Hoe word ik gelukkig? Cicero's Tusculanae disputationes

23 

Full text

(1)

51

e jaargang nummer

1

maart

2018

A M P A S

(2)

L A M P A S

Tijdschrift voor classici

Jaargang 51 nummer 1, maart 2018

Redactie

dr. Rutger Allan (Grieks, Vrije Universiteit Amsterdam), dr. Bert van den Berg (Antieke Filosofie, Universiteit Leiden), Elianne Bruin BA (redactiesecretaris; Universiteit van Amsterdam), dr. Jan Willem Drijvers (Oude Geschiedenis, Rijksuniversiteit Groningen), dr. Jaap-Jan Flinterman (Oude Geschiedenis, Vrije Universiteit Amsterdam), dr. Mark Heerink (Latijn, Universiteit van Am-sterdam en Vrije Universiteit AmAm-sterdam), dr. Hugo Koning (Klassieke Talen, Stanislascollege Delft), drs. Suzanne Luger (Klassieke Talen, St. Ignatius- gymnasium Amsterdam, ILO/POWL, Universiteit van Amsterdam), dr. Stephan Mols (Klassieke Archeologie, Radboud Universiteit Nijmegen), drs. Kokkie van Oeveren (Klassieke Talen, St. Ignatius-gymnasium Amsterdam, Vrije Univer-siteit Amsterdam, VCN), dr. Remco Regtuit (Grieks, RijksuniverUniver-siteit Gro- ningen), dr. Rodie Risselada (voorzitter; Latijn, Universiteit van Amsterdam). Redactieadres

Redactiesecretariaat Lampas / Elianne Bruin Universiteit van Amsterdam – Opleiding GLTC Turfdraagsterpad 9, 1012 XT Amsterdam e-mail: lampas@verloren.nl

websiteadres: lampas.verloren.nl

Lampas is, met uitzondering van de recentste twee jaargangen, online beschik-baar via www.lampasonline.nl.

Voor reacties op of ideeën over de inhoud van Lampas: lampas@verloren.nl Uitgever, administratie en abonnementen

Uitgeverij Verloren BV

Torenlaan 25, 1211 JA Hilversum telefoon 035-6859856

e-mail: bestel@verloren.nl websiteadres: www.verloren.nl Lampas verschijnt vier keer per jaar.

Prijzen voor 2018: Jaarabonnement € 42,–; Studentenabonnement € 25,– (stuur a.u.b. een kopie van de collegekaart naar de uitgever); Abonnement voor instel-lingen en bibliotheken € 56,–; Losse nummers € 15,–

Betaling gaarne binnen 30 dagen na toezending van een rekening door de uit-gever. Abonnementen worden aangegaan voor een jaargang en automatisch verlengd, tenzij bij opgave uitdrukkelijk anders wordt aangegeven. Opzegging dient te geschieden bij de uitgever vóór ingang van de nieuwe jaargang, dus vóór 1 januari van het nieuwe jaar.

(3)

Cicero’s Tusculanae Disputationes

Jörn Soerink

Summary: This article offers an introduction to Cicero’s philosophical writings in

general and his Tusculan Disputations in particular. Two passages from this treatise are part of the set texts for the Dutch final school exam Latin in 2018 (1.96-104 and 5.57-62). After introducing Cicero philosophus, it offers a synopsis of the Tusculan

Disputations and a selective discussion of the aforementioned passages, with some

suggestions for the classroom.

1   Cicero philosophus

Het omvangrijke filosofische oeuvre van Marcus Tullius Cicero, grotendeels geschreven tijdens de laatste jaren van zijn leven (106-43 v.Chr.), heeft sinds de negentiende eeuw lang in de schaduw gestaan van zijn redevoeringen, brie-ven en werken over ars rhetorica. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat, tot enkele decennia geleden, geen van Cicero’s filosofische werken was versche-nen als Oxford Classical Text.1 In Latijnse literatuurgeschiedenissen wordt

dikwijls opgemerkt dat Cicero, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Plato of Epi-curus, geen origineel denker was en dat zijn filosofische werken vooral van belang zijn als bron van informatie over de belangrijkste filosofische stromin-gen in de Hellenistische wereld, met name het stoïcisme en epicurisme.2 De

opmerking dat Cicero geen origineel denker was, vind ik enigszins bezwaar-lijk, niet omdat zij onjuist is, maar omdat zij de stereotiepe tegenstelling tus-sen Griekse originaliteit en Romeinse afhankelijkheid in stand houdt en, ten tweede, omdat Cicero – hoewel ijdelheid hem beslist niet vreemd was3 – zelf

nergens claimt een groot filosoof te zijn.4 Deze bezwaren nemen overigens

1 Van Cicero’s philosophica zijn vooralsnog alleen De Officiis (M. Winterbottom 1994) en De

Fini-bus (L.D. Reynolds 1998) als Oxford Classical Text verschenen.

2 Bijvoorbeeld Pfeijffer (2000: 147): ‘In geen van zijn filosofische geschriften geeft Cicero een origi-nele visie op de kwesties die hij behandelt. [...] Het belang van deze boeken is gelegen in het feit dat zij de Griekse filosofie in Rome bekend en salonfähig hebben gemaakt.’

3 Cicero prees zijn eigen prestaties non sine causa, sed sine fine (‘niet zonder reden, maar zonder einde’), aldus Seneca in De Brevitate Vitae 5.1.

(4)

niet weg dat Cicero’s filosofische werken inderdaad een schatkamer van in-formatie zijn over allerlei Hellenistische filosofen en hun opvattingen. Maar in recent onderzoek ligt het accent niet meer zozeer op Cicero als spreekbuis van Griekse filosofen, als wel op zijn eigen rol als Romeins filosofisch schrij-ver. In welke culturele en politieke context moeten we Cicero’s filosofisch project begrijpen? Tot welke filosofische stroming rekende hij zichzelf? En met welke bedoelingen heeft hij zijn filosofische oeuvre geschreven?5

Zo kan men zich afvragen of Cicero zijn philosophica in de eerste plaats ge-schreven heeft om de Griekse wijsbegeerte voor zijn Romeinse medeburgers te ontsluiten:6 de Romeinse elite waarvoor Cicero schreef, was over het

alge-meen prima in staat om Grieks te lezen, zoals Cicero in de praefatio van zijn Tusculanae Disputationes zelf opmerkt.7 Cicero presenteert zijn filosofische

project daar uitdrukkelijk in termen van imitatio en aemulatio vis-à-vis de Grieken: in vrijwel alle opzichten hebben de Romeinen de Grieken geëve- naard of zelfs overtroffen, zo betoogt hij, maar

philosophia iacuit usque ad hanc aetatem nec ullum habuit lumen litterarum Latinarum quae inlustranda et excitanda nobis est, ut, si occupati profuimus ali-quid civibus nostris, prosimus etiam, si possumus, otiosi.

De filosofie is tot onze tijd toe een braak liggend terrein gebleven en is nog hele-maal niet in de Latijnse literatuur bewerkt. Ik zie het als mijn taak haar aanzien te verhogen en haar te wekken uit haar sluimer, om zo, mocht ik voor mijn me-deburgers enige betekenis hebben gehad in de uitoefening van mijn ambten, hun ook in mijn ambteloze periode zoveel als ik kan van dienst te zijn.8

(Cicero, Tusculanae Disputationes 1.5)

Het was dus niet alleen Cicero’s bedoeling om zijn publiek te informeren, maar ook om de Romeinse achterstand wat betreft filosofie in te lopen, ster-ker, de Grieken hierin zelfs voorbij te streven – zoals ook Romeinse dichters hun bewonderde Griekse voorgangers niet simpelweg kopieerden, maar ook op allerlei manieren transformeerden.9

5 Zie Den Boeft (2000) en voor recente literatuur over Cicero philosophus Tieleman (2017). 6 Zoals bijvoorbeeld Bartelink stelt: ‘Zijn opzet was de Griekse filosofie ook voor de Romeinen

toe-gankelijk te maken: hij wilde een systematische samenvatting bieden.’ (1964: 191; vergelijk 192-193).

