• No results found

Geprovoceerde Herinnering

N/A
N/A
Protected

Academic year: 2020

Share "Geprovoceerde Herinnering"

Copied!
17
0
0

Loading.... (view fulltext now)

Full text

(1)

1. dat ik thans niet in staat ben, om daarvan heden afschrift te geven, uit gebrek aan tijd; 2. dat ik aan mijzelf denk te houden, wat ik daarvan door een publiek blad meer algemeen w'ensch bekend te stellen.

Wel-Edele heeren, na groete met heilbede, uw dienstwillige dienaar, D. P o s t m a , V.D.M . Burgersdorp, 27 Febr. 1860.

Het volgende besluit werd toen genomen:

De Dienstdoende ondergeteekenden, ouderlingen der Hollansche Gereformeerde Kerk alhier, magtigen bij dezen, den diaken P. J. Viljoen, van deze gemeente, en den Diaken P. J. Joubert, van Colesberg, om namens hen eene Commissie uit te maken ter overdenking en beraming van een plan tegen de aanvallen van Ds. D. Postma tegen onze kerk in eene publieke vergadering alhier gedaan, en dezelve openbaar te maken, door middel van den Kerkbode.

A. J. H. S t e e n e k a m p )

J. F. M e y b u r g ) Ouderlingen. A. H. v a n d e r W a l t )

Burgersdorp 26 Febr. 1860.

Ziedaar het gebeurde te Burgersdorp, de gewezene standplaats van Professor Murray, van wien ook de thans afgescheidenen met ons Gods Woord in veel ernst en zuiverheid hebben hooren verkondigen, en versierd met een onbesprokene godvruchtigen wandel, zie hem door dien man in zijn persoon getast en beschuldigd met de leer der voorver- ordinering tegen te staan.

W ij zijn verwonderd, dat ook de vrees van vereeniging der kleur­ lingen met onze kerk, die zij gelijkstelling noemen, onder de redenen van afscheiding is weg gelaten, daar dezelve vroeger, ons goed bekend, eene eerste reden was van gemoedsbezwaren.

De Heer D. Postma scheen er zeer op gesteld te zijn om te laten hooren, dat al wat ZEerw. tegenschrijft de waarheid is, en dat hij alzoo een veiligen weg bewandelt, en dus ook alles in het openbaar doet. W ij laten het aan anderen over om volgens het gebeurde te oordeelen of het wel zoo is. En vragen wij nu ons kerkbestuur de redenen van afscheiding, alsmede o f het gezegde van den Heer D. Postma waar of niet waar is.

P. J . V i l j o e n ) Commissie.

P . J . Jo u b e r t )

(2)

Geprovoceerd, zeg ik, omdat ik anders niet gaarne terug kwam op hetgeen ik eenmaal Zijn Wel-Eerw. onder het oog gebragt heb, volgens Matth. xviii: 15; want ik heb hem de opmerking per brief gemaakt over hetgeen hij in het openbaar tegen mij geschreven had.

Evenmin zoude ik terugkomen op hetgeen ik eenmaal publiek tot mijne zelfverdediging geschreven heb.

En zoude het althans nu nog niet ondernemen, maar liever gewacht hebben totdat de „wederlegging van de opgegevene redenen van afschei­ ding”, waarvan ZWEerw. melding maakt in zijne „toelichting” in het openbaar zal verschenen zijn, die, misschien, onze e.k. Synode gelegenheid kan gegeven tot een wederwoord.

Misschien ware het voor Dr. Hofmeyer ook beter geweest het maar eens eerst aan de door hunne Synode benoemde commissie over te laten. Dan, ik betwist hierdoor niet het regt aan ZEerw., ik zeg maar, dat zulks mij voor hem beter scheen.

Dan, ZEerw. heeft nu eenmaal geschreven en op zulk eene wijze, dat ik meen door hem geprovodeerd te worden tot eene „herinnering en teregtwijzing” aan ZWeerw. hoe ongaarne ik anders voor zulk een werk de pen opvat en waarvoor mij anders ook geen tijd rest.

Ik zal dan nu ook niet direct treden in eene verdediging van onze gegevene verklaring in onze Synode van 1869 van de redenen der afschei­ ding, maar mij bepalen bij de genoemde „herinnering en teregtwijzing”. „DE HERINNERING” BETREFT ALLEEN D r . HOFM EYER.

Is het dan nu, na een verloop van p.m. 11 jaren ZWEerw. vergeten, dat ik toen in eenen brief, en dus als ware het tusschen hem en mij alleen, volgens Matth. xviii: 15 hem de opmerking heb gemaakt over dezelfde zaken, die hij nu weer te berde brengt, met deze woorden namelijk . . . „Over de mededeeling dier zaken (in het openbaar namelijk) maak ik u, uit liefde tot uwe bekeering in dezen, de opmerking, dat gij u zwaar bezondigt tegen het 9de gebod van de wet des Heeren, en zoo gij dien man kent, die in „Elpis” heeft medegedeeld „verslag van de vergadering te Potchefstroom”, zeg hem s.v.p. dat ik tegenover dat verslag lees Ps. xxxvii en cxix, en roep den God der waarheid aan: „God zij dien man genadig”.

Moge deze (geprovoceerde) herinnering genoeg zijn voor ZWEerw. en zij worde aan zijn hart geheiligd tot ootmoed en voorzigtigheid.

Dit is mijne hartelijke bede en wensch, en waarlijk het oogmerk, waarmede ik deze herinnering maak, en w’enschte wel,dat het niet weer noodig zij.

„DE TEREGTW IJZIN G” .

Zij deels voor Dr. H., deels voor anderen, die er behoefte aan mogen hebben.

(3)

W il men ons beschuldigen, dat wij in die zaak ons niet op Bijbelsch standpunt bevinden, dan doet men het voorkomen als o f onze kerk tegen den zending is ; maar wil men weer de achting en het crediet van Postma verminderen bij zijne gemeente, dan doet men het voorkomen alsof hij maar een zendeling ware; want men weet, dat die naam „zendeling” doorgaans een man te kennen geeft van minder rang dan predikant.

Dit schijnt mij ook wederom door te stralen in genoemd boekje van Dr. Hofmeyer.

Aldus bestraft men nu eens onze kerk over nalatigheid in de zending­ zaak, dan eens maakt men haar weer bang voor de zendingzaak, door te wijzen op de belangstelling die onze kerk in Nederland en ook Postma zelf voor dezelve geopenbaard heeft (en, Gode zij dank, door den Geest Gods nog openbaart.)

