency X Fractiesecretaris 0,30 7,27 0,967

Saliency X Vicefractievoorzitter -0,75 6,560 0,909

Saliency X Lijstpositie t.o.v. peiling 2,86 1,17 0,014**

Saliency X Ervaring in Kamer -0,25 0,39 0,515

Saliency X Ervaring als woordvoerder 8,36 10,72 0,435

* α = 0,1 ** α = 0,05 *** α = 0,01

Tabel A.1: Resultaten van de logistische regressieanalyse waarin lijstpositie geoperationaliseerd is door middel van peildata.

coef std err p-waarde

Intercept -2,77 0,24 0,000***

Grootte fractie -0,03 0,01 0,000***

Vicefractievoorzitter 0,04 0,21 0,865

Fractiesecretaris -0,29 0,21 0,172

Relevant werk 1,94 0,12 0,000***

Relevant onderwijs 0,33 0,15 0,026**

Lijstpositie t.o.v zetels 0,04 0,14 0,796

Ervaring in Kamer -0,02 0,02 0,296

Ervaring als woordvoerder 2,66 0,31 0,000***

Saliency 8,03 18,75 0,669

Saliency X Relevant onderwijs 10,62 12,96 0,412

Saliency X Relevant werk -22,14 10,94 0,043**

Saliency X Fractiesecretaris 9,04 16,20 0,577

Saliency X Vicefractievoorzitter 5,53 15,86 0,728

Saliency X Lijstpositie t.o.v. zetels 12,14 4,64 0,009***

Saliency X Ervaring in Kamer -0,11 1,34 0,936

Saliency X Ervaring als woordvoerder -22,67 23,61 0,337

* α = 0,1 ** α = 0,05 *** α = 0,01

(31)

30

coef std err p-waarde

Intercept -2,71 0,12 0,000***

Grootte fractie -0,03 0,01 0,000***

Vicefractievoorzitter 0,43 0,15 0,003***

Fractiesecretaris -0,14 0,17 0,385

Relevant werk 1,76 0,11 0,000***

Relevant onderwijs 0,30 0,13 0,021**

Ervaring in Kamer -0,01 0,01 0,506

Ervaring als woordvoerder 2,36 0,22 0,000***

Saliency 17,22 13,55 0,204

Saliency X Relevant onderwijs 16,54 7,89 0,036**

Saliency X Relevant werk -7,60 8,54 0,373

Saliency X Fractiesecretaris -0,72 6,93 0,917

Saliency X Vicefractievoorzitter -1,20 6,37 0,851

Saliency X Ervaring in Kamer 0,42 0,22 0,062*

Saliency X Ervaring als woordvoerder 6,05 10,71 0,572

* α = 0,1 ** α = 0,05 *** α = 0,01

(32)

31

Appendix B: Uitzonderingen codering onderwijs en relevante werkervaring

Subonderwerp Hoofdonderwerp origineel Hoofdonderwerp nieuw

1501 1500 100

1502 1500 100

1504 1500 100

2009 2000 100

1902 1900 700

1518 1500 1200

1522 1500 1200

1526 1500 1200

2010 2000 1200

2018 2000 1200

2107 2100 1200

1207 1200 1300

1208 1200 1300

1409 1400 1300

1524 1500 2100

Tabel B.1: Subonderwerpen die bij een ander hoofdonderwerp gecodeerd zijn.

Subonderwerp

206 1405

207 1505

208 1595

211 1597

212 1707

230 1708

406 1709

608 1910

609 2003

610 2106

1403 2108

Figure

Updating...

References

Updating...

Related subjects :