7 Tusculanae 1.1. Anderzijds schrijft hij in De Finibus 1.7: ‘Trouwens, stel dat ik zonder meer Plato of Aristoteles zou vertalen [...], zou ik dan moeten leven met de gedachte mijn medeburgers een slechte dienst te bewijzen door de verheven denkwereld van die uitzonderlijke geesten over te he-velen naar het bereik van hún brein?’ (vertaling Van der Linden 1982).

8 Latijnse citaten uit de Tusculanae zijn ontleend aan de edities van Douglas (1985 en 1990); de ver-talingen zijn van Verhoeven (1980), tenzij anders vermeld.

(5)

Het citaat maakt bovendien duidelijk dat Cicero met zijn filosofische wer-ken een didactische bedoeling had. In veel handboewer-ken en inleidingen wordt benadrukt dat Cicero zich met filosofie bezighield in de periodes dat hij po-litiek buitenspel stond. Hoewel deze opmerking niet onjuist is,10 wekt zij ten

onrechte de indruk dat zijn filosofische studia een apolitiek tijdverdrijf wa-ren. Cicero’s woorden maken duidelijk dat hij daar zelf anders over dacht: zijn filosofische ambities werden mede gedreven door de overtuiging dat de (Griekse) filosofie, met name ethiek, een bijdrage kon leveren aan de (Ro-meinse) samenleving en politiek.11 In zijn monografie over de Tusculanae,

on-der de veelzeggende titel Paideia Romana, betoogt Gildenhard dat Cicero het werk heeft geconcipieerd als een ‘pedagogical drama’ met de bedoeling om een ‘practical ethics for Rome’s ruling élite’ te ontwikkelen – een doelstelling die volgens Gildenhard direct verband houdt met Cicero’s afschuw van Cae-sars dictatuur.12

Als het gaat om Cicero’s aemulatio moeten we ons goed realiseren dat zijn filosofische project niet alleen om filosofische inhoud draaide, maar ook om de talige en literaire vorm.13 Het is een gemeenplaats dat Cicero de Latijnse

taal als het ware geschikt heeft gemaakt voor filosofie door een bruikbaar vocabulaire te scheppen en equivalenten te munten voor moeilijk vertaal-bare Griekse begrippen;14 een bekend voorbeeld is qualitas als vertaling van

ποιότης (‘hoedanigheid’).15 Maar terminologie is slechts een beperkt onderdeel

van Cicero’s Romanisering van de filosofie:

in quo eo magis nobis est elaborandum, quod multi iam esse libri Latini dicuntur scripti inconsiderate ab optimis illis quidem viris, sed non satis eruditis. fieri autem potest ut recte quis sentiat et id, quod sentit, polite eloqui non possit. [...] qua re si aliquid oratoriae laudis nostra attulimus industria, multo studiosius philosophiae fontes aperiemus, e quibus etiam illa manabant.

De moeite die ik mij hierbij [het schrijven van filosofie in het Latijn – JS] heb moeten getroosten, is nog extra vergroot door de omstandigheid dat er op dit gebied al heel wat boeken schijnen geschreven te zijn in onze taal, zonder doende zorgvuldigheid, door mensen die alle respect verdienen maar die niet vol-doende onderlegd zijn. Het blijkt nu eenmaal mogelijk te zijn dat iemand juiste inzichten heeft, maar deze inzichten niet op stilistische verantwoorde manier tot

10 Cicero schreef zijn philosophica in de periodes 55-51 (Eerste Triumviraat) en 47-44 (dictatuur Caesar).

11 Vergelijk bijvoorbeeld Cicero, Epistulae ad Familiares 9.2.5.

12 Gildenhard (2007: 2-3, en hoofdstuk 3 ‘The plot – teacher and student’, 207-275). 13 In de praefatio van De Finibus (1.1-12) gaat Cicero uitgebreid op deze kwestie in. 14 Een passage die hier expliciet over gaat is De Finibus 3.15-16.

(6)

uitdrukking kan brengen. [...] Als ik dus door mijn inzet iets heb bijgedragen tot het aanzien van de welsprekendheid, moet ik met nog veel meer ijver proberen de bronnen van de filosofie toegankelijk te maken: uit die bronnen kwam ook mijn welsprekendheid voort.

(Tusculanae 1.6)

Zoals wij van Cicero, de welsprekendheid in eigen persoon,16 mogen

ver-wachten, is de vorm minstens zo belangrijk als de inhoud. En daarbij gaat het niet alleen om vocabulaire en stijl, maar ook om bijvoorbeeld de dialogische vorm, de aan de Romeinse geschiedenis ontleende exempla en de beroemde Romeinen die Cicero dikwijls als sprekers ten tonele voert, zoals Scipio in zijn De Re Publica. Overigens is het onderscheid tussen vorm en inhoud in Cicero’s optiek eigenlijk onmogelijk. Zoals in het derde boek van De Oratore wordt betoogd, zijn filosofie en retorica onlosmakelijk met elkaar verbonden, omdat ‘noch onvermogen tot spreken van iemand die wel verstand van zaken heeft, maar deze kennis niet helder onder woorden kan brengen, noch de on-wetendheid van degene die niet over kennis maar wel over woorden beschikt, waardering verdient’.17

Cicero’s verwijzing naar eerdere filosofische werken in het Latijn is trou-wens tamelijk tantaliserend, omdat hiervan vrijwel niets bewaard is gebleven. Elders in de Tusculanae noemt Cicero een zekere Amafinius, wiens verloren werk over het epicurisme wij helaas niet kunnen vergelijken met het schitte-rende leerdicht De Rerum Natura van Lucretius, over wie Cicero zich bedui-dend positiever uitlaat.18

Waarschijnlijk konden veel mensen in de omgeving van Cicero diens filo-sofische ambities niet goed begrijpen. Dat heeft om te beginnen te maken met de Romeinse houding tegenover Griekse filosofie. De Griekse cultuur was, zeker na de verovering van Macedonië (slag bij Pydna, 168 v.Chr.) en Grie-kenland (verwoesting van Corinthe, 146 v.Chr.), in hoog tempo in de Ro-meinse samenleving binnengedrongen en de RoRo-meinse elite was in Cicero’s tijd goed bekend met Griekse filosofie.19 Zo hadden veel aristocratische

fami-lies een Griekse huisfilosoof in dienst – een functie die we, vanwege het accent op levensvragen en ethische kwesties, misschien enigszins kunnen vergelijken met een moderne personal coach. Toch werd filosofie door veel Romeinen, in de geest van Cato de Oudere, nog altijd als on-Romeins gezien, of zelfs als een potentiële bedreiging voor de traditionele Romeinse normen en waarden. Dit is de context waarin we de praefatio van de Tusculanae moeten begrijpen. Ui-teraard konden Cicero noch zijn criticasters bevroeden dat de Griekse wer-ken waarop hij zich baseerde – bijvoorbeeld van Panaetius en Posidonius –

16 Aldus Quintilianus, Institutio Oratoria 10.1.112.

17 Cicero, De Oratore 3.142; vertaling Van Rooijen-Dijkman en Leeman (1989). 18 Zie Tusculanae 4.6-7, en Epistulae ad Quintum Fratrem 2.9 voor Lucretius.

(7)

vrijwel allemaal verloren zouden gaan, en dat niet het Grieks, maar het Latijn de taal van de westerse filosofie zou worden.20

In filosofisch opzicht rekende Cicero zich tot de Nieuwe Academie van Ar-cesilaüs (derde eeuw) en Carneades (tweede eeuw): hoewel geworteld in de Academie van Plato, stelde de Nieuwe Academie niet zozeer Plato’s leerstel-lingen (de Ideeënleer bijvoorbeeld) voorop, maar de Socratische methode van filosofisch onderzoek, waarbij een stelling of probleem altijd van meerdere kanten werd onderzocht en argumenta in utramque partem werden gezocht, om ten slotte in een aporia vast te stellen dat ‘het enige wat ik weet is dat ik niets weet’. Een beroemd voorbeeld is het optreden van Carneades, die bij zijn bezoek aan Rome in 155 v.Chr. eerst overtuigend betoogde dat er zoiets als universele, in de natuur verankerde rechtvaardigheidsbeginselen beston-den, om deze stelling de volgende dag op niet minder overtuigende wijze te ontkrachten. Dat veel Romeinen hierin een bedreiging zagen voor de gekoes-terde Romeinse mores maiorum kan men zich goed voorstellen.21

Maar niet alle Academici waren zo extreem relativistisch. Evenals zijn leer-meester Philo van Larissa, die aan het begin van de eerste eeuw v.Chr. aan het hoofd stond van de Nieuwe Academie, geloofde Cicero weliswaar dat abso-lute kennis of waarheid onbereikbaar was, maar door zorgvuldig en ratio-neel alle argumenten pro en contra te wegen, zo geloofde hij, kon wel worden vastgesteld wat het meest waarschijnlijk was (probabile, verisimile). Dikwijls neigt Cicero naar de stoïsche visie, maar toch is zijn positie fundamenteel an-ders, want anders dan de stoïcijnen handelt Cicero niet in absolute waarhe-den, wat hem – in mijn ogen althans – tot een sympathieke filosoof maakt. In zijn Academica, een onvolledig bewaarde en moeilijke tekst, doet Cicero zijn Academische opvattingen uit de doeken.