Maar waaraan men zulk eene handelw'ijs, zulk eene wisselende voorstelling over dezelfde zaak en dezelfde personen moet toeschrijven laat ik liefst het geweten van hen, die het doen, verklaren.

Doch ik verblijd mij hierdoor gelegenheid te krijgen tot eene w'aar- achtige voorstelling van de zaak, en deze zal, hoop ik, allen die het nog niet goed weten, volkomen teregtwijzen.

De Synode onzer kerk in Nederland, in het jaar 1857 te Leiden vergaderd, zullende in behandeling nemen de zendingzaak, werd door het Deputaatschap van de provincie Noord Braband voorgesteld:

„O f de Synode onzer kerk zich niet eerst zoude geroepen achten te denken aan onze stamverwanten en geloofsgenooten in de Zuid-Afrikaan- sche Republiek?” En na eenige toelichting door dat Deputaatschap, werd daartoe besloten en het aan de Synodale Commissie onzer kerk in Nederland opgedragen om in overleg met de curatoren der Theologische School een werk te doen dat beantwoorden mogt aan dat gewenschte doel, en die Commissie benoemde mij (zijnde toen reeds 17 jaren predi­ kant) tot Afgevaardigde naar de Transvaalsche Republiek in Zuid-Afrika, om mij derwaarts te begeven, „ten einde op de plaats zelve onderzoek te doen naar den godsdienstigen toestand van onze stamverwanten en geloofs­ genooten aldaar, broederlijk betrekkingen met hen aan te knoopen en in alles te handelen, gelijk het hemzelven het nuttigst zal voorkomen in het belang van Gods Koningrijk en van onze stamverwanten en geloofs­ genooten op Zuid-Afrika‘s Oostkust” Letterlijk overgenomen uit mijnen lastbrief, die ook wordt medegedeeld door Dr. H. op blaz. 1 van genoemd boekje; voor welke mededeeling ik ZEerw. dank zeg, en ik verzoek hemzelven en anderen, die kennis van de zaak willen nemen mijn kerkelijk gedrag sedert mijne komst in Zuid-Afrika, vclgens dien lastbrief te beoordeelen. Ik meen aan dien lastbrief opregt getrouw gebleven te zijn tot op dezen dag.

Kan men mij anders overtuigen, ik hoop daarvoor vatbaar te zijn, en ben, bij overtuiging van afwijking, genegen het te belijden en mij te

(4)

bekeren, omdat ik geloof dat God door dien lastbrief op mij gelegd heeft eene hemelsche verpligting, die ik gaarne geheel opregt en getrouw vervul tot dat onze Grote God en Zaligmaker mij naar, zijne wijsheid, van die verpligting ontheft.

Dus verzoek ik elk vriendelijk: Neem kennis van dien lastbrief en vergelijk mijn kerkelijk gedrag in Zuid-Afrika van af mijne intrede in dit werelddeel tot op dezen dag, en ja tot zoolang ik leef onder die verpligting. God helpe mij genadiglijk, om te zijn een arbeider die niet beschaamd maakt. In mij is geene kracht, geene trouw.

Ook dank ik Dr. H., dat ZWEerw. onder de „Bijlagen” lett. A bladz. 19 van zijn boekje heeft opgenomen en alzoo weer eens meer algemeen bekend stelt „een schrijven onzer Synodale Commissie over mijn heengaan naar Zuid-Afrika” . Het is even zeer mijn verlangen, dat elk daarvan kennis neme:

Men kan daaruit zien:

1. W at het verlangen en de bedoeling onzer kerk toen was, en zoo ik hoop ,nog is.

2. W at mij in verband daartoe in het bijzonder is opgelegd. 3. W elk een crediet de Synodale Commissie in mij gesteld heeft. Dit laatste noem ik des noods, omdat het dienen kan tot weder­ legging van hen die gaarne het publiek zouden bewegen om anders

(ongunstig) over mij te doen denken.

Vergeef mij deze betamende zelfverdediging.

Dus ook hierbij zeg ik weder: Neem kennis van dat schrijven en vergelijk ook daarbij mijn gedrag omtrent de zendingzaak van af dat ik in Zuid Afrika kwam tot op dezen dag.

Ik vertrouw men zal mij vinden daarvoor levende en werkende met al mijne vermogens en dat met aanhouding tijdelijk en ontijdelijk.

En ik vereenig mij met de smeeking uitgedrukt in dat schrijven van de Synodale Commissie: „en bovenal smeeken wij den Koning der Kerk, die haar met zijn eigen bloed heeft gekocht en door Zijn W oord en Geest wil uitbreiden van zee tot zee en van de rivier tot aan de einden der aarde, dat Hij haar doe verstrekken tot bevordering van Zijne eer en van de zaligheid van zondaren”. En daartoe mede te arbeiden is mijn lust en mijn leven.

Met deze teregtwijzing in het algemeen zoude ik kunnen volstaan; want, zoo als ik gezegd heb, onderneem ik thans niet onze openbare verklaring van de afscheiding, gegeven door onze laatst gehoudene Synode, te verdedigen, misschien vindt de e.k. Synode daartoe zich genoopt, wanneer daarover de aanmerkingen zijn openbaar geworden; maar ter wille van anderen acht ik het niet ondienstig noch overbodig ook nog te laten volgen eenige teregtwijzingen in het bijzonder.

(5)

antwoord van Ds. Postma” Kerkbode Deel XI, pag. 279, en acht het dus niet noodig op die aanhaling te repliceren, dan alleen elk te verzoeken dat „Openbaar Antwoord” van mij nog eens te lezen. Ik meen in dat openbaar antwoord aan Prof. Hofmeyer behoorlijk en met alle beschei­ denheid ZHEerw. bedenkingen te hebben wederlegd.

Op. pag. 3 lees ik: „Geen wonder voorwaar, dat Ds. Postma, onder zulke omstandigheden door Ds. van der Hoff en de gemeenten in de Z.A. Republiek met zulke hartelijkheid is ontvangen geworden.” Ik geloof integendeel, dat Ds. van der Hoff mij met hartelijkheid ontving met een geheel ander vooruitzigt, namelijk om door mij en onze kerk eenen kerkelijken steun te verkrijgen tegenover de Nederd. Geref. Kerk van de Kaapkolonie, die ZWEerw. miskende en van welke hij zich met de kerk in de Z.A. Republiek reeds formeel voor mijne komst al had afgezon­ derd als eene zelfstandige kerk, onder den naam van : Nederduitsch Hervormd, bij de Grondwet van dat land alzoo beschreven en erkend als Staatskerk. In de verwachting echter werd Ds. van der Hoff teleur­ gesteld, omdat ik niet kon toestemmen in anti-Gereformeerde handelingen toen door mij genoeg bekend gesteld. Aan Ds. van der Hoff echter blijf ik altijd dankbaar voor zijne vriendelijkheid, waarmede hij mij persoonlijk heeft behandeld, alsmede aan zijne echtgenoot, en met genoegen vermeld ik dit publiek alsmede geef ik ZWEerw. heden nog gaarne getuigenis, dat hij mij in mijne betrekking als Afgevaardigde van onze kerk met alle respect heeft behandeld en zijne beginselen voor mij niet heeft verborgen. Ik denk, dat hij zich eerlijker heeft gedragen op zijn standpunt, dan de drie Leeraren, S. Hofmeyer, Louw en van Heynin- gen in die vergadering te Potchefstroom, waarvan Ds. H. in dat boekje melding maakt en waarop ik, ter verklaring van dit mijn zeggen, hierna nog hoop te reflecteren.

