Het verband tussen cultuuronafhankelijke intelligentie en schizotypische kenmerken bij scholieren van 8 t/m 16 jaar

Full text

(1)

Het verband tussen cultuuronafhankelijke

intelligentie en schizotypische kenmerken bij

scholieren van 8 tot en met 16 jaar.

Faculteit der sociale wetenschappen, afdeling Orthopedagogiek

Naam: Valeria Papavoine Studentnummer: 1214950

Begeleider: T. Ziermans (eerste begeleider) & M. Brandenburg (tweede begeleider) Studiejaar: 2014-2015

(2)

1 Inhoudsopgave

Abstract_____________________________________________________________________ 2

Inleiding_____________________________________________________________________ 3

Toelichting van de Gebruikte Variabelen___________________________________ 3

Theoretisch Kader______________________________________________________ 4

Maatschappelijk en Wetenschappelijk Belang_______________________________ 5

Huidig Onderzoek______________________________________________________ 6

Methode_____________________________________________________________________ 7

Onderzoeksopzet________________________________________________________ 7

Meetinstrumenten______________________________________________________ 7

Statistische Analyse_____________________________________________________ 8

Resultaten___________________________________________________________________10

Beschrijvende Statistiek_________________________________________________10

Normaliteit___________________________________________________________ 11

Analyses______________________________________________________________12

Discussie____________________________________________________________________ 14

Conclusies____________________________________________________________ 14

Reflectie op het Onderzoek______________________________________________ 16

(3)

2 Abstract

In dit onderzoek wordt het cultuuronafhankelijke verband getest tussen intelligentie en schizotypische kenmerken met leeftijd als mogelijk interactie-effect. Ondanks onenigheid over dit verband, blijkt uit vorig onderzoek dat vooral lage intelligentie een verband heeft met het hebben van schizotypische kenmerken (Cochrane, Petch, & Pickerin, 2012; Tsakanikos & Claridge, 2005). Dit zijn echter onderzoeken die mogelijk een culturele bias bevatten. Het huidige onderzoek probeert deze bias te vermijden. Leeftijd is daarnaast meegenomen in het onderzoek omdat deze, mogelijk door de werking van het werkgeheugen, invloed kan hebben op dit verband (Ziermans, 2013).

Dit onderzoek onderzocht 80 kinderen tussen de 8 en 16 jaar. De instrumenten die hiervoor zijn gebruikt zijn de Cattell culture fair intelligence test (CFT-R-20) en de Schizotypal personality questionnaire (SPQ-K-R). De gegevens zijn vervolgens geanalyseerd door middel van enkelvoudige en multipele regressies.

Uit analyse blijkt dat schizotypische kenmerken een positief verband hebben met intelligentie (β = 0.008, t(1) = 0.07, p = 0.94). Dit gold ook voor de positieve scores (b*positief = 0.27, t(3) = 0.63, p = 0.53). De negatieve en desorganisatie scores hadden echter een negatief verband (b*negatief =

-0.02, t(3) = -0.07, p = 0.95), (b*desorganisatie = -0.38, t(3) = -0.90, p = 0.37). De factor leeftijd voegde enigszins meer verklaarde variantie toe in het model (R² = 0.008, F(1,76) = 0.20, p = 0.90). Alle resultaten zijn echter niet significant.

(4)

3 Inleiding

Men meet intelligentie vaak door middel van een intelligentietest waar vervolgens een intelligentie quotiënt (IQ) uitkomt. Maar hoe definieert men intelligentie? En wat zegt een intelligentie test over iemands intelligentie? Tijdens het maken van een intelligentie test kunnen er allerlei andere factoren meespelen, waaronder iemands cultuur (Cattell, Feingold, & Sarason, 1941). Dit kan vervolgens zorgen voor een culturele bias, waardoor onderzoek met een cultuuronafhankelijke intelligentietest noodzakelijk is (Tsakanikos & Claridge, 2005). Om deze reden tracht dit onderzoek door middel van een cultuuronafhankelijke intelligentietest een betere indicatie te kunnen geven van iemands intelligentie en het eventuele verband met schizotypische kenmerken. Dit naar aanleiding van onenigheid in resultaten van vorige onderzoeken over dit verband (Matheson & Langdon, 2008; Rain, 2006). Dit onderzoek is uitgevoerd bij reguliere basisschoolkinderen en middelbare school kinderen en neemt daardoor ook de leeftijd in de analyse mee.

Allereerst wordt er ingegaan op de gebruikte variabelen (intelligentie, schizofrenie en schizotypische kenmerken). Theorieën over schizofrenie worden in dit onderzoek gebruikt als achtergrondinformatie voor het verband tussen schizotypische kenmerken en intelligentie. Na de variabelen te hebben verklaard zal er dieper worden uitgelicht waarom schizofrenie mee wordt genomen in dit onderzoek. Vervolgens volgt er een theoretisch kader over het verband van intelligentie met schizofrenie, schizotypische kenmerken en met de verschillende symptomen van schizotypische kenmerken. Daarna volgt er een verantwoording over de opzet van dit onderzoek betreffende de cultuuronafhankelijke intelligentie test, de normale populatie en leeftijd als interactie. Als laatste wordt de vorming van de onderzoeksvraag en diens deelvragen in het huidig onderzoek besproken.

Toelichting van de Gebruikte Variabelen

Achtergrondinformatie van intelligentie. Geelhoed en Struiksma (2002) schrijven in

navolging van Wechsler (1974) dat intelligentie valt te omschrijven als “de capaciteit om de wereld om je heen te begrijpen en te handhaven” (p.356). Cattell (1971) maakte een onderscheid tussen vloeibare en gekristalliseerde intelligentie. Bij vloeibare intelligentie gaat het vooral om intelligentie die vastligt, ofwel een algemeen vermogen (Cattell, 1971). Gekristalliseerde intelligentie heeft betrekking op cognitieve vaardigheden (Cattell, 1971). Gekristalliseerde intelligentie kan verkregen worden door te leren. Dit is bij vloeibare intelligentie niet mogelijk (Cattell, 1971). Dit onderzoek richt zich op het verband tussen deze vloeibare intelligentie en schizotypische kenmerken.