In veel van Cicero’s filosofische werken, bijvoorbeeld De Divinatione en De Finibus, worden verschillende ideeën (dikwijls de stoïsche en de epicu-reïsche) in de vorm van een dialoog met elkaar geconfronteerd. Maar Cicero geeft doorgaans ook aan wat zijns inziens de meest waarschijnlijke visie is. Cicero’s filosofische werken zijn dus niet simpelweg een onkritische weerga-ve van bestaande Griekse opvattingen; deze opvattingen worden door Cicero ook kritisch tegen het licht gehouden. Zo bezien is de dialoogvorm, waarin vrijwel alle filosofische werken van Cicero geschreven zijn, niet alleen een in Plato gewortelde en door de traditie geheiligde vorm, maar ook een uitdruk-king van zijn Academische zienswijze, waarbij altijd verschillende visies op een bepaalde kwestie worden onderzocht.22

20 Voor de invloed en receptie van Cicero’s philosophica, zie Douglas (1985: 13-16). 21 Zie Morford (2002: 14-15).

(8)

2   Cicero’s Tusculanae Disputationes

Cicero heeft verschillende werken over ethiek geschreven. De belangrijkste zijn De Finibus Bonorum atque Malorum, waarin Cicero systematisch de ethische opvattingen van de epicuristen en stoïcijnen uiteenzet; De Officiis, dat handelt over het moreel goede (honestum), het nuttige (utile) en het span-ningsveld daartussen; en de Tusculanae Disputationes, dat in wezen antwoor-den probeert te formuleren op de vraag hoe wij mensen gelukkig kunnen worden. Hoewel de Tusculanae in verschillende opzichten voortborduurt op De Finibus en hoewel het eindexamenpensum Latijn 2018 ook een passage uit De Officiis bevat (3.58-60), zal ik mij hier tot de Tusculanae beperken.

In De Divinatione geeft Cicero zelf de volgende samenvatting van zijn Tus-culanae:

totidem [sc. quinque] subsecuti libri Tusculanarum disputationum res ad beate vivendum maxime necessarias aperuerunt. primus enim est de contemnenda morte, secundus de tolerando dolore, de aegritudine lenienda tertius, quartus de reliquis animi perturbationibus, quintus eum locum complexus est, qui totam philosophiam maxime inlustrat: docet enim ad beate vivendum virtutem se ipsa esse contentam.

In de eveneens vijf boeken tellende Gesprekken in Tusculum, vervolgens, heb ik uiteengezet wat het meest noodzakelijk is om gelukkig te kunnen leven. Het eer-ste boek gaat over het verachten van de dood, het tweede over het verdragen van pijn, het derde over het verlichten van depressie, het vierde over andere gemoeds-aandoeningen, het vijfde richt zich op dat onderwerp dat de filosofie bij uitstek glans verleent: het leert immers dat voor een gelukkig leven morele kwaliteit aan zichzelf genoeg heeft.23

(De Divinatione 2.2)

Voor de Tusculanae geldt in sterke mate dat de filosofische inhoud geen her-sengymnastiek is voor wereldvreemde theoretici, maar direct verband houdt met het concrete menselijk bestaan. Hoe moeten wij mensen omgaan met dood, pijn, angst, depressie? En hoe kunnen wij mensen gelukkig worden?

De Tusculanae zijn geschreven in de zomer of herfst van het jaar 45 v.Chr.24

en, evenals De Finibus, opgedragen aan Brutus, die niet alleen een vertrouwe-ling was van Caesar, maar zich ook intensief met filosofie bezighield.25 Het

woord disputationes in de titel wordt door Cornelis Verhoeven vertaald als ‘gesprekken’, wat doet vermoeden dat het om een dialoog gaat. Strikt geno-men is dat ook zo, maar het werk heeft een uitgesproken monologisch ka- rakter: Cicero’s anonieme gesprekspartner (in moderne edities vaak

aange-23 Eigen vertaling.

(9)

duid als ‘A.’) poneert aan het begin van ieder boek een stelling, die vervolgens door Cicero’s alter ego (‘M.’) in een nauwelijks onderbroken woordenstroom wordt weerlegd, hoewel de adulescens (2.28) in boek 5 een paar intelligen-te opmerkingen plaatst.26 Er wordt eigenlijk dus slechts één positie

beargu-menteerd, waardoor het werk een minder Academisch karakter heeft dan bij-voorbeeld De Finibus, waarin juist verschillende opvattingen tegenover elkaar worden geplaatst.27 Tegelijkertijd stelt deze vorm Cicero in staat om voor een

bepaalde stelling op eclectische wijze argumenten uit verschillende filosofi-sche tradities te verzamelen. Gildenhard heeft (overtuigend) betoogd dat Ci-cero in zijn Tusculanae de rol aanneemt van een sofistische leraar, en (minder overtuigend) dat zijn leerling in de loop van de Tusculanae een ontwikkeling doormaakt van ignorante noviet tot een ‘virtually equal partner in dialogue’.28

De toevoeging Tusculanae verwijst naar Cicero’s landgoed in Tusculum; de disputationes worden namelijk gesitueerd in de Academia die Cicero daar had laten bouwen.29 Het is opmerkelijk dat de titel niet de inhoud, maar het genre

en de locatie vooropstelt, te meer omdat de mise en scène in vergelijking met andere Ciceroniaanse werken uiterst summier is.30 Persoonlijk vermoed ik dat

de locatie een knipoog is naar het tweede en derde boek van De Finibus, een eveneens in Tusculum gesitueerde dialoog tussen Cato de Jongere en Cicero over de stoïsche ethiek, die in de Tusculanae prominent aanwezig is.31

De praefatio van boek 1, waaruit ik in de vorige paragraaf enkele regels heb geciteerd, is beroemd vanwege haar reflecties op de relatie tussen Rome en Griekenland.32 Cicero constateert dat de Romeinen excelleren als het gaat om

praktische bezigheden als oorlogsvoering en politieke organisatie, terwijl de Grieken meer hebben gepresteerd op het gebied van literatuur, filosofie en wetenschap – woorden die enigszins doen denken aan die van Anchises in Vergilius’ Aeneis 6.847-853. Toch doen de Romeinen ook op dit gebied in po-tentie niet onder voor de Grieken, aldus Cicero: aan talenten heeft het Rome nooit ontbroken, maar deze talenten vonden oorlog en politiek gewoon langrijker. Cicero stelt zich ten doel om deze achterstand, wat filosofie be-treft, in te halen. Verder, zo hebben we geconstateerd, wilde Cicero met zijn

26 Voor de disputatio en haar wortels in de Griekse σχολή zie Graver (2002: xv-xvii, ‘The Format of

the Discussion’) en vooral Gildenhard (2007: 7-21). 27 Douglas (1985: 16-17).

28 Gildenhard (2007: 271). Deze gedachte is problematisch, onder meer omdat de tekst duidelijk maakt dat er meer gesprekspartners zijn; zie Schofield (2009: 130).

29 Tusculanae 2.9, 3.7; Atticus mocht de decoraties leveren (Epistulae ad Atticum 1.4.3, 1.9.2, 1.11.3). 30 Zie Gildenhard (2007: 34-35).