Dat ik in opregtheid de beste verwachting koesterde omtrent de Nederd. Geref. Kerk van de Kaapkolonie en Natal en alzoo aan mijne kerk schreef, heb ik nooit ontveinsd en zal dit nimmer doen, maar die goede verwachting werd in mij het eerst zeer verzwakt als ik in de Kerk­ bode las den brief van „De Synode der Gereformeerde Kerk in Zuid- Afrika, aan de Algemeene Synode der Hervormde Kerk in Nederland,” zie Kerkbode, Deel XI, pag. 46; welke brief onderteekend is door W . Robertson, J. Murray en S. Hofmeyer.

Op welken brief ik toen tertijd schreef aan Dr. A. Faure, Actuarius Synodi: „Vergun mij, Wel-Eer .v. Bro:der, u ook te open'aren eene angstige bekommering omtrent uwe kerk, die mij vooral is aangekom en sedert ik de Kerkbode van 29 Januarij dezes jaars (1859) las, namelijk dien Officieelen Brief van de Synode dezes lands aan die van de Nederd. Hervormde Kerk van Nederland.

„Ik zie in dien brief, om met Bijbeltaal en onbewimpeld te spreken— een vleijen van de hoere en eene miskenning van het echte kind.

(6)

„Het is mijn vriendelijk verzoek, dat gij ook uwe Synode met mijne opmerking bekend maakt.

„En mogt God geven, dat de Synode hare oogen voor de waarheid open doe, opdat ze veeleer met hare moeder twiste, dan haar vleije, ten einde zij nog behoed blijve van haar gelijk te worden. Dit is het wat ik vurig van den Heere voor haar wensch te bidden en niet voor haar mag verhelen.”

Hieruit kan elk zien hoe ik door dien brief in mijne goede verwachting geschokt werd en dat ik dit mededeelde aan den man, dien ik, wegens zijne betrekking, den geschikte oordeelde om het aan de Nerderd. Geref. Kerk bekend te stellen, en wien ik als hooggeachte broeder het vertrouwde; heeft ZWEerw. dat niet gedaan,— of al, en heeft de Nederd. Geref. Kerk dit niet aangemerkt als een opregten broederwenk van mijne zijde, dat is buiten mijne schuld, maar ik heb gesproken en niet gezwegen, zoodra ik haar officieel geheel anders leerde kennen, dat in mijne broederlijke ontmoeting met sommigen.

Deze mijne goede verwachting, door mij waarlijk zoo wel gemeend en gekoesterd, maar zoo deerlijk geschokt dooe dien officieelen brief, werd geheel verdoofd, ja weggenomen door het gedrag van de drie bovenge­ noemde Leeraren S. Hofmeijer, Louw en van Heyningen in de vergadering te Potchefstroom.

Doch toen had ik nog geene gemeente in den Oranje Vrijstaat noch Kaapkolonie gesticht, maar vond daarna volle vrijmoedigheid dat op hun verlangen te doen, gelijk ik dat breeder verklaard heb in het reeds aangehaald „Openbaar Antwoord” van mij op den „Openbaren Brief” van Prof. Hofmeijer, welken men daarover kan nazien.

Bladz. 4, 3de regel van boven, enz. is eene geheel onjuiste en alzoo eene onware voorstelling van de zaak. De ware toedragt der zaak is deze: Rustenburg had voor zij ons kende althans voor dat zij mij kende, verlof bekomen van de Algemeene Kerkvergadering, en dit verlof was bekrachtigd met eene goedkeuring van den Volksraad, om voor zich eenen Leeraar te beroepen, zonder gebruik der Evangelische Gezangen zoo hij maar bevonden werd Gereformeerd te zijn in de leer en zulk een leeraar moest alleen in dat opzigt onderzocht en goedgekeurd worden door de Algemeene Kerkvergadering van dat land.

Postma had zich nog niet bereid verklaard de roeping van Rustenburg aan te nemen, want ook had hij toen eene beroeping van de Nederd. Geref. Gemeente te Winburg. Hij wist niet wat hij doen moest, maar werd van die van Rustenburg verzocht zich toch aan dat onderzoek aangaande zijne gevoelens te onderwerpen, hetwelk hij gaarne deed, omdat hij niet schroomt op dit punt onderzocht te worden door eene wettige vergadering, des vereischt.

(7)

om de gemeente te Rustenburg als Herder en Leeraar te aanvaarden. Na dat gehouden onderzoek werd dat besluit omtrent de Evangelische Gezangen door de vergadering genomen. Door dat besluit bedreef die vergadering ontrouw tegen hare vroegere concessie aan die gemeente bekragtigd bij Volksraadsbesluit; en betoonde hare anti-Gereformeerde gezindheid, waartegen ik mij verpligt gevoelde met allen ernst broederlijk te vermanen. Postma was er toen zeer ver af „terstond die betrekking te aanvaarden”, gelijk Dr. H. zegt, integendeel, hij dacht naar zijn land terug te keeren, meenende zijne taak volbragt te hebben en te kunnen berigten aan zijne kerk, dat de Nederd. Hervormde Kerk van de Z.A. Republiek (qua kerk) de aangebodene hulp onzer kerk niet op Gerefor­ meerde grondslagen begeerde. Maar wat gebeurt er? Vijftien invloed­ rijke mannen stonden op, bedankten de gemeenschap dier kerk, die zich nu duidelijk genoeg voor hen had geopenbaard als anti-Gereformeerd en verzochten mij toch niet heen te gaan, maar hun die hulp toe te zeggen en te verleenen, ja om hen te stichten als eene Gereformeerde Gemeente. Ik nam dit eene maand in overweging, en als die maand verloopen was werd dat verzoek vernieuwd door p.m. drie honderd lidmaten. Ik heb mij toen geroepen gevoeld om aan dat verzoek gevolg te geven volgens mijnen lastbrief, niettegenstaande de moeite die ik aan die positie ver­ bonden achtte, die ik dan ook wel, en soms pijnlijk, heb ondervonden; dan door Gods genade en hoede leef ik nog.