Achtergrondinformatie van schizofrenie. Schizofrenie is een pervasieve stoornis (Wenar &

(5)

4 negatieve symptomen (gebrek aan socialiteit, plezier, energie enzovoort) en desorganisatie symptomen (verwarde spraak, bizar gedrag en het gebrek aan aandacht geven aan iets) (Wenar & Kerig, 2011).

Achtergrondinformatie van schizotypische kenmerken. Schizotypische kenmerken hebben

meer te maken met innerlijke ervaringen en gedragingen die afwijken van de verwachtingen van iemands cultuur (Wenar & Kerig, 2011). Schizotypische kenmerken bestaan uit de volgende symptomen: cognitieve, perceptuele, sociale, interpersonale en gedrag disfunctie (Rain et al., 1994). Schizotypische kenmerken zijn ook onderverdeeld in de clusters positieve symptomen, negatieve symptomen en desorganisatie. (Wenar & Kerig, 2011).

Verschillen en overeenkomsten tussen schizofrenie en schizotypische kenmerken.

Ondanks dat schizotypische kenmerken en schizofrene niet tot dezelfde stoornissen behoren, zijn zowel schizofrenie als schizotypische kenmerken beiden onderverdeeld in dezelfde drie clusters (positieve symptomen, negatieve symptomen en desorganisatie). Dit zou verklaard kunnen worden, omdat er een genetische verwantschap is gedetecteerd tussen schizofrenie en schizotypische kenmerken (Gunderson, Siever, & Spaulding, 1983; Kendler, Gruenberg, & Straus, 1981; Kety, 1983) Het verband tussen schizofrenie en intelligentie geeft om deze reden achtergrondinformatie voor het onderzoeken van het verband tussen schizotypische kenmerken en intelligentie. Deze informatie is nodig, omdat er relatief weinig bekend is over het verband tussen schizotypische kenmerken en intelligentie. Er moet echter voorzichtig worden omgegaan met het betrekken van schizofrenie in dit onderzoek. Schizofrenie en schizotypische kenmerken blijven op zichzelf staande concepten. In het theoretisch kader zal verder worden ingegaan op theorieën over intelligentie en schizofrenie gevolgd door intelligentie en schizotypische kenmerken.

Theoretisch Kader

Eerder onderzoek naar intelligentie en schizofrenie. Uit onderzoek van Woodberry et al.

(2010) blijkt dat een laag verbaal IQ zorgt voor een groter risico op het ontwikkelen van psychoses (Woodberry et al., 2010). Dit valt te verklaren, omdat het hebben van een laag IQ kan zorgen voor een algemeen niveau van laag cognitief functioneren (Woodberry et al., 2010). Het hebben van een hogere intelligentie zou als buffer dienen voor het ontwikkelen van dergelijke symptomen (Khandaker, Barnett, White, & Jones, 2011). De studie van David (1999) concludeert echter dat ook hoger dan gemiddelde intelligente mensen schizofrenie kunnen ontwikkelen. Dit valt te verklaren volgens een studie van Vaskinn et al. (2015). Het abnormaal functioneren van het brein bij mensen met schizofrenie was onderling gelijk aan elkaar ongeacht hun intellectueel niveau (Vaskinn et al., 2015). Volgens onderzoek van Vaskinn et al. (2014) staat neurocognitieve aftakeling los van iemands intelligentie en kan er moeilijk geconcludeerd worden welke vorm van intelligentie het meest verband houd met schizofrenie. Hieruit blijkt dat resultaten uit vorig onderzoek zijn verdeeld.

Eerder onderzoek naar intelligentie en schizotypische kenmerken. Echter zijn er ook

(6)

5 met name de verbale intelligentie (Cochrane, Petch, & Pickerin, 2012; Matheson & Langdon, 2008; Noguchi, Hori, & Kunugi, 2008; Tsakanikos & Claridge, 2005). Dit kan worden verklaard door disruptie in cognitief functioneren bij mensen met schizotypische kenmerken (Cochrane et al., 2012). Uit het onderzoek van Kim, Oh, Hong, en Choi (2011) is gebleken dat een slechte prestatie op de Wisconsin Card Sorting Test te verklaren was door een lager IQ bij studenten met schizotypische kenmerken. Volgens een onderzoek van Rain (2006) blijft generale intelligentie echter intact bij het hebben van schizotypische kenmerken.

Eerder onderzoek naar intelligentie en de verschillende symptomen van schizofrenie en

schizotypische kenmerken. Om het verband tussen intelligentie en schizotypische kenmerken beter te

bekijken wordt er in dit onderzoek ook gekeken naar de verschillende verbanden met intelligentie binnen de drie clusters van schizotypische kenmerken (positieve symptomen, negatieve symptomen en desorganisatie). Deze drie clusters verklaren schizotypische kenmerken en vormen individuele verschillen (Rain et al., 1994). Een studie van Matheson en Langdon (2008) vond alleen een verband met lage generale intelligentie bij positieve symptomen van schizotypie en niet bij negatieve symptomen. Uit een ander onderzoek bleek echter dat er een verband was tussen lage intelligentie bij zowel een hoog niveau van positieve als negatieve symptomen (Barrantes- Vidal et al., 2002). Dit duidt op verschillen van associaties binnen schizotypische kenmerken.

Maatschappelijk en Wetenschappelijk Belang

Het belang van een cultuuronafhankelijke intelligentietest in dit onderzoek. Uit bovenstaande

blijkt dat er geen eenduidig antwoord gegeven kan worden op de vraag of er verbanden zijn tussen intelligentie en schizofrenie of intelligentie en schizotypische kenmerken en wat voor verband dat is. Daarnaast zijn theorieën over het verband tussen schizotypische kenmerken en intelligentie voornamelijk gebaseerd op verbale intelligentie, zoals bijvoorbeeld het onderzoek van Tsakanikos en Claridge (2005), wat een eventuele culture bias tot gevolg kan hebben. Tsakanikos en Claridge (2005) gaven zelfs het dringende advies om onderzoek te verrichten naar vloeibare intelligentie en hierbij een cultuuronafhankelijke test te gebruiken. Later trachten Kiang en Kutas (2006) hier al aan te voldoen, maar de categorische fluency test die zij in hun onderzoek gebruiken bevat verbale componenten zoals het opnoemen van zoveel mogelijk fruit en voertuigen in een minuut. Ook het onderzoek van Vaskinn et al. (2015) en Cochrane et al. (2012) hebben zo’n verbale fluency test gebruikt in hun onderzoek. Kortom, in deze onderzoeken is mogelijk nog een culturele bias aanwezig.