31 Aansluitend bij de politieke interpretatie van Verbaal (2006) en Gildenhard (2007) kan deze ver-wijzing naar Cato de Jongere (oom van de adressaat Brutus), die immers zelfmoord pleegde om-dat hij na de slag bij Thapsus (46 v.Chr.) weigerde onder Caesars alleenheerschappij te leven, ook in verband worden gebracht met Cicero’s protest tegen Caesar. Cato’s zelfmoord wordt met be-wondering genoemd in Tusculanae 5.4 en houdt verband met het slot van boek 5, waar zelfmoord wordt genoemd als ultieme manier om virtus en vrijheid te behouden (5.117-118).

(10)

werk over ethiek een bijdrage leven aan de Romeinse politiek en samenleving. Nu de Romeinse republiek in handen was gevallen van dictator in perpetuum Caesar, was Cicero’s rol als redenaar en senator immers min of meer uitge-speeld, zoals hij in de allereerste zin van zijn Tusculanae vaststelt.33 Ook op

persoonlijk vlak had Cicero geen reden tot optimisme: in februari 45 v.Chr. stierf zijn geliefde dochter Tullia, 31 jaar oud, in het kraambed. Onder deze omstandigheden was zijn filosofisch project ongetwijfeld een vorm van esca-pisme,34 maar het is typerend voor Cicero dat hij zijn politieke teleurstelling

en persoonlijk verdriet op deze manier productief heeft gemaakt.

Boek 1 draait om de vraag of de dood iets ergs is, zoals Cicero’s gespreks-partner aan het begin van het boek – onmiddellijk na de praefatio – plomp-verloren stelt (malum mihi videtur esse mors, 1.9). Deze stelling wordt ver-volgens door Cicero ontkracht. De epicureïsche zienswijze – wanneer het lichaam sterft, sterft ook de ziel, en wie niet bestaat kan ook niet lijden – komt daarbij zeker aan bod (1.18-25),35 maar Cicero richt zich vooral op de

moge-lijkheid dat de ziel na de dood voortleeft. Cicero betoogt in essentie hetzelf-de als Socrates in Plato’s Apologie: ofwel hetzelf-de ziel sterft samen met het lichaam, ofwel de ziel leeft na de dood voort; in beide gevallen hoeven we de dood niet te vrezen. Overigens wordt een onsterfelijke ziel door Cicero zonder voorbe-houd als iets positiefs beschouwd: de mogelijkheid dat de ziel na de dood van het lichaam allerlei narigheid moet meemaken (bijvoorbeeld als bestraffing) wordt onmiddellijk naar het rijk der fabulae verwezen.36

De stelling die in boek 2 wordt geponeerd luidt: dolorem existimo maxi-mum malorum omnium (‘pijn is volgens mij het grootste van alle kwaden’, 2.14) – een stelling die mij persoonlijk deed denken aan de dystopische roman 1984 van George Orwell, waarin wij lezen dat ‘[n]othing in the world [is] so bad as physical pain’. Cicero is het niet eens met deze (epicureïsche) stelling, maar hij vindt dat de stoïcijnen ook ongelijk hebben, wanneer zij met vernuf-tige redenering trachten te bewijzen dat pijn geen malum is: de menselijke er-varing leert immers dat geen mens, hoe rationeel en filosofisch getraind ook, ongevoelig is voor hevige pijn (2.29). Wel moeten we proberen, aldus Cicero, er op een zo rationeel mogelijke manier op te reageren – een visie die moderne

33 Tusculanae 1.1: cum defensionum laboribus senatoriisque muneribus aut omnino aut magna ex

parte essem aliquando liberatus [...] (‘Nu ik eenmaal volledig of grotendeels bevrijd ben van mijn

werkzaamheden als advocaat en mijn taken als senator [...]’; eigen vertaling); vergelijk 2.5, 3.3, 5.104.

34 Zoals Cicero in een brief aan zijn boezemvriend schrijft: me scriptio et litterae non leniunt sed

obturbant (‘schrijven en literatuur verzachten [het verdriet] niet, maar overstemmen het’, Epis-tulae ad Atticum 12.16); in een andere brief aan Atticus schrijft hij dat hij hele dagen in litteris

spendeert, leniendi et sanandi animi causa (‘om de pijn in mijn hart te verzachten en te genezen’, 12.20.1).

35 De epicureïsche visie wordt uitgebreid behandeld in het derde boek van Lucretius’ De Rerum

Natura.

(11)

lezers misschien doet denken aan zogenaamde ‘rationeel emotieve therapie’ van Albert Ellis.37 Verder is het een kwestie van virtus en fortitudo.38

In boek 3 en 4 worden de stellingen geponeerd ‘dat de wijze onderhevig is aan neerslachtigheid’ (cadere [...] in sapientem aegritudinem, 3.12) en ‘dat de wijze niet vrij kan zijn van elke gemoedsaandoening of beroering’ (non mihi videtur omni animi perturbatione posse sapiens vacare, 4.8). Cicero’s reactie is overwegend stoïcijns: het medicijn tegen deze kwalen is de ratio; als hij zich hierdoor laat leiden, zal een sapiens niet onder dergelijke πάθη lijden. Cicero’s adviezen winnen aan diepgang, als we ons realiseren dat hij de Tusculanae heeft geschreven binnen een jaar na de dood, in Tusculum, van zijn geliefde dochter (en eerste kleinkind).39

Boek 5, ten slotte, draait om de stelling ‘dat morele volmaaktheid op zich niet genoeg is om een gelukkig leven te garanderen’ (non mihi videtur ad beate vivendum satis posse virtutem, 5.12). Cicero reageert hierop met een ode aan de filosofie. In dat kader schetst hij ook de geschiedenis van de filosofie, die menselijke tekortkomingen en ondeugden corrigeert en een veilige haven vormt in het stormachtige leven. In de rest van het boek (5.12-121) wordt be-toogd dat virtus alleen wél voldoende is voor geluk, zoals het stoïcisme leert – hoewel Cicero daarbij de kanttekening plaatst dat sommige goede dingen in het leven dat geluk wel vergroten (volgens rechtlijnige stoïcijnen was dat niet het geval: die geloofden immers dat gezondheid, rijkdom, enzovoorts indiffe-rent waren en geen invloed hadden op het geluk van de ware sapiens).

Lessuggestie: eerste kennismaking met de Tusculanae Disputationes

In hoofdstuk 13 van Dictator, het derde deel van Robert Harris’ trilogie over het leven van Cicero, ontvangt Cicero een brief van zijn vriend Sulpicius (Epistulae

ad Familiares 4.5), waarin deze zijn vriend tracht te verzoenen met de dood van

zijn geliefde dochter Tullia door te wijzen op de vergankelijkheid aller dingen. Naar aanleiding van deze brief besluit Cicero om een werk te schrijven dat ons kan verzoenen, niet alleen met de dood van anderen, maar ook met de dood zelf. Cicero’s rechterhand Tiro, uit wiens perspectief de roman geschreven is, geeft vervolgens een korte inleiding op de Tusculanae, in drie of vier pagina’s goed lees-baar Engels. Dat Cicero na Tullia’s dood eigenlijk eerst zijn Consolatio,

Horten-sius (beide verloren), Academica (deels verloren) en De Finibus schreef, zien we

graag door de vingers.

37 Elders in dit nummer van Lampas gaat Marijne de Ferrante uitgebreider in op zijn ideeën en hoe deze kunnen worden gebruikt bij de behandeling van het CE-pensum Latijn 2018.

38 Vergelijk het advies van Super Grover aan het jongetje dat bang is voor de schaar van de kapper: ‘Of course it will hurt! But you must be brave, you must smile through your tears, you must en-dure the agony, bear the pain, ignore the ouchness!’

(12)

3   Passages in pensum CE Latijn 2018

Na deze verkenning van de Tusculanae in het algemeen, richten wij ons nu op die passages die deel uitmaken van het eindexamenpensum.