Dat de broeders van de Nederd. Geref. Kerk in Zuid-Afrika in dezen zich bitter teleurgesteld gevoelden, geloof ik en heb dit wel beseft, en niemand gevoelde zeker daarvan meer smart dan ik zelf; dan, ik kon en mogt om Gods wil niet anders. Ik moest getrouw aan mijne goddelijke roeping, alzoo handelen; maar, ik mag toch ook wel eens vragen: Heeft het dien broeders dan ook niet gesmart, dat ik zoo bitter in mijne goede verwachting, die ik van de Nederd. Geref. Kerk gekoesterd had, teleur­ gesteld werd ? Ik denk men mogt mij daarin ook wel bejammeren en tot zichzelven inkeeren.

W at Dr. H. verder op bladz. 4 zegt aangaande mijn gevoelen over het zingen van gezangen, wier tekst niet in den Bijbel gevonden wordt,, en over de Evangelische Gezangen bij de Nederd. Herv. en Nederd. Geref. Kerk in gebruik, ben ik zoo vrij te beantwoorden met eene verwijzing naar hetgeen ik daarover zelf heb verklaard en in „Elpis” meedegeeld is door Ds. Huet.

In de noot op bladz. 4 lees ik: „Ds. Postma heeft geene academische opleiding genoten, en behoorde tot een ander kerkgenootschap”. Hierop diene: Onze kerk durfde toen niet meer de aankomende leeraren toevertrouwen aan ’s lands academiën, daarom leidden de leeraren zelve op, o f zonden ook wel zulke jongelingen buiten lands waarvan zij een beter vertrouwen koesterden, zoo lang onze kerk zelve geene Theol. School had opgerigt.

(8)

En van die leeraren die nu van onze Theol. School te Kampen komen, zoude men nog kunnen zeggen: zij hebben geene academische opleiding genoten, maar dit zoude men dan even zeer ook kunnen zeggen van de leeraren die aan het „Theologische Seminarium” te Stellenbosch (Kaap­ land) worden opgeleid. Dr. H. verdrage van mij deze opmerking en neme aan eene waarschuwing van mij, die geen academischen titel heb, dat ZWEerw. met zulke aanmerkingen zijn eigen huis de glazen niet insla. Met deze opheldering bedoel ik meer de eer onzer kerk te handhaven, dan die van mij zelven; want Postma kan zich niet beroemen op eenen academischen graad, om reden bovengenoemd, maar heeft slechts het regt achter zijnen naam te schrijven V .D .M . En dit regt heeft hij enkel uit vrije ontferming door de genade Gods; dus geen roem, anders dan in genade. (O Heere, doe mij eiken dag die drie gewigtige letteren wel beseffen en maak mij tot den einde toe getrouw om zoo een te zijn) Dit regt heeft hij evenwel ook op eene behoorlijke kerkelijke manier verkregen.

Opgeleid bij den waarlijk geleerden en vromen academischen man, Ds. de Haan, geëxamineerd in bijzijn van de provinciale vergadering van onze kerk in Friesland in Junij 1840 en toegelaten door de waarlijk geleerde en vrome academische Leeraren, D. de Haan, H. de Cock, Sr., S. van Velzen en A. Brummelkamp (naar ouderdom opgenoemd), en heeft alzoo, na beroepen te zijn, zijne wettige zending in Gods Kerk verkregen.

„En behoorde tot een ander kerkgenootschap.” Gode zij daarvoor dank dat hij niet meer behoorde tot dat Kerkgenootschap (het Nederd. Herv. in Nederland), waarmede de Nederd. Geref. Kerk in de Kaapkolonie immers ook niet meer zoo naauw durft verbonden zijn als vroeger toen zij nog dien vleijenden brief schreef, van welken ik boven melding heb gemaakt.

(9)

Ds. Louw zal zich dit nog wel kunnen herinneren. Worde ik nu ongemerkt W'at scherp, het is toch geheel buiten mijne bedoeling en ik ben het ook niet in mijn hart (God weet het) maar ik word nu geprovo­ ceerd.

Denk, geachte lezer. Ongeveer 11 jaren kon ik zwijgen, door Gods genade, en vergenoegde mij met Dr. H. over zijn schrijven van toen per brief, als onder vier oogen, zooals men w'el zegt, te herinneren, dat hij zich daarin zwaar bezondigde tegen het negende gebod van de wet des Heeren, en Ds. van Heyningen onderhield ik toen op heeter daad in tegenwoordigheid van Ds. Louw, die over onze schouders de letteren van Ds. van Heyningen zag en hoorde wat ik tot hem zeide. En gaarne zoude ik het daar bij gelaten hebben, want ik liever mijnen naatste tot overtuiging en verootmoediging breng, dan hem openlijk te schande stel. Maar nu word ik immers geprovoceerd door Dr. H.

Op bladz. 6, regel 19 van onderen, komt ook voor eene misstelling, misschien is het eene vergissing. Er staat dat de naam onzer kerk, door mij in de Z.A. Republiek gesticht eerst was ,,de Vrije Gereformeerde Kerk”, en daarna „de Gereformeerde kerk” . Ik erken, eer zij nog gesticht was, werd er wel over gesproken, dat ze „de Vrije Gereformeerde Kerk” kon genoemd worden, om ze te onderscheiden bij den Staat van de Staatskerk, maar bij hare stichting werd besloten haar te noemen, „de Gereformeerde Kerk”, blijkens de overgeleverde bekendstelling aan het Gouvernement van dat land en alle andere wettige documenten.

Verder, op blz. 6, spreekt Dr. H. van leeraren uit den Oranje Vrijstaat en Kaapkolonie, die de vergadering te Potchefstroom bijwoonden, daartoe uitgenodigd (dit zijn die leeraren die ik vroeger heb genoemd, namelijk Di. S. Hofmeyer en Louw, wraarbij ook Ds. van Heyningen was), „ook Ds. Postma, doch zonder zijnen kerkeraad, o f instructien van dat ligchaam.” Dit was natuurlijk, dat Ds. Postma geen kerkeraadsleden officieel bij zich had (wel vergezellende) noch instuctien van dat ligchaam, want hij alleen was maar uitgenoodigd door den Uitvoerenden Raad” „om toe te lichten de gewijzigde kerkorde,” en de genoemde leeraren waren door dienzelfden Uitvoerenden Raad uitgenoodigd om die gewij­ zigde kerkorde onzer kerk te examineren o f die al of niet Gereformeerd ware, blijkens hunnen en mijnen brief van uitnoodiging.