Het belang van het testen in een normale populatie in dit onderzoek. Het is niet alleen

(7)

6 Kenis, & Rutten, 2010). De invloed van risicofactoren vanuit deze omgeving kunnen in de kindertijd bijdragen aan negatieve en positieve ervaringen van psychoses (van Os, Hanssen, de Graaf, & Vollebergh, 2002). In dit onderzoek is er niet met een klinische populatie gewerkt. Hierdoor, kan weinig worden geconcludeerd over de stoornis zelf. Wel kan er een verband worden vastgesteld tussen cultuuronafhankelijke intelligentie en schizotypische kenmerken.

Leeftijd als interactie-effect. Veel van de bovenstaande literatuur is gebaseerd op onderzoek naar

volwassenen. Dit onderzoek kijkt echter naar het eventuele verband tussen intelligentie en schizotypische kenmerken bij kinderen van 8 tot en met 16 jaar. Het is namelijk belangrijk om schizotypische kenmerken te meten in de kindertijd en adolescentie, zodat men zich kan focussen op de ontwikkeling en processen in de hersenen welke kunnen duiden op een risico voor het ontwikkelen van dit soort stoornissen in de volwassenheid (Walker & Bollini, 2002).

Leeftijd wordt vervolgens als interactie-effect bij het onderzoek betrokken, omdat deze invloed kan hebben op schizotypische kenmerken en mogelijk ook op het verband met intelligentie. Dit kan verklaard worden omdat er binnen leeftijden verschillen zijn in symptomen (Wenar & Kerig, 2011). Hierdoor kan er mogelijk ook verschil in verbanden optreden. De verschillen binnen leeftijden valt te verklaren door de cognitieve capaciteiten die meespelen, met name het werkgeheugen (Ziermans, 2013). Het werkgeheugen is het soort geheugen dat de capaciteit geeft meerdere aspecten van een probleem tegelijkertijd in gedachte te houden (Rathus, 2011). Ziermans (2013) heeft onderzocht dat een gebrek in het werkgeheugen vaak voorkomt bij mensen met schizofrenie en mensen die een hoog risico hebben op psychoses. De invloed van het werkgeheugen op het hebben van een risico op psychoses was dus leeftijd afhankelijk. Dit onderzoek kan echter alleen spreken over een verschil in effect en niet over een bepaalde invloed, omdat dit geen experimenteel onderzoek is.

Huidig Onderzoek

Omdat het belangrijk kan zijn het verband tussen intelligentie en schizotypische kenmerken te meten met een cultuuronafhankelijke intelligentie test wordt er in dit onderzoek de volgende hoofdvraag gesteld: “In hoeverre is er sprake van een verband tussen cultuuronafhankelijke intelligentie en schizotypische kenmerken en wat is het effect van leeftijd?”

Naar aanleiding van de hoofdvraag zijn er vier deelvragen opgesteld: (1) In hoeverre is er sprake van een verband tussen negatieve symptomen van schizotypische kenmerken en cultuuronafhankelijke intelligentie?; (2) In hoeverre is er sprake van verband tussen positieve symptomen van schizotypische kenmerken en cultuuronafhankelijke intelligentie?; (3) In hoeverre is er sprake van verband tussen desorganisatie en cultuuronafhankelijke intelligentie?; (4) Maakt de leeftijd van de reguliere scholieren verschil in het verband tussen schizotypische kenmerken en cultuuronafhankelijke intelligentie?

(8)

7 verwachting is gebaseerd op de zojuist besproken literatuur over dit onderwerp. De literatuur geeft verschillende uitkomsten, maar er wijzen meer onderzoeken naar het verband tussen lage intelligentie en schizotypische kenmerken. Dit onderzoek kan echter geen richting aangeven in het verband en geen causaliteit verklaren, omdat dit geen experimenteel onderzoek is. Het onderzoek kan alleen het verband bekijken en bekijken hoe sterk dat verband eventueel is.

In dit onderzoek kan ook blijken dat er geen significant verband gevonden kan worden. Dit gaat tegen de verwachting van het onderzoek in. In dit geval zal er gekeken moeten worden naar alternatieve verklaringen.

Methode

Onderzoeksopzet

Dit onderzoek is een cross-sectioneel onderzoek. In dit onderzoek wordt naar het verband gekeken tussen cultuuronafhankelijke intelligentie en schizotypische kenmerken met leeftijd als interactie-effect.

Proefpersonen. De proefpersonen bestaan uit kinderen met de leeftijd van 8 tot en met 16 jaar

die op een reguliere basisschool of reguliere middelbare school zitten. De onderzoeksgroep omvat 80 kinderen. Het onderzoek wil een zo goed mogelijk representatieve onderzoeksgroep werven door de kinderen te werven op verschillende scholen verspreid over voornamelijk Midden-Nederland en kinderen te zoeken met verschillende leeftijden en opleidingsniveaus.

Procedure. De scholen werden via e-mail of telefoon gecontacteerd met de vraag of zij aan dit

onderzoek mee willen doen. De ouders kregen informatie door middel van een informatiebrief. Ook werd er een informatiebrief naar de docenten gestuurd. De ouders konden door middel van informed consent een toestemmingsformulier tekenen om toestemming te geven voor het testen van hun kind. De handtekening van beide ouders was hier voor nodig. Via de goedkeuring van de scholen en de ouders werden de testen afgenomen op de scholen. De testen werden zowel klassikaal als individueel afgenomen. De afname van alle testen bij elkaar duurden ongeveer iets meer dan een uur.

Meetinstrumenten

(9)

8 minuten doen over een subtest. Voor de Nederlandse versie is er echter nog geen betrouwbaarheid en validiteit getest op de CFT. Dit is wel gedaan voor de Poolse versie genaamd CFT 3 (Practest, 2011). De interne inconsistentie had een Cronbach’s Alpha van 0.80. Verder is er een hoge test- hertest betrouwbaarheid. De validiteit is bewezen door onder andere te kijken naar hoge correlaties met vloeibare intelligentie (Practest, 2011). In dit onderzoek wordt er gebruik gemaakt van de totale scores op de CFT. Dit zijn ruwe scores.