3.1 Tusculanae 1.96-104

Zoals we hebben gezien draait boek 1 van de Tusculanae om de vraag of de dood wel of niet een kwaad is. Cicero steekt zijn voorkeur voor de gedach-te dat de ziel onsgedach-terfelijk is niet onder stoelen of banken. Maar, zoals het een Academicus betaamt, houdt Cicero ook rekening met de andere mogelijk-heid, namelijk dat de ziel sterfelijk is (1.78). Deze gedachte is natuurlijk vooral epicureïsch, maar ook de stoïsche filosoof Panaetius heeft betoogd dat de ziel, hoewel deze na de dood van het lichaam nog enige tijd voortleeft, uiteindelijk ook sterft40 – een gedachte die door Cicero wordt bestreden. Welke visie ook

de juiste is, zo concludeert Cicero, voor de dood hoeven wij niet bang te zijn: ofwel de dood is geen kwaad, ofwel de dood is een verandering ten goede. De alleszins redelijke tegenwerping dat de dood een kwaad is omdat zij het ver-lies betekent van allerlei goede dingen (vergelijk 1.26, 83) – een tegenwerping die leerlingen ongetwijfeld ook zullen bedenken – wordt door Cicero overi-gens niet bevredigend weerlegd. Het probleem wordt enigszins verdoezeld wanneer Cicero schrijft dat het leven dikwijls gepaard gaat met lijden en dat de dood voor sommige mensen zelfs als een bevrijding komt, bijvoorbeeld voor Priamus en Pompeius – en misschien ook voor Cicero zelf, die zwaar lijdt onder de dood van zijn dochter (1.84-86).

Laten wij eens een blik werpen op 1.96-104, de capita van boek 1 die deel uitmaken van het pensum. In deze passage geeft Cicero een aantal voorbeel-den van mensen die de dood zonder angst tegemoet travoorbeel-den, waarbij de exem-pla niet alleen dienen ter illustratie, maar ook als argumenten in Cicero’s be-toog worden ingevlochten.

Het eerste voorbeeld is Theramenes (1.96), die behoorde tot de dertig tyran-ni die na de Peloponnesische Oorlog de dienst uitmaakten in Athene en die in 404 door toedoen van zijn minder gematigde partijgenoot Critias tot de gifbe-ker werd veroordeeld. Cicero’s bron (legimus) is waarschijnlijk Xenophons Hellenica 2.3.56. Nadat hij de giftige drank ‘als iemand die dorst heeft’ (ut sitiens) had gedronken, zo schrijft Cicero, ‘slingerde hij het restant op zo’n manier uit de beker, dat het rinkelde’ (een verwijzing naar het symposiastische

κότταβος-spel), waarbij hij Critias ‘toedronk’: het was gebruikelijk de naam te noemen van degene die de beker mocht overnemen, legt Cicero uit, dus eigen-lijk wenste Theramenes Critias op een geestige manier de dood toe. Maar mo-

(13)

gelijk is Cicero’s interpretatie van Xenophon op dit punt onjuist: het is even-goed mogelijk om Theramenes’ woorden op te vatten als een bitter ironische ‘liefdesverklaring’ aan het adres van Critias, temeer omdat deze zelf uiteraard niet aanwezig was.41

Cicero besluit deze anekdote met een retorische vraag: quis hanc maximi animi aequitatem in ipsa morte laudaret, si mortem malum iudicaret? (‘Wie zou deze gelijkmoedigheid van een grote geest, aan de dag gelegd op het moment zelf van het sterven, bewonderen, als hij de dood voor iets kwaads hield?’ 1.97) Theramenes’ onverschrokkenheid vloeit volgens Cicero dus voort uit de overtuiging dat de dood geen kwaad is. Deze retorische vraag ver-doezelt echter een problematische gevolgtrekking: (bewondering voor) The-ramenes’ speelse spitsvondigheid hoeft immers niet noodzakelijkerwijs ver-band te houden met diens opvattingen over de dood (het dood-zijn). Reeds in de 15e eeuw is door de humanist Camerarius geprotesteerd tegen Cicero’s

redenering:

immo vero, quis laudaret magno opere illam animi aequitatem, si mortem bonum iudicaret? nam virtus elucescit in adversis, gravibus calamitosisque casibus, non spectatur rebus prosperis et in molli vita

Integendeel, wie zou die geestelijke stabiliteit zozeer prijzen, als hij de dood als iets goeds beschouwde? Want moed schittert juist onder ongunstige, ernstige en rampzalige omstandigheden; zij springt niet in het oog onder gunstige omstandig-heden en een aangenaam leven.42

Ook wie, zoals Cicero, rationeel accepteert dat de ziel ofwel sterfelijk is, of-wel na de dood naar een beter hiernamaals vertrekt, kan immers hevig beang-stigd worden door de verschijning van Magere Hein. Het gaat hier veeleer om (bewondering voor) de kalmte, dapperheid of zelfs blijmoedigheid waarmee sommige mensen de dood (het sterven) tegemoet treden.43

De anekdote over Theramenes functioneert als opmaat voor Cicero’s vol-gende exemplum, namelijk Socrates; de overgang wordt expliciet gemaakt in de zin vadit in eundem carcerem atque in eundem paucis post annis scyphum Socrates eodem scelere iudicum, quo tyrannorum Theramenes (‘Enkele ja-ren later gaat naar dezelfde gevangenis en dezelfde beker Socrates, door zijn rechters even misdadig behandeld als Theramenes door de tirannen’, 1.97), waar het herhaalde eundem de overeenkomst benadrukt en eodem een cru-ciaal verschil: Theramenes werd door tyranni veroordeeld, Socrates door

41 Zie Dougan (1905) ad 1.96 pulchro.

42 Geciteerd uit Dougan (1905) ad 1.97 quis hanc. Eigen vertaling.

(14)

iudices, die natuurlijk beter hadden moeten weten!44 Vervolgens (1.97-99)

pa-rafraseert Cicero het slot van Socrates’ vermaarde verdediging (Plato, Apolo-gie 40c-42a); blijkens de formulering – oratio qua facit eum Plato usum (1.97) – realiseert hij zich terdege dat Socrates’ woorden van Plato zijn.

Lessuggestie: vergelijk 1.97-99 met Plato, Apologie 40c-42a

Het ligt voor de hand om Cicero’s passage te vergelijken met de corresponde-rende passage in Plato’s Apologie: een vergelijkingsopdracht kan leerlingen niet alleen bewust maken van Cicero’s omgang met Plato, maar kan ook simpelweg helpen om de Latijnse tekst beter te begrijpen. Twee voorbeelden mogen dat il-lustreren:

1 Cicero’s Socrates zegt dat hij na zijn dood graag Palamedes, Ajax en anderen die ten onrechte zijn veroordeeld zou willen ontmoeten (1.98). Het zou aar-dig zijn om aan leerlingen de vraag te stellen waarom. In de Apologie licht hij zijn wens als volgt toe: ‘Ik geloof echt dat het niet onaardig zou zijn om dan mijn ervaring te vergelijken met de hunne’ (41b).

2 Vervolgens zegt Cicero’s Socrates dat hij na zijn dood ook graag de wijsheid (prudentiam) van Agamemnon, Odysseus en Sisyphus op de proef zou stel-len (temptarem). In de ‘Vertaalhulp’ wordt uitgelegd wat temptare in het ge-val van Socrates inhoudt, maar volgens mij was het didactisch interessanter geweest om leerlingen dat te laten ontdekken door Cicero met Plato te ver-gelijken, waar Socrates zegt: ‘En het liefste was het me, als ik bij degenen die daar verblijven, zou kunnen onderzoeken en navraag doen naar wie van hen wijs is en wie het denkt te zijn, maar het niet is’ (41b).

Dan noemt Cicero een anonieme Spartaan,45 die de dood zozeer verachtte

dat hij voor zijn executie grapte dat hij blij was met zijn terdoodveroorde-ling, omdat hij deze straf tenminste kon betalen zonder geld te lenen (1.100)! Deze anekdote dient als opmaat voor andere voorbeelden van Spartaan-se doodsverachting en – een nieuw element – vaderlandsliefde. De passage ademt de geest van ‘the old lie’ van Horatius: dulce et decorum est pro patria mori (Oden 3.2.13). Het onderwerp pro patria mori wordt sluiks geïntrodu-ceerd door Cicero’s opmerking dat niet alleen Sparta, maar ook Rome zulke anonieme helden heeft voortgebracht, waarbij hij als voorbeeld de legioenen van Cato noemt, die wisten dat zij niet levend thuis zouden komen (in eum locum profectas, unde redituras se non arbitrarentur, 1.101).46 Cicero’s nadruk

44 De iudices die Socrates ter dood veroordeelden, staan in contrast met Minos, Rhadamanthus, Aeacus en Triptolemus, qui vere iudices appellentur (1.98).