Maar durft Ds. Hofmeyer nog melding maken van hunne tegen­ woordigheid bij die vergadering? ZWEerw. noopt mij nu immers hem te herinneren aan de geveinsde houding, van welke ik hun mijn afschuw toen met alle bescheidenheid heb betoond, en van welke houding ik nu nog verklaar een afschuw te hebben, en niet te kunnen begrijpen hoe Bedienaren des Goddelijken Woords zoo geveinsd kunnen handelen. (Och, had mij Dr. H. toch de moeite en het verdriet gespaard dit immer in het openbaar te melden?) Den dag voor die vergadering zegt Ds. van Heyningen toch, „liever eene afscheiding dan Ds. van der Hoff in zijne betrekking te erkennen.”

(10)

Dienzelfden avond werd ik verzocht te komen bij hen, Ds. Hofmeyer, Di. Louw en van Heyningen, in eene kamer ten huize van President Pretorius, die ons zelf nog met alle goedwilligheid diende. In die zamenkomst zocht men mij in eene afspraak mede te slepen, om Ds. van der Hoff niet te erkennen, want zij,—die leeraren,— zeiden, zij konden hem niet erkennen en deswege ook niet voor wettigen Voorzitter in die vergadering, die den anderen dag stond gehouden te worden, eerbiedigen, omdat hunne kerk hem niet wettig beschouwde en hij zich ook met de kerk in de Z.A. Republiek van hunne Synode had afgescheiden.

Men toonde zich meer voor mij, dan voor hem genegen.

Ik echter verklaarde niet met hen in dat geheim verbond te kunnen treden en wenschte morgen te vernemen wat mij, volgens mijnen uit- noodigenden brief te doen stond, gelijk ik dan ook van hen hoopte te zien wat zij zouden doen. En als Ds. van Heyningen wat onbeleefd bij mij aanhield om mij over te halen onder aanlokkende voorstellen onzer zijds, maar niet op mij vermogt (en ik dank daarvoor nog den Heere, die mij behoedde van te deelen in hunnen geheimen raadslag.) zeide Dr. Hofmeyer nog tot Ds. Heyningen: „Laat Postma staan als het zijn geweten bezwaart.” Ik denk Dr. H. heeft bespeurd, dat Ds. van Heyningen onbeleefd werd en is zeker dat oogenblik voor de eerlijk­ heid mijns gemoeds afgeschrikt, dat hun raadslag mij niet verder zoude bekend worden, waarop ik dan ook spoedig hunne zamenkomst verliet en begaf mij tot de eenzaamheid, en hoe ik mij toen gevoelde weet God alleen.

(11)

en waarin hij zijne kerkeraadsleden medesleepte door te vragen ,,niet waar, broeders?” en zij beantwoordden, zeker verrast „Ja, Mijnheer”.

Ik zeide, dat ik mij over die veranderde houding zeer verwonderde, ja verbaasde, en wel merkte met wat menschen ik te doen had. (Het doet mij leed dit te zeggen, maar de zaak vordert het.)

Ik beken, dat ik dikwerf, met het oog op die vergadering, gedacht heb: Op dien dag werden Pontius Pilatus en Herodes vrienden.

Op blz. 7 reg. 3 van boven, is ook weer eene verkeerde voorstelling van den titel onzer gewijzigde kerkorde. ZWEerw. zegt, dat ik ze genoemd heb, „de kerkorde van Dordrecht, gewijzigd naar onze tegenwoordige omstandigheden” . Ik zie echter in dien titel geene misleiding, ware die zoo, gelijk ZWEerw. het wil doen voorkomen, want zij is het, en dus misleid ik niet, maar ik zal hier ter wederlegging overschrijven den titel dien ik in mijne eigen copie vind (copie zeg ik, want het origineel is te Rustenburg):

„Kerkorde voor de Gereformeerde Kerk in de Zuid-Afrikaansche Republiek, zoo veel mogelijk gevolgd naar de Kerkorde der Synode, gehouden te Dordrecht in Nederland in de jaren 1618 en 1619.

„Aangenomen en vastgesteld in onze eerste Algemeene Kerkvergade­ ring van heden, den 10 Februarij, 1859, gehouden te Rustenburg.

En, dat ik dadelijk op da gedachte kwam om de kerkorde alzoo te wijzigen had tot reden:

1. Om niets te doen dan in overeenstemming der broederen en om van stonden aan een gemeenschappelijken regel van onze kerkelijke verrigtingen te hebben.

2. Ook om aan de Hooge Overheid des lands eene copie daarvan bij onze bekenstelling te kunnen overleggen. Dit vorderde, dacht ik, de zaak, zooals wij ook gewoon waren in ons land (Nederl.) bij de bekend- stelling van de gestichte gemeente aan den Koning ook een copie over te leggen van ons Huishoudelijk Reglement, zooals men dat daar noemt.

W at Dr. H. verder van die gewijzigde kerkorde zegt, ook nog wel als zijn rapport, heb ik toen gezegd en zeg het nog, is geheel tegen de waarheid en lasterlijk. (Maar toen was zijn blaadje al omgekeerd, zooals ik boven zeide.)

W at aangaat de 4 gronden welke gemeld worden, blz. 7 en 8, waarop ons de hereeniging werd aangeboden, zijn wel later aan ons voorgelegd, en wij hebben onze bezwaren destaangaande bij eene latere vergadering hunner zijds bekend gesteld. Maar van „het plan dat op den Zaturdag aan de vergadering is voorgelegd”, waarmede ik zoude ingestemd hebben, gemeld blz. 8, is mij niets bekend, althans niet van die „instemming” , als namelijk voor dat plan gehouden moet worden de 4 gronden boven­ gemelde, vaarop ons later de hereeniging werd aangeboden.

De Nederd. Herv. Kerk van de Z.A. Republiek heeft zich aan dat besluit ook niet gehouden. Voorbeeld hiervan Ds. van Warmelo, die zonder legitimatie van de Kaapsche Synode door haar is gehuldigd.

(12)

Dat mijn „lastbrief niet verder reikte dan tot de Z.A. Republiek,” bl. 9, wederspreekt de lastbrief zelf; men zie denzelven maar oplettend in.

Aangaande het schrijven van Prof. Hofmeijer en J. Murray nog eens bijgebragt, bl. 9 en 10, verwijs ik wederom naar mijn gegeven „Open Antwoord” verschenen in de Kerkbode bovengenoemd: en hoe Dr. H. mijn schrijven ook kleurt, ik denk elk verstandige, opregte oordeelende, kan beslissen.