Schizotypal personality questionnaire-kind-r. De schizotypical personality questionnaire –

kind – R (SPQ-K-R) is een test die schizotypische persoonlijkheidspatronen in kaart brengt en diens onderliggende dimensies (van Rijn, Kroonenberg, Ziermans, & Swaab, 2015). De SPQ kan goed gebruikt worden voor het detecteren van schizotypische persoonlijkheidsstoornissen in de normale populatie en voor onderzoek naar correlaties van schizotypische kenmerken. De test is een

zelfrapportage en bestaat uit 74 items (van Rijn et al., 2015). Het is de bedoeling dat de respondenten nagaan of de stelling wel of niet op hun van toepassing is door middel van een klopt of klopt niet antwoordmodel. De test is onderverdeeld in drie symptomen: positieve symptomen, negatieve

symptomen en desorganisatie (van Rijn et al., 2015). Enkele voorbeeld stellingen zijn: mensen vinden het soms moeilijk om te begrijpen wat ik zeg en ik heb de neiging oogcontact te vermijden wanneer ik met anderen praat (Rain, 1991). De SPQ bedraagt een Cronbach Alpha van 0.91 voor de interne betrouwbaarheid en een Cronbach Alpha van 0.82 voor de test- hertest betrouwbaarheid (Rain, 1991). De convergente validiteit heeft een Cronbach Alpha van 0.51 tot 0.81 (Rain, 1991). De SPQ bedraagt een discriminante validiteit van 0.63 en een criterium validiteit van 0.68 (Rain, 1991). Deze

betrouwbaarheid en validiteit is berekend voor de normale versie van de SPQ. Echter zal er voor de kinderversie ongeveer dezelfde resultaten uitkomen. De SPQ werd individueel afgenomen. In dit onderzoek werd gebruik gemaakt van de positieve scores, de negatieve scores, de desorganisatie scores en de totaal score op de SPQ. Deze scores zijn ruwe scores.

Ouder en scholenvragenlijsten & toestemmingsformulieren. De leeftijden van de kinderen

werden verkregen via vragenlijsten en toestemmingsformulieren. Deze werden ingevuld door de ouders van de kinderen.

Statistische Analyse

Om de hoofdvraag te beantwoorden, is er een statistische analyse uitgevoerd op de vier deelvragen. Bij alle toetsen werd er gekeken naar de verklaarde variantie en het significantie niveau van de resultaten.

Aannames. De toetsen moeten echter aan enkele aannames voldoen: de data moeten normaal

(10)

9 Enkelvoudige regressie. Om het algemene verband tussen de SPQ en de CFT te bekijken is

een enkelvoudige regressie analyse gebruikt met als x variabele de score op de SPQ en als y variabele de score op de CFT. Een enkelvoudige regressie gebruikt men als er een samenhang zou kunnen zijn tussen twee variabelen. Deze toont het verband aan en daarmee ook de sterkte van het verband. Binnen de regressie werd ook de verklaarde variantie bekeken, er mag echter niet gesproken worden van een bepaalde causaliteit, omdat dit geen experimenteel onderzoek is.

Voor deelvragen 1, 2 en 3 (het verband tussen positieve scores en intelligentie, negatieve scores en intelligentie en desorganisatie en intelligentie) zijn op dezelfde manier enkelvoudige regressies uitgevoerd met als x variabele de positieve, negatieve of desorganisatie score van de SPQ en als y variabele de score op de CFT. De verschillende enkelvoudige regressies geven antwoord op de vraag: is er een verband tussen schizotypische kenmerken en cultuuronafhankelijke intelligentie?

Multipele regressie. Vervolgens is er met deelvragen 1, 2 en 3 een multipele regressie analyse

uitgevoerd. Een multipele regressie houdt in dat de eerdere correlaties uit de eerdere deelvragen met de afhankelijke y variabele (de score op de CFT) worden vergeleken om te kijken of er een verband is en welk verband het grootst is. De multipele regressie geeft antwoord op de vraag: wat is het verband tussen de drie dimensies?

Multipele regressie met interactie-effect. De laatste deelvraag gaat over het effect van

leeftijd op het verband tussen schizotypische kenmerken en cultuuronafhankelijke intelligentie. Hierbij is de onafhankelijke variable (x) de scores op de SPQ en de afhankelijke variabele (y) de scores op de CFT. De moderatie variabele (z) is de leeftijd. De moderatie leeftijd wilt zeggen dat de uitkomst van X en Y anders uitkomt door toevoeging van verschillende waarden voor Z. Er is gekozen voor een multipele regressie analyse met interactie- effect, omdat op deze manier leeftijd als continue variabele wordt meegenomen (numeriek) in plaats van deze op te splitsen in groepen (categorisch). Op deze manier gaat er geen spreiding verloren. Voor deze multipele regressie moesten de gegevens van de leeftijd en totale score op de SPQ gecentraliseerd worden. Dit werd gedaan door alle scores en leeftijden te delen door het gemiddelde. Vervolgens is er uit de nieuwe gecentraliseerde gegevens een nieuw gegeven ontstaan, namelijk het interactie- effect. Dit werd gedaan door de gecentraliseerde SPQ en de gecentraliseerde leeftijden met elkaar te vermenigvuldigen. Deze multipele regressie werd uitgevoerd in twee modellen. In het eerste model werd alleen de gecentraliseerde leeftijden en SPQ scores meegenomen. In het tweede model werd ook het interactie-effect meegenomen. Door middel van verklaarde variantie werd er gekeken of het interactie-effect in model 2 (leeftijd) meer verklaarde variantie toevoegde dan model 1. De multipele regressie analyse met interactie- effect geeft antwoord op de vraag: wat is het effect van leeftijd op het verband tussen schizotypische kenmerken en cultuuronafhankelijke intelligentie?

Data inspectie. Er werd ook een data inspectie uitgevoerd op de gegevens die gebruikt werden

(11)

10 normaliteit. Naast normaalverdelingen werden ook gemiddeldes, standaarddeviaties, skewness en kurtosis berekend door middel van een tabel. Verder werd er gekeken naar mogelijke uitbijters en missings. De informatie over de respondentengroep werden onderzocht door middel van de beschrijvende statistiek tabel.