45 Plutarchus noemt hem Thektamenes (Apophthegmata Lacedaemoniorum 224e).

(15)

op de overeenkomst (tales, ‘dergelijke mannen’, 1.101) verdoezelt een wezen-lijk verschil: in het geval van Theramenes, Socrates en de anonieme Spartaan is sprake van een terdoodveroordeling, in het geval van de Romeinse legio-nairs niet. Dan schakelt Cicero weer terug naar de Griekse wereld en volgt het bekende voorbeeld van de Slag bij Thermopylae, waarbij Cicero ook een vertaling geeft van Simonides’ beroemde epigram,47 en het voorbeeld van een

anonieme Spartaanse vrouw, die haar zoon ‘daarom ter wereld had gebracht, dat hij iemand zou zijn die niet zou aarzelen voor zijn vaderland te sterven’ (1.101).

Lessuggestie: Cicero’s vertaling van Simonides’ epigram 

Leerlingen die beide klassieke talen in hun pakket hebben, kunnen Cicero’s ver-taling met Simonides’ origineel vergelijken. Een opmerkelijk verschil is het accent op de waarneming (te vidisse), die ook uit de Latijnse accusativus cum participio constructie blijkt. Verder is het opmerkelijk dat de Spartanen zijn vervangen door het meer abstracte patria Sparta, en dat ῥήμασι wordt vertaald als legibus, die bo-vendien sanctis worden genoemd. Deze vergelijking legt dus ook Cicero’s Ro-meinse accent op vaderlandsliefde bloot.

  ὦ ξεῖν’, ἀγγέλλειν Λακεδαιμονίοις ὅτι τῇδε      κείμεθα τοῖς κείνων ῥήμασι πειθόμενοι.

dic, hospes, Spartae nos te hic vidisse iacentes, dum sanctis patriae legibus obsequimur.

Deze door de Romeinen bewonderde patriottische Todesbereitschaft hangt in Cicero’s optiek direct samen met de overtuiging van de betrokkenen ten aanzien van de dood. Zoals hij eerder in de Tusculanae schrijft: ‘zonder gro-te hoop op onsgro-terfelijkheid zou niemand ooit zijn leven voor het vaderland opofferen’ (nemo umquam sine magna spe inmortalitatis se pro patria offerret ad mortem, 1.32); en in 1.89 heeft hij een opsomming gegeven van beroemde Romeinen die voor het vaderland zijn gesneuveld, wat zij volgens Cicero niet zouden hebben gedaan als zij bevreesd waren geweest voor de dood. Deze exempla dienen in Cicero’s tekst dus niet alleen ter illustratie, maar werkelijk als argument: het feit dat zij bereid waren hun leven te geven voor Rome be-wijst dat de dood geen kwaad is.

Het precieze verband tussen de (passieve) gedachte dat de dood geen kwaad

Maior de Senectute 75: legiones nostras, quod scripsi in Originibus, in eum locum saepe profectas alacri animo et erecto, unde se redituras numquam arbitrarentur.

(16)

is en de (actieve) bereidheid om voor het vaderland te sterven, wordt door Ci-cero – althans hier – niet helemaal duidelijk gemaakt. Zoals we eerder hebben vastgesteld, gaat het op dit punt niet meer zozeer om de vraag of de dood (het dood-zijn) gevreesd moet worden, als wel om de vraag hoe wij de dood (het sterven) tegemoet moeten treden. Griekse filosofische opvattingen over de dood worden vervlochten met de traditionele Romeinse mores, die (militaire) virtus en patriottisme voorschrijven.48 Dit doet enigszins denken aan boek 2,

waar Cicero niet alleen stelt dat wij pijn (dolor) met virtus en fortitudo moeten verdragen (zie boven), maar ook dat (morele) virtus soms – met name in een militaire context – betekent dat wij de confrontatie met pijn vrijwillig moeten opzoeken. In het Somnium Scipionis, dat ook deel uitmaakt van het pensum, is de relatie tussen virtus, patria en immortalitas natuurlijk wel expliciet aan de orde: daar wordt gesteld dat een actief leven in dienst van het vaderland, een leven dat orde schept op aarde en zo verbonden is met de eeuwige orde van de kosmos, na de dood beloond wordt met een gelukzalig bestaan in de hemel.

De laatste vier exempla – Theodorus van Cyrene, Socrates, Diogenes en Anaxagoras (1.102-104) – illustreren wat Cicero eerder in boek 1 heeft beargu-menteerd de nihil sentiendo (1.102): na de dood heeft het lichaam geen sensus meer en kan dus ook niet meer lijden. Wat er na hun dood met hun lichaam ge-beurt, interesseert deze filosofen daarom geen zier. De regels over Socrates zijn gebaseerd op ‘het boek waarin hij sterft’, namelijk Plato’s Phaedo 115c-e.

3.2 Tusculanae 5.57-62

In het vijfde boek wordt, zoals gezegd, betoogd dat alleen virtus (‘morele kwa-liteit’) werkelijk gelukkig maakt. Deze stelling impliceert dat mensen die in mo-reel opzicht niet deugen, ook niet echt gelukkig kunnen zijn. De beroemde passage over Dionysius de Oudere (5.54-63), die vrijwel volledig in het eind- examenpensum Latijn 2018 is opgenomen, moet deze stelling illustreren. Hoe rijk en machtig deze tyrannus van Syracuse (405-367) ook was, hij werd voort-durend gekweld door angst en was dus niet werkelijk gelukkig; de anekdote over Damocles en het zwaard maakt deze permanente angst aanschouwelijk.

Het is opvallend dat Cicero zoveel aandacht schenkt aan Dionysius; geen ander exemplum in de Tusculanae wordt zozeer uitgewerkt. Misschien sprak Dionysius extra tot Cicero’s verbeelding omdat hij zelf als quaestor (in 75 v.Chr.) in Syracuse was geweest? In de passage die volgt (5.64-66) vertelt hij niet zonder trots hoe hij daar het overwoekerde graf van Archimedes heeft

48 Voor het contrast tussen Grieken en Romeinen zie Tusculanae 2.65, waar Cicero stelt dat Grie-ken over het algemeen beter in staat zijn om pijn in hun ziekbed te verdragen dan pijn op het slag-veld. Voor virtus zie Tusculanae 2.43: appellata est enim ex viro virtus; viri autem propria

max-ime est fortitudo, cuius munera duo sunt maxima, mortis dolorisque contemptio. (‘Want “virtus”,

(17)

ontdekt. Ook de schoonheid van de stad, waarnaar Cicero verwijst (qua pul-chritudine, 5.57), was Cicero uit eigen ervaring bekend; hij geeft een fraaie be-schrijving van Syracuse in zijn tweede redevoering tegen Verres (2.4.117-119).

Een meer aannemelijke verklaring houdt verband met de politieke situa-tie waarin Cicero zijn Tusculanae schreef. Zoals Verbaal overtuigend heeft betoogd, heeft de prominente plaats van Dionysius’ exemplum in boek 5 al-les te maken met de dictatuur van Caesar.49 Dat blijkt duidelijk als we kijken

naar de capita die onmiddellijk aan de passage over Dionysius voorafgaan (5.54-56). Om het contrast tussen onwijsheid (stultitia) en wijsheid (sapien-tia) te illustreren, roept Cicero daar vier bekende Romeinen uit het betrekke-lijk recente verleden in herinnering. Eerst contrasteert hij Cinna’s viervoudige consulaat (en terreur) met de politieke nederlaag (en integriteit) van Laelius, vervolgens Marius’ succes (en wreedheid) met de vrijwillige zelfdoding (en morele kwaliteit) van Catulus. Ondanks hun macht en succes, zo stelt Cicero, zou ieder weldenkend mens liever Laelius of Catulus willen zijn dan Cinna of Marius. En dan voert Cicero Dionysius ten tonele. Voor Cicero’s Romein-se publiek moet de boodschap duidelijk geweest zijn: Marius was zevenmaal consul geweest (107, 104-100, 86 v.Chr.), Cinna viermaal (87-84 v.Chr.). En wie volgt dan in deze reeks? Precies, Caesar, die in 45 v.Chr. voor de vierde maal tot consul was benoemd, ditmaal zelfs sine collega.