Op hetgeen blz. 10, met verwijzing naar Bijlagen D. (ik denk het moet zijn Bijl. C., want Bijl. D vind ik niet, maar wel het genoemde onder Bijl. C), meld ik alleen dat genoemde Heer P. J. Viljoen en A. J. H. Steene- kamp al sedert ettelijke jaren leden onzer kerk zijn, Steenekamp te Middelburg, nog ten tijde van Ds. W . Murray, althans reeds voor Ds. Morgan, en P. J. Viljoen is, na eenige voorbereiding, bij ons volgens Art. 8 der Dordsche Kerkorde aangesteld tot Herder en Leeraar, namelijk te Colesberg. Ik wil alleen hiermede zeggen, dat die broeders naderhand schijnen overtuigd te zijn en van tegenstanders omgekeerd zijn tot voor­ standers.

Dat onze kerk in Nederland meer bekommerd was de afscheiding in de Kaapkolonie goed te keuren, dan in de Z.A. Republiek, wat ten gevolge, grootendeels van eeene verkeerde voorstelling der zaak van buiten, waarvan Dr. H. misschien beter kennis draagt, dan ik zelf. En dat ik eens Zendeling en niet Afgevaardigde genoemd Werd, hetvelk mij, noch onze Synode behaagde, word in de op bl. 10 genoemde Bijl. door onze Synode bepaald gemeld, waarom zulks niet behaagt.

Bl. 11. Brieven van Di. Beijer en Postma, noot, „wij hebben gèene gelegenheid gehad om deze brieven in te zien” .

Ter informatie dan zij opgemerkt, dat de brief van Ds. Beijer zeker moet zijn de beleefde kennisgeving aan de Synode der Nederd. Geref. Kerk in de Kaapkolonie van ons bestaan als Gereformeerde Kerk in Zuid- Afrika” , althans dit was hem als Scriba opgedragen toen. En mijn schrijven aan Dr. A. Faure, Actuarius Synodi, heb ik hiervoor ter inzage gesteld. Nu kan het gezien worden. Waarom echter de Synode der Nederd. Geref. Kerk besloot om ons niet bij onzen wettigen titel te noemen, laten wij gaarne haarzelve verantwoordem. W ij echter achten zulks kleingeestigheid. Er bestaat in Nederland een antecedent van een dergelijk geval, maar later, toen die twee kerken over hereeniging begonnen te handelen, welke vereeniging ook getroffen is, noemde men elkander toch wederzijds bij den titel, waarmede men publiek bekend stond. Toen was zeker de bitterheid van de groote partij gekoeld, de trots wat gedaald en betere bezinning had de plaats ingenomen, liefde volbragt het werk. Misschien wordt het hier ook nog eens zoo.

Mogt God het geven in eenigheid des waren geloofs.

Op blz. 11 schijnt Dr. H. onze titel vreemd. ZWEerw. zegt niet waarom die hemt vreemd voorkom t; misschien omdat wij nog maar eene

(13)

kleine partij uitmaken (te oordeelen uit het volgende op die bladz.), maar mag men om de kleinheid dan niet den waren naam hebben?

Bl. 11 onderaan, eene opmerking over onze leeraren en dat bij ons „de kennis der oude talen niet altijd een vereischte is”. Hierop diene eenvoudig, dat wij hierin volgen Art. 8 der Dordsche Kerkorde van 1618 en 1619, omdat wij van harte daarmee instemmen. W ij gelooven, dat de kerk, zoo veel in haar vermogen is, moet zorgen voor eene bekwame school ter opleiding van aankomende leeraren, en dat zij ook aan die school kan en mag voorschrijven welke wetenschappen daar moeten onderwezen worden, maar wij hebben niet de vrijmoedigheid om God zelven aan zulk een school te verbinden. En dit zouden wij doen, indien wij besloten, dat de gemeenten daarbuiten niet mogten beroepen.

Neen onze gemeenten zijn in de beroeping geheel vrij, al verkiezen zij ook eenen broeder uit hun midden, maar hij moet eerst beproefd worden door de van de Kerk geautoriseerde curatoren der school, aan wie het examineren is opgedragen. Dit meenen wij is de Bijbelsche weg. Anders, ik voor mij geloof, dat niemand vuriger kan gestemd zijn voor eene wetenschappelijke opleiding, als het beste middel, dan wij, en tot mijne blijdschap bespeur ik ook dit van de drie laatste aangestelde leeraren, die maar weinig wetenschappelijke kennis hebben verkregen. Zij branden van ijver voor die zaak.

W ij verlangen van harte bekwame, getrouw en vrome leeraren; maar wij wenschen ook een plaatsken voor Gods vrije werking open te laten, zoo eens met eerbied gesproken, tot beschaming van hen die ons daarom zouden willen lasteren.

Bladz. 12, regel 16 van boven, „hieronder moet men tellen vele kinderen van 12 jaren.” dat vele kinderen van 12 jaren is ook weer eene onwaarheid. Zoo ver mij bekend is, zullen dat maar enkelen, zeer enkelen zijn in de geheele kerk. Maar dit zij elk bekend, dat wij geen jarental voor het doen der belijdenis durven bepalen, omdat wij daarvoor geene vrijheid in Gods Woord vinden en oordeelen, dat over kennis en zeden de ouderlingen met den Leeraar moeten oordeelen, daarvoor zijn zij Opzieners.

Verder op die blz., „doorgaans met zeer geringe kennis.” Dit stem­ men wij toe, wij die dat in Nederland wat anders gewoon waren, want ook dat kunnen wij in den regel hier te lande niet vorderen wat wij daar met alle billijkheid eischen omdat de gelegendheid van het onderwijs zoo magtig veel verschilt; maar houdt Dr. H. eene vergelijking van onze mate van kennis die wij vorderen met die van hunne kerk in die streken des lands, waar ik bekend ben, dan zoude het er wel op uit kunnen loopen, dat zijne schaal het ligtst bevonden word. W ij wijzen ook nog al eens tot 2 a 3 malen terug, al loopt de persoon al in de 20 jaren. Armoede nemen wij zelfs niet aan als excuus voor weinig kennis, want wij oordeelen, dat elk die lezen kan, zichzelven veel kan oefen,en en dat vorderen wij.

(14)

Alleen bij bevinding van zwakke geestvermogens zijn wij toegevend, maar dan nog vorderen wij ook nog wat langer leeren.