Resultaten

Allereerst zal de beschrijvende statistiek, de normaliteit en uitbijters van dit onderzoek besproken worden. Bijna alle gegevens, met name de positieve scores, waren niet normaal verdeeld. Door verwijdering van acht respondenten is dit gecorrigeerd. De gegevens bevatten geen missende waarde in de scores die nodig waren voor dit onderzoek. Er zijn op basis van missende waarden geen respondenten of gegevens verwijderd. In de analyse wordt eerst het resultaat van de enkelvoudige regressie op de totale score van de SPQ en de totale score van de CFT besproken vervolgd door de enkelvoudige regressies met de positieve, negatieve en desorganisatie scores. Als laatste worden de twee multipele regressies besproken.

Beschrijvende Statistiek

Dit onderzoek bevat een steekproef van 80 respondenten. De respondenten waren tussen de 8 en 16 jaar oud (M=11.56, SD=2.44). De steekproef bestond voor 52.5% uit meisjes (N=42) en voor 47.5% uit jongens (N=38). Bij inspectie van de data is er gekeken naar de score van de CFT (M=55.89, SD=11.41) en de SPQ (M=17.98, SD=11.83). Er is ook gekeken naar de drie scores onderling van de

SPQ namelijk: de positieve scores (M=4.99, SD=4.42), de negatieve scores (M=8.49, SD=6.36) en de desorganisatie scores (M=4.50, SD=3.47) om hiermee de eerste deelvragen te beantwoorden (zie Tabel 1.).

Tabel 1.

Beschrijvende statistieken

M SD Skewness Kurtosis

Leeftijd Totale score

CCFT

Totale score SPQ

Negatieve scores Positieve scores Desorganisatie scores 11.56 55.89 17.98 8.49 4.99 4.50 2.44 11.41 11.83 6.36 4.42 3.47 0.24 -0.43 0.62 0.74 0.85 0.60 -1.28 0.001 -0.31 -0.13 -0.26 -0.79

(12)

11 Normaliteit

De normaliteit werd bekeken door middel van een histogram en Q-Q plot (De Vocht, 2011). Aan het histogram kan men zien dat de gegevens normaal verdeeld zijn, omdat alle gegevens geclusterd zijn in een belvorm waarbij de meeste scores in het midden van de verdeling liggen. In het Q-Q plot zijn de scores normaal verdeeld wanneer deze zich op de lijn of heel dichtbij de rechte lijn bevinden (De Vocht, 2011). De normaliteit van de gegevens is ook berekend met de vuistregel (De waarden van Skewness en Kurtosis gedeeld door hun standaard error (SE)). De waarden van Skewness en Kurtosis van de verschillende scores staan weergegeven in tabel 1. De uitkomsten van normaliteit zijn acceptabel als zij tussen de -3 en 3 vallen (De Vocht, 2011). Er was geen sprake van Kurtosis (zie tabel 1.). Bij de berekening van Skewness vielen echter niet alle scores tussen de -3 en 3. Uitbijters hadden invloed op de normaalverdeling van sommige gegevens. De respondenten die expliciet in het boxplot als uitbijter stonden gedetecteerd zijn opgezocht in de dataset. Deze zijn dus niet random op basis van een hoge of lage score verwijderd. In totaal zijn er acht respondenten als uitbijters verwijderd. Na het verwijderen van uitbijters waren alle gegevens normaal verdeeld. Alleen de positieve score had volgens de vuistregel nog een waarde van 3.1. Er konden echter geen uitbijters meer verwijderd worden. Vanwege de hele kleine afwijking werd dit gegeven in dit onderzoek als normaal beschouwd.

Tabel 2.

Correlatietabel variabelen

Totale score

SPQ

Leeftijd Totale score CCFT

Positieve scores

Negatieve scores

Desorganisatie scores

Totale score SPQ 1 0.07 0.008 0.89* 0.90* 0.65*

Leeftijd 0.07 1 -0.08 0.03 0.04 0.15

Totale score CCFT

0.008 -0.08 1 0.05 0.02 -0.07

Positieve scores 0.88* 0.03 0.05 1 0.69* 0.46*

Negatieve scores 0.90* 0.04 0.02 0.69* 1 0.35*

Desorganisatie scores

0.65* 0.15 -0.07 0.46* 0.35* 1

(13)

12 Analyses

Aannames en vastgestelde p-waarde. Alle analyses zijn uitgevoerd met een α = 0.05. Hier is

voor gekozen, omdat resultaten niet als significant beschouwd kunnen worden wanneer de p-waarde, oftewel het significantie niveau, zich beneden de 0.05 bevindt. Er is gekozen voor een Beta interpretatie bij de enkelvoudige regressies, omdat de Beta gestandaardiseerd is en om die reden makkelijker te interpreteren is. Bij de multipele regressies is er gekozen voor een niet gestandaardiseerde b interpretatie. Voor de enkelvoudige regressies en multipele regressies is er getoetst op normaliteit, lineairiteit en homoscedasticiteit. Lineairiteit wil zeggen dat alle scores verspreid in een rechte lijn rondom de horizontale lijn moeten liggen (De Vocht, 2011). Als deze gegevens niet verspreid rondom de horizontale lijn liggen, maar in een vast patroon een kromming of ander patroon vormen, zijn de gegevens niet lineair. Om dit na te gaan is er gebruik gemaakt van een P-P plot (De Vocht, 2011). Voor homoscedasticiteit wordt er hetzelfde P-P plot gebruikt. Echter gaat het er bij homoscedasticiteit om dat er een constante variantie moet zijn tussen variabelen en scores (De Vocht, 2011). Dit is te controleren in het P-P plot, doordat alle punten rondom de lijn evenwichtig moeten zijn en geen trechtervorm moeten vormen (De Vocht, 2011). Alle gegevens voldeden aan de drie aannames na het verwijderen van de acht uitbijters voor normaliteit. Naast deze drie aannames is er voor de multipele regressies nog getoetst op collineairiteit. Collineairiteit wilt zeggen dat de correlaties onderling, dat wil zeggen de verschillende scores die meegenomen zijn in de multipele regressie, te hoog zijn (De Vocht, 2011). Hierdoor kan er niet veel verklaard worden uit de multipele regressie, omdat het lastig is het verband met andere variabelen te onderzoeken als deze onderling al te veel samenhangen (De Vocht, 2011). De correlatie mag daarom niet hoger uitkomen dan 0.70. De correlatie onderling was eerst enigzins te hoog, maar na het verwijderen van de acht uitbijters voor normaliteit werd er tegelijkertijd ook aan deze aanname voldaan.