In tegenstelling tot Marius en Cinna wordt Dionysius niet aan een ander gespiegeld. Misschien omdat Dionysius zelf een gespleten karakter heeft. Ci-cero benadrukt dat Dionysius – evenals Caesar, denken wij hierbij – veel po-sitieve kwaliteiten had (5.57). Wat Dionysius in de Tusculanae ook onder-scheidt van Marius en Cinna is het inzicht in zijn eigen ongelukkige situatie. Dionysius is een tragische figuur omdat hij zich terdege bewust is van zijn ei-gen ongeluk. Wellicht wilde Cicero met zijn uitgewerkte portret van Diony-sius, via zijn Caesariaanse adressaat Brutus, Caesar een spiegel voorhouden en hem waarschuwen voor de gevaren van alleenheerschappij.50 Deze interpre-

tatie sluit overigens goed aan bij Gildenhards interpretatie van de Tusculanae als ‘an outraged protest against the dictator’.51

De beschrijving van Dionysius zelf is waarschijnlijk (mede) geïnspireerd door Plato’s bespreking van de psychische gesteldheid van een tiran in het negende boek van Staat, waarvoor Plato zich wellicht weer door Dionysius heeft laten inspireren.52 Cicero schrijft dat Dionysius zichzelf ‘in zekere zin in

49 Verbaal (2006). 50 Verbaal (2006: 152-153).

51 Gildenhard (2007: 2). Gildenhard was niet bekend met Verbaal (2006). Toch is het verwonderlijk dat de passage over de tiran Dionysius en Damocles in Paideia Romana überhaupt niet wordt besproken: Gildenhard interpreteert de Tusculanae immers als een aanklacht tegen Caesars tiran-nie. De verwijzing naar de verdrijving van Tarquinius Superbus in 4.1 duidt hij bijvoorbeeld als ‘an encoded call to arms’ (2007: 197).

(18)

een kerker had opgesloten’ (in carcerem quodam modo incluserat, 5.58), een metafoor die vermoedelijk direct aan Plato is ontleend (Staat 9.579b).

Lessuggestie: vergelijk Tusculanae 5.57-62 met Plato’s Staat 9.578c-580a 

Als de leerlingen de passage helemaal hebben vertaald kunnen ze aan de hand van Plato nog eens verder nadenken over de inhoud. Laat de Platoonse passage door twee leerlingen voorlezen. De overige leerlingen moeten verschillen en overeen-komsten zoeken tussen Plato’s typologische tiran en Cicero’s Dionysius. Het kan geen kwaad om leerlingen in aanraking te brengen met Plato en het onderwerp spreekt vermoedelijk tot de verbeelding.

Een aardig detail in Cicero’s tekst is de gracht met brug waarmee Dionysius zijn bed omgeven had: et cum fossam latam cubiculari lecto circumdedisset eiusque fossae transitum ponticulo ligneo coniunxisset, eum ipsum, cum forem cubiculi clauserat, detorquebat (‘Het echtelijk bed had hij omgeven met een brede gracht, waarover een houten bruggetje lag. En als hij de deur van de ka-mer had gesloten, liet hij die brug ophalen’, 5.59) In de hier geciteerde ver-taling van Verhoeven is sprake van een ophaalbrug, maar blijkens het Latijn heeft Cicero een draaibrug in gedachten. Bovendien suggereert de vertaling ‘liet [...] ophalen’ ten onrechte dat de gracht zich buiten Dionysius’ slaap- kamer bevond, terwijl deze zich binnen zijn slaapkamer bevindt – zodat Dionysius het bruggetje zelf moest wegdraaien.53 Dat blijkt ook uit Valerius

Maximus:

etiam cubicularem lectum perinde quasi castra lata fossa cinxit, in quem se ligneo ponte recipiebat, cum forem cubiculi extrinsecus a custodibus opertam interiore claustro ipse diligenter obserasset.

Ook zijn slaapkamerbed omringde hij zo, als was het een legerkamp, met een bre-de gracht. Daarin trok hij zich via een houten brug terug, nadat bre-de bre-deur van zijn slaapkamer door de bewakers aan de buitenkant gesloten was en door hemzelf met een slot aan de binnenkant zorgvuldig was vergrendeld.54

(Valerius Maximus, Facta et Dicta Memorabilia 9.13.ext.4)

Overigens vinden we in Valerius Maximus ook het verhaal dat Dionysius zich door zijn dochters liet kappen en scheren, aanvankelijk met een mes, toen zij

53 Het is hiervoor niet nodig om ipse in plaats van ipsum te lezen (een conjectuur van Rossbach); zie Dougan (1905) ad loc.

(19)

ouder waren met gloeiende notendoppen, omdat hij zelfs zijn eigen dochters niet vertrouwde.55

Lessuggestie: teken Dionysius’ slaapkamer

Geef leerlingen een papier met de Latijnse tekst, Verhoevens vertaling (zie boven) en de simpele opdracht: maak een tekening van Dionysius’ slaapkamer. Laat leer-lingen eerst individueel werken, daarna hun tekeningen vergelijken, en bepaal ten slotte in een klassikaal gesprek hoe Dionysius’ slaapkamer was ingericht en waar-om Verhoevens vertaling niet klopt. Ter vergelijking en verduidelijking kan ook het fragment van Valerius Maximus worden gebruikt (zie boven) en het volgende fragment van Ammianus Marcellinus:

aedemque brevem, ubi cubitare sueverat, alta circumdedit fossa, eamque ponte solubili superstravit, cuius disiectos asseres et axiculos secum in somnum abiens transferebat eosdemque conpaginabat lucis initio processurus

ook omgaf hij het kleine vertrek waar hij gewoon was te slapen met een diepe gracht en daarover bouwde hij een demonteerbare brug, waarvan hij de planken en de dwarsbalken meenam als hij ging slapen en weer in elkaar zette als hij vroeg in de morgen naar buiten kwam56 (Res Gestae 16.8.10)

Dionysius en Damocles komen ook voor in de eerste Romeinse Ode van Ho-ratius, waarin op epicureïsche wijze het eenvoudige geluk van de plattelands-bewoner wordt gecontrasteerd met het angstige leven in macht en politiek. Dat het zwaard boven het hoofd van Damocles de dreiging verbeeldt die Dio- nysius boven het hoofd hangt, wordt onderstreept doordat Horatius Damo-cles (ensis cui super [...] | cervice pendet) en Dionysius (inpia) als het ware tot één figuur heeft samengesmeed.

destrictus ensis cui super inpia cervice pendet, non Siculae dapes dulcem elaborabunt saporem, non avium citharaeque cantus

somnum reducent. somnus agrestium lenis virorum non humilis domos fastidit umbrosamque ripam, non Zephyris agitata Tempe.

55 Vergelijk ook Cicero, De Officiis 2.7.25: illum Dionysium [...] qui cultros metuens tonsorios

can-denti carbone sibi adurebat capillum (‘de bekende Dionysius [...] die zich, uit angst voor

(20)

Wie naar zijn snode hals het zwaard gericht ziet, heeft zelfs geen trek in kostelijke spijzen, geen zang van vogels en geen klank van citers vermogen hem de slaap terug te geven,

maar overzoete sluimer daarentegen vindt wél de weg naar armelijke woonsten van buitenvolk, naar schaduwrijke oevers of naar het winddoorruiste dal van Tempe.57

(Horatius, Oden 3.1.17-24)

Lessuggestie: Damocles in Cicero en Horatius

Leerlingen krijgen de Latijnse tekst van Horatius’ Oden 3.1.17-24 met de Neder-landse vertaling van Van Wilderode en een woordenboek. Ze beantwoorden indi-vidueel of in groepjes de volgende vragen:

1 Welk Latijns woord in regel 17 is niet vertaald? Vind je dat bezwaarlijk? 2 cui (17): Dionysius of Damocles of …? Motiveer je antwoord.