Dat onze Synode besloten heeft de ouders ernstig te vermanen, „dat zij hunne kinderen toch opwekken om in het trouwen toe te zien naar ware godzaligheid en vroomheid, in eenigheid des geloofs, met in acht neming van 2 Cor. vi: 14’ zal geen Christen ons kwalijk nemen.

Op blz. 13 deelt Dr. H. mede, zijne opvatting van Art. 96 onzer Synode, en legt dat zoo uit, dat de Synode „de bediening van het Evangelie aan de natiën en godsdienstig onderwijs aan de huisbedienden ,nu nog ongeschikt, ja onmogelijk vindt.”

Dit is toch een grof misverstand, of eene stoute misduiding. Tegen- over die misduiding beroep ik mij op ons gegeven antwoord op de vraag in Art. 105 onzer Synode, door onze Algemeeene Vergadering te Phillips- town, den 16 den Mei, 1870 verschenen in onzen Almanak, reeds vroeger door mij genoemd. Neen, door „gelijkstelling” bedoelde de Synode daar het door malkander zitten in de kerk. Dat acht ze nu nog ongeschikt. En ten blijke van dezen zin deel ik hier gaarne mede wat ik in der tijd aan eenen ouderling onzer kerk, die niet ter Synode was geweest, schreef, door hem gevraagd om mijne opinie over dat Art. 96, op dat punt. Ik schreef dan letterlijk dit: „ . . . Ik denk dat de meening dier woorden is, dat alleen de toestand van een volk reden kan zijn voor eene afzonderlijke bediening.

„Is dus genadiglijk eens die toestand zoo veel verbeterd en het verstand zoo ver ontwikkeld dat het gelijkelijk kan toegesproken worden, dan heeft de reden voor eene afzonderlijke bediening opgehouden te bestaan.

„En ik denk, dat een christen wel mag bidden om die bevordering en volmaking der geloovigen, ook uit de geringere natien, opdat de volko­ menheid van Gods koningrijk moge toekomen, waarin God alles zal zijn in allen.

„Zie hierbij na Eph. 2 en 3 alsmede van onze Catechismus Zondag 21 en 48.”

Ik denk deze verklaring zal nu wel alle donkerheid ophelderen, zoo die al voor sommigen daarin nog gelegen ware.

Het is geen „meesterstuk van mystificatie,” daartoe zijn wij immers te weinig wetenschappelijk, en— Gode zij dank,— daarvan heeft ons hart een af keer. W ij hebben verworpen de bedekselen der schande en wandelen niet in arglistigheid, maar betrachten de waarheid in liefde.

Drukken wij ons soms niet duidelijk genoeg uit, dit gebrek houde men ons, zwak in de wetenschappen, ten goede, wij meenen het opregt.

(15)

De reden waarom de Synode „voor het tegenwoordige” nog geen gebruik wilde maken van het vriendelijk aanbod van de broeders uit Noord-Amerika, is eene geheel andere dan Dr. H. die aangeeft. Z. H. Gel. vergist zich deerlijk. De Synode had voor dat besluit meer dan eene reden, maar onder die redenen wras die niet, die Dr. H. noemt. Deze gissing is eene zuivere vergissing.

De beoordeeling door Dr. H. over de manier en tijd van het opstellen van Bijlagen onzer Synode, No. 3 en 4, door hem gegeven op blz. 14 en 15, is nog al curieus. Maar zou men den Eerwaarden Doctor niet moeten raden: „Zijt toch niet als een die zich met eens anders doen bemoeit?” Laat dat de Commissie voor zichzelve verantwoorden hoe zij hare werk­ zaamheid verrigt heeft; zij is althans aan Dr. H. hierover geene rekenschap schuldig.

En de stukken spreken voor zichzelve; die kunnen en mogen ook door elk beoordeeld worden, dus ook door Dr. H., maar ik onthoud mij nu van repliek. Gelijk ik vroeger heb gezegd, misschien vindt onze e.k. Synode zich genoopt, als de daartoe bestemde Commissie der Nederd. Geref. Synode hare opmerkingen zal hebben openbaar gemaakt.

En waarom onze Synode ongenegen is de reiskosten, voor mijne reis herwaarts verstrekt, bij wijze van restitutie terug te geven; daarvoor geeft zij hare redenen op.

En is het nu noodig geworden, dat ik het eens betuig, dat ik mij in dezen niet heb bevoorregt, men moge dan weten dat ik het gansche jaar mijner deputatie geenen penning voor mijne dienst heb willen genieten en de reiskosten heb ik soo sober overlegd, dat ik van de p.m. £80 sterling slechts p.m. £30 sterling in rekening bragt, van uit Nederland tot Rusten­ burg, over de rest p.nm. £50 sterling, liet ik de Syodale Commissie onzer kerk in Nederland beschikken, waarvan ik dan ook niets heb geprofiteerd; en wat ik in de Z.A. Republiek en vooral te Rstenburg heb bijgedragen ter hulpe van kerk en pastorie, weten de lieden van dat land en die plaats. En dat ik overigens met vreeze en bevinding de toekomst te gemoet ging, mag elk gelooven van mij, die in mijne jeugd had leeren kennen wat vervolging van de godsdienst is en in dat land niets beters wachtte, want ik had den leeuw uit zijne klaauwen al opgemerkt. Dan, ik gevoelde mij van God geroepen, ik hield mijn leven niet dierbaar voor mij zelven.

Dit is de eerste maal, dat ik hiervan publiek melding maak, maar het is des noods, gelijk ook Paulus tot zijne zelfverdediging wel eens iets dergelijks heeft moeten doen. Ik heb dus niet het hunne gezocht, noch begeerd.

Dat „Postma zelf, op zijne doorreis door de Kaapkolonie en Natal vrijwillig de toga heeft gedragen”, en er nu tegen getuigt, schijnt, Dr. H. ook niet te kunnen rijmen, blz. 15; maar hiervan kan Postma zelf ook de beste verklaring geven.

Er was een tijd, dat ik die dingen heilig achtte, namelijk toen ik een kind was.

(16)

Toen ik ze, man geworden, al niet meer heilig hield, schenen zij mij toch eene fraai je versiering voor zulk een deftig ambt. (Men lijkt in zulk een gewaad dan toch wat, al beduidt men anders niet zoo veel.) En de toga scheen mij dan nog wat meer achtbaar dan mantel en bef. Maar later verviel bij mij ook, door genade, die fraaiheid, en werd ik meer onver­ schillig, ja soms liet ik na iets van dien aard om te hangen als ik ging Gods Woord te verkondigen, of ook om de Heilige Bondteekenen te bedienen; zelfs in Nederland eenen geruimen tijd, toen in het jaar 1846 en vervolgens een strijd in onze kerk ontstond over deze dingen. Ja, wat meer zegt in 1846 betuigde ik als Voorzitter in een drievoudige Provinciale Vergadering en in dat zelfde jaar nog als Voorzitter onzer Synode, dat ik ook toen geen mantel en bef gebruikte om eene openbare tegengetuigenis af te leggen tegenover de geenen die er zoo sterk voor ijverden.