Het verband tussen schizotypische kenmerken en intelligentie in een enkelvoudige

regressie. Eerst werd het verband onderzocht tussen de totale CFT score en de totale SPQ score door

middel van een enkelvoudige regressie (β = 0.008, t(1) = 0.07, p = 0.94). Er is een nauwelijks positief verband tussen de totale CFT score en de totale SPQ score. De verklaarde variantie is 0.00 (R²=0.00, F (1,78) = 0.006, p = 0.94). Dit wil zeggen dat er geen verklaarde variantie was betreffende het verband. De resultaten waren niet significant.

(14)

13 t(1) = -0.62, p = 0.53). Dit is de enige negatieve correlatie (R² = 0.005, F (1,78) = 0.39, p = 0.53). Alle

resultaten waren echter niet significant.

Het verband tussen schizotypische kenmerken en intelligentie in een multipele regressie.

Als laatste stap om de drie symptomen te toetsen werden deze samen met de score op de CFT in een multipele regressie geanalyseerd, (b*positief = 0.27, t(3) = 0.63, p = 0.53), (b*negatief = 0.02, t(3) = -0.07, p = 0.95), (b*desorganisatie = -0.38, t(3) = -0.90, p = 0.37). Deze hadden een verklaarde variantie van 0.013 (R² = 0.013, F(3,76) = 0.33, p = 0.81). De positieve scores hebben een nauwelijks tot laag positief verband met de score op de CFT. Zowel de negatieve scores als desorganisatie scores hebben een nauwelijks tot laag negatief verband met de score op de CFT. De grootste correlatie is de correlatie tussen desorganisatie en de score op de CFT. De resultaten zijn niet significant (zie tabel 3). Tabel 3.

Multipele regressie van de drie dimensies van de SPQ op de CCFT

B β t. t sig. F F sig.

Positieve scores 0.27 0.11 0.013 0.63 0.53 0.33 0.81

Negatieve scores

-0.02 -0.01 0.013 -0.07 0.95 0.33 0.81

Desorganisatie scores

-0.38 -0.12 0.013 -0.90 0.37 0.33 0.81

Noot: df (3,76) p < 0.05

Het verband tussen schizotypische kenmerken en intelligentie met leeftijd als interactie.

Voor de laatste deelvraag is er een multipele regressie met interactie- effect gebruikt. Hiervoor zijn de X (de totale SPQ score) en Z (leeftijd) variabele gecentreerd. Na de centralisatie van deze gegevens is er een nieuw gegeven gemaakt, namelijk het interactie-effect (X*Z). De multipele regressie is in twee modellen uitgevoerd. In model 2 werd het interactie- effect in het model betrokken (X*Z). Zowel in model 1 als 2 heeft leeftijd het grootste verband met de score op de CFT (b*leeftijdcent = -0.35, t(2) = -0.66, p = 0.51), (b*leeftijdcent2 = -0.32, t(1) = -0.60, p = 0.55). Deze is negatief en niet significant. Het interactieeffect had de kleinste correlatie met de score op de CFT (b*spqleeftint = 0.017, t(1) = -0.39, p = 0.70) . Deze was ook negatief en niet significant. De verklaarde variantie van Model 1 was 0.006 (R² = 0.06, F(2,77) = 0.22, p = 0.80). Voor Model 2 was deze 0.008 (R² = 0.008, F(1,76) = 0.20,

p = 0.90).Het interactie-effect heeft 0.02 procent meer verklaarde variantie aan het model toegevoegd.

(15)

14 Tabel 4.

Multipele regressie van de SPQ op de CCFT met leeftijd als interactie

B β t. t sig. F F sig.

spqcent Model 1 0.01 0.01 0.006 0.12 0.90 0.22 0.80

Model 2 0.02 0.02 0.008 0.19 0.85 0.20 0.90

leeftijdcent Model 1 -0.35 -0.07 0.006 -0.66 0.51 0.22 0.80

Model 2 -0.32 -0.07 0.008 -0.60 0.55 0.20 0.90

Spqleeftint (X*Z)

Model 2 -0.017 -0.046 0.008 -0.39 0.70 0.20 0.90

Noot: df model 1 (2,77), df model 2 (1,76). p < 0.05

Discussie

Het doel van dit onderzoek was om het verband te bekijken tussen cultuuronafhankelijke intelligentie en schizotypische kenmerken bij scholieren van 8 tot en met 16 jaar en het effect van hun leeftijd. Met het woord verband wordt geen causale relatie aangeduid. Uit het onderzoek blijkt dat er een algemeen positief verband is tussen schizotypische kenmerken en intelligentie. Echter, er is onderling verschil gevonden tussen de symptomen van schizotypische kenmerken en intelligentie. Leeftijd zou een klein effect kunnen hebben in dit verband. De resultaten waren niet significant. Allereerst zullen de verwachtingen besproken worden. Vervolgens zal naar aanleiding van het theoretisch kader de uitkomsten van het onderzoek nader verklaard worden. Als laatste volgt er een reflectie op dit onderzoek.

Conclusies

Alle resultaten waren niet significant en voldoen niet aan de verwachting dat er een verband is tussen schizotypische kenmerken en intelligentie. Ondanks dat de resultaten niet significant waren voldeden de negatieve en desorganisatie symptomen aan de verwachting dat het verband negatief zou zijn. Het algemene verband tussen schizotypische kenmerken en intelligentie en het verband tussen positieve symptomen en intelligentie voldeden niet aan deze verwachting. In dit onderzoek werd ook voldaan aan de verwachting dat leeftijd effect heeft op het verband, indien de resultaten significant waren. Aangezien de resultaten niet significant zijn mag er niets geconcludeerd worden over het verband en diens vergelijkingen met vorig onderzoek. Dit was wel het geval geweest als de resultaten wel significant waren geweest. Om deze reden worden dergelijke verklaringen vanuit de literatuur als achtergrondinformatie gebruikt.