3 Hoe is Siculae (18) vertaald? Wat vind je van deze keuze?

4 impia cervice (18): deze woorden corresponderen én contrasteren met Cicero. Citeer het betreffende tekstelement en geef een korte toelichting. 5 non Siculae t/m cantus (18-20): welke heerlijkheden worden ook door

Cicero genoemd?

4   Conclusie

In de inleiding is opgemerkt dat Cicero zijn filosofische werken niet alleen geschreven heeft om de Griekse filosofie voor zijn mede-Romeinen toegan-kelijk te maken, maar ook om de Romeinse achterstand op het gebied van filosofische literatuur in te lopen en de filosofische inhoud op verschillende manieren te romaniseren. De eerste passage in het eindexamenpensum Latijn 2018 is daarvan een aardige illustratie: op een slimme manier vlecht Cicero een Romeins exemplum in de reeks Griekse exempla in, waarbij hij zijn eigen- lijke filosofische onderwerp (‘Is de dood wel of niet een kwaad?’) boven-dien verbindt met een thema dat veelvuldig figureert in de Romeinse didac-tische traditie (de bereidheid om voor het vaderland te sterven). Ook hebben we bij de bestudering van deze passage vastgesteld dat Cicero zijn retorische talent soms gebruikt om bepaalde filosofische problemen te verbloemen. In de inleiding is ook opgemerkt dat Cicero met zijn philosophica een didacti-sche bedoeling had. Daarvan is de passage over Dionysius van Syracuse een

(21)

goed voorbeeld. Het gedetailleerde portret van deze tiran dient niet alleen als bewijs voor de filosofische stelling dat immoraliteit ongelukkig maakt, maar ook als politieke waarschuwing aan het adres van Caesar. Enkele maanden nadat Cicero zijn Tusculanae had voltooid, zou het zwaard van Damocles in-derdaad op Caesar neervallen.

GLTC, Universiteit Leiden Doelensteeg 16 2300 RA Leiden j.soerink@hum.leidenuniv.nl

Bibliografie

Algra, K. 2000. ‘Achtergronden bij Cicero’s filosofische geschriften’, Lampas 33, 63-78.

Bartelink, G.J.M. [1964] 19937. Klassieke letterkunde. Overzicht van de Griekse en Latijnse literatuur,

met aandacht voor de wijsbegeerte en de wetenschap, Utrecht.

Boeft, J. den. 2000. ‘Philosophiam Latinis litteris illustrare. Cicero’s romanisering van een genre’, Lam -pas 33, 46-62.

Dougan, Th.W. (ed). 1905. M. Tulli Ciceronis Tusculanarum disputationum libri quinque. A revised

text with introduction and commentary and a collation of numerous mss. Vol. 1, books 1 and 2,

Cambridge.

Dougan, Th.W. en R.M. Henry (eds). 1934. M. Tulli Ciceronis Tuculanarum disputationum libri

quinque. A revised text with introduction and commentary and a collation of numerous mss. Vol. 2,

books 3-5, Cambridge.

Douglas, A.E. 1985. Cicero. Tusculan disputations 1. Edited with translation and notes, Warminster. Douglas, A.E. 1990. Cicero. Tusculan disputations 2 and 5 with a summary of 3 and 4. Edited with an

introduction, translation and commentary, Warminster.

Gildenhard, I. 2007. Paideia Romana. Cicero’s Tusculan Disputations, Cambridge.

Graver, M. 2002. Cicero on the Emotions. Tusculan disputations 3 and 4. Translated and with commen -tary, Chicago/Londen.

Hutchinson, G.O. 2013. Greek to Latin. Frameworks and contexts for intertextuality, Oxford. Jansen, T., F. Struyk en V. Hunink. 2017. Vita Beata. Passages uit het filosofisch werk van Cicero en

Seneca, Houten.

Klooster, J. 2017. Klassieke literatuur, Amsterdam.

Linden, J. van der. 1982. Marcus Tullius Cicero. De horizon van wel en wee. Vertaald, ingeleid en van

aantekeningen voorzien, Baarn.

Morford, M.P.O. 2002. The Roman Philosophers. From the time of Cato the Censor to the death of

Marcus Aurelius, Londen/New York.

Pfeijffer, I.L. 2000. De Antieken. Een korte literatuurgeschiedenis, Amsterdam. Rooijen, H.W.A. van, en A.D. Leeman. 1989. Cicero. De ideale redenaar, Amsterdam. Schofield, M. 2009. Recensie van Gildenhard (2007), The Classical Review 59, 128-130.

Tieleman, T. 2017. ‘Signalementen. De filosofie van Cicero en Seneca (CE-pensum Latijn 2018)’, Lam -pas 50, 190-196.

Verbaal, W. 2006. ‘Cicero and Dionysios the Elder, or the End of Liberty’, The Classical World 99, 145-156.

Verhoeven, C. 1980. Marcus Tullius Cicero. Gesprekken in Tusculum. Vertaald, ingeleid en van aan -tekeningen voorzien, Baarn.

(22)

1 Inzending kopij

Zend uw kopij per e-mail naar: lampas@verloren.nl

2 Omvang

Een artikel in Lampas bevat maximaal 7.500 woorden inclusief voetnoten en bibliografie.

3 Stijl en opmaak

Houd de opmaak zo eenvoudig mogelijk. Gebruik geen afkortingen. Een heldere struc-tuur wordt op prijs gesteld (liefst met tussenkopjes).

4 Citaten van en verwijzingen naar Griekse en Latijnse teksten

Geef Griekse eigennamen in Latijnse vorm (Aeschylus, Thucydides). Vertaal Griekse en Latijnse citaten. Plaats vertalingen tussen enkelvoudige aanhalingstekens. Cursiveer Latijnse citaten. Zet langere citaten (meer dan 20 woorden) als bloktekst: ingesprongen en door witregels van de hoofdtekst gescheiden. Gebruik in verwijzingen alleen Arabische cijfers (1, 2, 3).

5 Citaten van en verwijzingen naar secundaire literatuur

Verwijs naar secundaire literatuur volgens het auteur (jaartal: pagina)-systeem. Bij voor-beeld: ‘Feeney (2007: 92-96) stelt dat ...’; ‘vergelijk Slings (1997: 107 n. 17)’. Zet lange ci ta ten (meer dan 20 woorden) als bloktekst (zie boven), korte citaten tussen enkele aan halingstekens.

6 Bibliografie

De literatuurlijst bevat uitsluitend de in uw artikel genoemde auteurs. Geen afkortingen. Opmaak:

Artikel in bundel:

Slings, S.R. 1997. ‘Figures of Speech and their Lookalikes. Two further exercises in the pragmatics of the Greek sentence’, in E.J. Bakker (ed.), Grammar as

Interpretation. Greek literature in its linguistic context, Amsterdam, 169-214.

Artikel in tijdschrift:

Hemelrijk, E.A. 2007. ‘Local Empresses. Priestesses of the imperial cult in the cities of the Latin West’, Phoenix 61, 318-349.

Boek:

Jong, I.J.F. de. 2001. A Narratological Commentary on the Odyssey, Cambridge.

7 Samenvatting, correspondentieadres en auteursinformatie

Bij uw artikel levert u (1) een Engelstalige samenvatting (maximaal 200 woorden), (2) uw correspondentieadres (post en e-mail) en (3) een beknopte biografie (functie, affiliatie, onderzoeksgebied en publicaties, maximaal 70 woorden).

8 Illustraties

(23)

Inhoud

Lampas 51 (2018) 1

Van de redactie 1

Egbert Bakker Wraak en gerechtigheid in de Odyssee 3 Casper de Jonge Homerische sprekers 26

De retorica van Odysseus, Calypso en Polyphemus

Baukje van Eustathius over Homerische goden, de plausibiliteit 43 den Berg van de Ilias en de deskundigheid van Homerus

Jörn Soerink Hoe word ik gelukkig? 61

Cicero’s Tusculanae Disputationes

Marijne de Didactische rubriek 80 Ferrante De stoa of een zelfhulpgoeroe?

Op zoek naar het geluk met het CE Latijn 2018

Figure

Updating...

References

Updating...

Related subjects :