Later droeg ik dat weer, maar als onverschillige dingen, zoo als men dan w'el zegt als adiaphora, gelijk ook nog bij mijne komst in Zuid-Afrika en schikte mij met die gedachte naar het gebruik van eiken leeraar voor wien ik de dienst vervulde, die dat dan ook liefst had, dat ik deed gelijk hij, om zijner gemeente wil, zoals die broeder dan zeide.

Maar als men mij in onze gemeenten zeer ernstig begon te vragen: W at eigenlijk het heilige ambtsgewaad ware, toga of mantel en bef? heb ik altoos geantwoord, gelijk ik in Nederland zelfs de kinderen in de Catechisatie had onderwezen, dat deze dingen niets zijn. En met het oog op Hiskia die de koperen slang verbrak, als hij zag, dat het volk die goddelijke eer toekende, dus meer vereerde dan een gedenkwaardig stuk der oudheid, en als een bewijs van vroegere genade, achtte ik mij ten duurste geroepen ook met der daad te betoonen, dat deze dingen, toga, mantel en bef o f ook iets diergelijks, hetzij dan veel of weinig, niets zijn, en kon dus niet beter doen, dan ze af te laten. Dit behaagde velen in onze gemeenten hier te lande n iet; en zelfs een predikant van de Nederd. Herv. Kerk heeft onze menschen al eens willen wijs maken, dat het een bewijs is, dat ik geen u'ettige leeraar (predikant, zooals men dan zegt) was. Ik heb dit verdragen, omdat ik had gemerkt, dat ook onze kerk aan dat dadelijk onderwijs behoefte had, en werd dat later na de aflegging nog beter gewaar.

En nu schaam ik mij over mijne vroegere kinderachtige zotheid, en wensch wel, dat alle ware dienaren Gods aan die beuzelachtigheid mogen ontdekt, en daarvan bekeerd worden. Dr. H. moge nu weten, dat ik niet tegen de toga getuig, om „dat die niet in den smaak valt der afgescheidenen.” bl. 15 Ik heb dat niet geschreven om te behagen, maar om te ontdekken en te bekeeren.

(17)

immers hem onbekende feiten worden door Z V Eervv. beoordeeld, dikwerf slechts op een vermoeden, gelijk door mij nu is aangetoond. En hoe scheef is dan somtijds zijne beoordeeling!

W at betreft zijne repetitie van hetgeen hij verhaalt te Potchefstroom gesproken te hebben, voorkomende bl. 15, 16, 17, 18 en 19, ga ik zonder aanmerking voorbij, anders zoude ik te veel in herhaling vervallen en worden ongemerkt in dat opzigt te veel gelijk aan Dr. H. zelven in dit zijn boekje, die mij nu en dan al eens genoodszaak heeft dit nolens eenigzins te worden.

De aandachtige lezer vergunnen mij nog eene teregtwijzing en dan kom ik tot het besluit.

Ik zie men noemt ons zoo gaarne „de Afgescheidene Kerk” . W ij belijden openlijk, dat wij ons hebben afgescheiden, zoowel in Nederland als hier, maar onze titel, bij het Gouvernement bekend gesteld en ook zoo gerespecteerd is: De Gereformeerde Kerk in Zuid-Afrika.

Ik bid God, dat wij ons dezen titel waardig gedragen en raad elk in officieele zaken dien titel in acht te nemen.

De titel van onze kerk in Nederland is sedert hare Synode van 1859: De Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland. Men neme ook hiervan notitie.

Nu kom ik tot besluit met het oog op het slot van Dr. H., b.l 19. Bij dat slot paar ik mijne bede, en tevens den raad, wanneer Dr. H. dit waarlijk wenscht en wil hopen, dan moet hij ophouden op zulken toon te schrijven gelijk hij nu weer gedaan heeft.

De God van alle genade vergeve ons rijkelijk en behoede ons voor alle ergerlijkheden.

w .g . D. P o s t m a , V.D.M .

INGEKOM E BOEKE.

Die Redaksie het die volgende boeke vir resensie ontvang. Die Redaksie behou die reg voor om daarop terug te kom of nie.

Van die Uitgewery J. H. Kok, N . V., Kampen.

P. J. d u PLESSis,Tefezos. The Idea o f Perfection in the New Testament, D iss. V .U ., 1959. 255p.

G. E. M e u l e m a n ,Maurice Blondel en de Apologetiek, Inaugurele Rede V .U . 1959, 34 blz.

J . v a n d e n B e r g ,Het christelijk leven naar de opvatting van John Wesley,

Openbare les V .U ., 1959. 28 blz. J. M. S p ie r , Van Thales tot Satre, 1959 218 b lz .

Okke Jager, Zegen u zelf. Tien radiopreke, 1959. 130 blz. D. N. HABERMEHL.Ons dagelijks werk, 1 9 5 9 . 191 blz. G. T h . R o t h u i z e n ,Allemaal Zondagen, 1959, 190 blz. Y. F e e n s t r a , Qeboren uit de M aagd, 1959, 78 b lz .

References

Related documents

Although the proposed model provides the basic information required for evi- dence-based decision making, improvements can still be made, particularly in regard to the provision of

CTGF: Connective tissue growth factor; DMEM-LG: Dulbecco ’ s modified Eagle ’ s medium with low glucose; ECM: Extracellular matrix; EGF: Epidermal growth factor; IDD:

Univariate associations between putative explanatory variables (individual and household characteristics, route perceptions and psycho- logical measures towards car use) and walking

T his paper introduces the pgrw-open set in a topological space and studies some of its properties. Also in this paper we introduce pgrw-interior, pgrw-neighbourhood, pgrw-limit

Therefore, the specific goal of this study is to find out student writers’ views on various aspects of the procedure for enabling students to write English articles for possible

Therefore, we conducted a systematic review and meta-analysis of studies comparing endoscopic versus percutaneous biliary drainage in malignant obstructive jaundice, to

The present study enjoying the theoretical framework presented by Davies for translating CSIs, was an attempt to compare Persian and English translation of

Length of labor (first and second stage); Mode of delivery; Apgar score at 5th minute; Analgesia; Maternal satisfaction.. Others (episiotomy, pain, well-being of the fetus, Apgar