(16)

15 het verband negatief zou zijn. Volgens eerder onderzoek gaat vooral lage intelligentie, hetzij verbaal hetzij niet verbaal, samen met schizotypische kenmerken (Barrantes- Vidal et al., 2002; Cochrane et al., 2012; Kim et al., 2011; Matheson & Langdon, 2008; Noguchi et al., 2008). Deze positieve verbanden in huidig onderzoek kunnen verklaard worden door de studie van David (1999), waarin staat dat gemiddelde en hoger dan gemiddelde intelligentie ook samen kan gaan met schizofrenie. Dit zou misschien een verklaring kunnen zijn voor een positief verband tussen intelligentie en schizotypische kenmerken.

Echter hebben de scores van de negatieve symptomen en desorganisatie wel bevestigt dat lage intelligentie samen kan gaan met schizotypische kenmerken, mits deze resultaten significant zouden zijn (Barrantes- Vidal et al., 2002; Cochrane et al, 2012; Khandaker et al., 2011; Kim et al, 2011; Matheson en Langdon, 2008; Noguchi et al., 2008; Woodberry et al., 2010). Een hogere score op de negatieve symptomen en desorganisatie zorgen voor een lagere score op de CFT. Hoe meer iemand een gevoeligheid heeft voor deze symptomen hoe lager iemands IQ. Dit kan eventueel worden verklaard door de onderlinge verschillen binnen de drie symptomen en intelligentie (Barrantes-Vidal et al, 2002; Matheson & Langdon, 2008; Rain et al., 1994). Echter is het vreemd dat de enkelvoudige regressie een positief verband aangaf bij de negatieve scores. Dit zou in vervolg onderzoek nog een keer bekeken moeten worden. De resultaten waren niet significant. In verder onderzoek zou er meer getest kunnen worden op de drie symptomen onderling, om een betere verklaring over het algemene verband te kunnen geven. Hierdoor zou onder andere kunnen worden achterhaald waarom vooral de negatieve symptomen geen eenduidige resultaten gaven in huidig onderzoek. Voor het algemeen verband kan worden nagegaan of het positieve verband tussen schizotypische kenmerken en intelligentie in huidig onderzoek vooral te verklaren valt door diens positieve symptomen. Positieve symptomen zijn namelijk vooral onderzocht met betrekking tot werkgeheugen (Matheson & Langdon, 2008). Dit onderzoek kan verder geen causaliteit verklaren wat betreft de drie symptomen en het algemene verband tussen schizotypische kenmerken en intelligentie. Hierdoor is meer onderzoek met betrekking tot de onderlinge symptomen en intelligentie wenselijk.

(17)

16 gebaseerd op andere leeftijdsafhankelijke aspecten dan werkgeheugen, in het onderzoek mee te nemen.

Omdat alle resultaten niet significant waren, gaan de resultaten echter tegen de verwachting in dat er een verband zou zijn tussen schizotypische kenmerken en intelligentie (Barrantes- Vidal et al., 2002; Cochrane et al., 2012; David, 1999; Kim et al., 2011; Matheson & Langdon, 2008; Noguchi et al., 2008). Een alternatieve verklaring hiervoor is dat neurocognitieve aftakeling in schizofrenie losstaat van iemands intelligentie (Vaskinn et al., 2014). Dit zou eventueel ook een verklaring kunnen zijn voor het niet significante verband met schizotypische kenmerken. De negatieve symptomen worden daarnaast vooral voorspeld door een psychiatrische aanvaarding op jonge leeftijd in plaats van intelligentie (Guerra et al., 2002). Dit zou het niet significante verband met negatieve symptomen kunnen verklaren. Dit betekent voor het bredere onderzoek dat het verband met schizotypische kenmerken en intelligentie misschien beïnvloed kan zijn door andere factoren, hetgeen de niet significante verbanden eventueel zou kunnen verklaren. Er is echter vervolg onderzoek nodig om te kunnen verklaren wat deze andere factoren eventueel zouden kunnen zijn, omdat dit onderzoek niet getest heeft op causaliteit.

Reflectie op het Onderzoek

De sterke kanten van dit onderzoek zijn vooral de cultuuronafhankelijke componenten die in dit onderzoek aan bod komen. Veel onderzoeken die het verband hebben onderzocht tussen intelligentie en schizotypische kenmerken hebben gebruik gemaakt van een verbale fluency test, die cultuurafhankelijk is. In theoretische aanbevelingen van deze studies werd aanbevolen in het vervolg een onderzoek met een cultuuronafhankelijke intelligentietest uit te voeren. Dat heeft dit onderzoek gedaan. In dat opzicht is dit onderzoek van praktisch en theoretisch belang geweest. Dit onderzoek heeft ook als een van de eerste onderzoeken de Nederlandse versie van de CFT gebruikt. Hierdoor kunnen er nieuwe inzichten worden verleend over hoe deze werkt in Nederland en hoe eventuele normscores tot stand kunnen komen. Ook is het van belang geweest dat dit onderzoek kinderen heeft onderzocht. Eerdere onderzoeken zijn vooral uitgevoerd bij volwassenen. Dit onderzoek wilde meer inzicht krijgen in het verband tussen schizotypische kenmerken en intelligentie bij kinderen in een normale populatie.

(18)

17 leeftijdscategorie geen spreiding in opleidingsniveau, wat misschien de resultaten heeft beïnvloed. In vervolg onderzoek kunnen er beter meer spreidingen zijn in opleidingsniveau. Hierdoor zal leeftijd als interactie-effect beter tot zijn recht komen. Ook mag dit onderzoek geen richting aangeven in de gevonden verbanden, omdat het gaat om een cross-sectioneel onderzoek, waardoor vergelijken met ander onderzoek lastig is. In vervolg onderzoek over dit verband kan er een experimenteel onderzoek gedaan worden om conclusies te mogen trekken over causaliteit.

(19)

18 Literatuurlijst

Barrantes-Vidal, N., Fananas, L., Rosa, A., Caparros, B., Riba, M.D., & Obiols, J.E. (2002).

Neurocognitive, behavioural and neurodevelopmental correlates of schizotypy clusters in adolescents from the general population. Schizophrenia Research, 61, 293–302.

Cattell, R.B. (1971). Abilities: Their structure, growth and action. Boston: Houghton Mifflin.

Cattell, R.B., Feingold, S.N., & Sarason, S.B. (1941). A culture-free intelligence test: II. Evaluation of cultural influence on test performance. The Journal of Educational Psychology, 32, 81-100. doi: 10.1037/h0058456

Cochrane, M., Petch, I., & Pickerin, A.D. (2012). Aspects of cognitive functioning in

schizotypy and schizophrenia: Evidence for a continuum model. Psychiatry Research, 196, 230-234.

David, A.S. (1999). Intelligence and Schizophrenia. Acta Psychiatrica Scandinavica, 100, 1- 2.

De Vocht, A. (2011). Basishandboek spss 19: Ibm spss statistics. Utrecht: Bijleveld Press.

Geelhoed, J.W. & Struiksma, A.J.C. (2002). Intelligentieonderzoek. In Th, Kievit, J.A. Tak, & J.D. Bosch (Eds.), Handboek psychodiagnostiek voor de hulpverlening aan kinderen. Utrecht: De Tijdstroom.

Guerra, A., Fearon, P., Sham, P., Jones, P., Lewis, S., Mata, I., & Murray, R. (2002). The

relationship between predisposing factors, premorbid function and symptom dimensions in psychosis: an integrated approach. Eur Psychiatry, 17, 311-320.

Gunderson, J.G., Siever, L.J., & Spaulding, E. (1983). The search for a schizotype. Archives of General Psychiatry, 40, 15-22.

Kendler, K.S., Gruenberg , A.M., & Straus, J.S. (1981). An independent analysis of the

Copenhagen sample of the Danish adoption study of schizophrenia: II. The relationship between schizotypal personality disorder and schizophrenia . Archives of General Psychiatry, 38, 982-984.

Kety, S.S. (1983). Mental illness in the biological and adoptive relatives of schizophrenic

adoptees: Findings relevant to genetic and environmental factors in etiology. American Journal of Psychiatry, 140, 720-727.

Khandaker, G. M., Barnett, J. H., White, I. R., & Jones, P. B. (2011). A quantitative meta-

analysis of population- based studies of premorbid intelligence and schizophrenia. Elsevier B.V., 132, 220-227. doi: 10.1016/j.schres.2011.06.017

Kiang, M. & Kutas, M. (2006). Abnormal typicality of responses on a category fluency task in schizotypy. Psychiatry Research, 145, 119-126. doi:10.1016/j.psychres.2005.12.010 Kim, M. S., Oh, S. H., Hong, M. H., & Choi, D. B. (2011). Neuropsychologic profile of

(20)

19 Ly, T.T., Anderson, M., McNamara, K.A., Davis, E.A., & Jones, T.W. (2011). Neurocognitive

outcomes in young adults with early – onset type 1 diabetes: a prospective follow-up study. Diabetes care, 34, 2192-2197.

Matheson, S. & Langdon, R. (2008). Schizotypal traits impact upon executive working memory and aspects of IQ. Psychiatry Research, 159, 207–214.

Nenty, H.J. & Dinero, T.E. (1981). A cross-cultural analysis of the fairness of the cattell

culture fair intelligence test using the rasch model. Applied psychological measurement, 5, 355-368. doi: http://dx.doi.org/10.1177/014662168100500309

Noguchi, H., Hori, H., & Kunugi, H. (2008). Schizotypal traits and cognitive function in healthy adults. Psychiatry Research, 161, 162- 169.

Practest. (2011). Cft 3. Culture fair intelligence test- version 3 [webdocument]. Geraadpleegd op: http://www.en.practest.com.pl/

Rain, A. (1991). The SPQ: a scale for the assessment of schizotypal personality based on DSM-III-R criteria. Oxford Journals, 17, 555-564.

Rain, A. (2006). Schizotypal personality: Neurodevelopmental and psychosocial trajectories. Annual Review of Clinical Psychology, 2, 291-326.

Rain, A., Reynolds, C., Lencz, T., Scerbo, A., Triphon, N., & Kim, D. (1994). Cognitive-

perceptual, interpersonal, and disorganized features of schizotypal personality. Schizophrenia Bulletin, 20, 191-201.

Rathus, S.A. (2011). Childhood and adolescence: Voyages in development. Belmont: Wadsworth.

Reedijk, J.S. (1996). Psychiatrie. Utrecht: De Tijdstroom.

Tsakakinos, E. & Claridge, G. (2005). More words, less words: Verbal fluency as a function

of positive and negative schizotypy. Personality and Individual Differences, 39, 705-713. doi:10.1016/j.paid.2005.02.019

Van Os, J., Hanssen, M., de Graaf, R. & Vollebergh, W. (2002). Does the urban environment

independently increase the risk for both negative and positive features of psychosis?. Social Psychiatry and Psychiatric Epidemiology, 37, 460-464. doi: 10.1007/s00127-002-0588-x

Van Os, J., Kenis, G., & Rutten, B. (2010). The environment and schizophrenia. Nature, 468, 203-212.

Van Rijn, S., Kroonenberg, P., Ziermans, T., & Swaab, H. (2015). The dimensional

structure of the schizotypical personality questionnaire adapted for children (SPQ-C-D): an evaluation in the dutch population and a comparison to adult population. Hindawi Publishing Corporation: Advances in Psychiatry, 2015, 1-8. doi: http://dx.doi.org/10.1155/2015/938784

Vaskinn, A., Ueland, T., Melle, I., Agartz, I., Andreassen, O.A., Sundet, K. (2014).

(21)

20 Vaskinn, A., Hartberg, C.B., Sundet, K., Westlye , L.T., Andreassen, O.A., Melle, I., Agartz,

I. (2015). Brain structure characteristics in intellectually superior schizophrenia. Psychiatry Research: Neuroimaging, 232, 123–129.

Walker, E. & Bollini, A.M. (2002). Pubertal neurodevelopment and the emergence of psychotic symptoms. Schizophrenia Research, 54, 14-23.

Wechsler, D. (1974). Wechsler intelligence scale for children – revised. New York: Psychological corporation.

Wenar, C. & Kerig, P. (2011). Developmental psychopathology: From infancy through adolescence. Berkshire: Mc Graw Hill education.

Woodberry, K.A., Seidman, L.J., Giuliano, A.J., Verdi, M.B., Cook, W.L., McFarlane, W.R. (2010). Neuropsychological profiles in individuals at clinical high risk for psychosis: Relationship to psychosis and intelligence. Schizophrenia Research, 123, 188-198. doi: 10.1016/j.schres.2010.06.021

Ziermans, T.B. (2013). Working Memory capacity and psychotic-like experiences in a

Figure

Updating...

Download now (21 Page)
Related subjects :