‘hetgeen zij hier zeggen moet door geheel Nederland worden gehoord’ De Handelingen van de Tweede Kamer, 1849-1985

Full text

(1)

1

‘hetgeen zij hier zeggen moet door geheel Nederland

worden gehoord’

De Handelingen van de Tweede Kamer, 1849-1985

(2)

2 ‘hetgeen zij hier zeggen moet door geheel Nederland worden gehoord’. De Handelingen van

de Tweede Kamer, 1849-1985. Rosalie Maxime Bedijn

S1219499 Julianastraat 47B 2202 KC Noordwijk rosaliebedijn@gmail.com

Masterscriptie Dr. D.E.J. Smit

14 juli 2020

(3)

3

Inhoud

Inleiding ... 4

Hoofdstuk 1: De basis gelegd. Verslagen van de Tweede Kamer van 1815 tot 1849. ... 8

Hoofdstuk 2: Een moeizaam begin. De Handelingen van de Tweede Kamer van 1849 tot 1900 ... 17

2.1 De kwaliteit der snelschrijverij ... 17

2.2 Het bijblad maakt plaats voor Handelingen ... 20

2.3 Uitgave eerdere Handelingen ... 21

2.3 De Handelingen in het politieke landschap ... 23

Hoofdstuk 3: Een solide stenografische dienst in een turbulente wereld. De Handelingen van 1900 tot 1940. ... 26

3.1 Een solide stenografische dienst ... 26

3.2 Ontoelaatbaar taalgebruik ... 29

3.3 Invloed van media en het politieke landschap ... 32

Hoofdstuk 4: De vooruitgang zelf zijn. De Handelingen van 1945 tot 1985 ... 35

4.1 De Stenografische Inrichting na vijf jaar stilte ... 35

4.3 Technologie ... 41

4.4 Politieke duiding ... 42

Conclusie ... 44

Bibliografie ... 48

Tabel 1: Aantal stenografen in dienst van de Kamer ... 51

Tabel 2: Omvang Handelingen ... 51

(4)

4

Inleiding

‘Het weergeven van wat een ander zegt is geen scheppend werk en dat doet de kwaliteiten

onderschatten waarover een stenograaf moet beschikken. Zonder brede ontwikkeling en een snel werkende intelligentie, wordt men het niet. En leeft men dan bij alles wat men hoort zo intens mee als ik placht te doen, dan is het op vele gebieden een uitnemende leerschool.’1

Willem Drees is één van de bekendste politici uit de Nederlandse geschiedenis. Wat velen niet van hem weten is dat hij, voordat zijn politieke carrière begon, stenograaf was voor het Nederlandse parlement. Twaalf jaar lang was Drees werkzaam als parlementsstenograaf van de Staten-Generaal, van 1902 tot hij in 1919 wethouder van Den Haag werd. Deze baan was voor hem naar eigen zeggen een ‘uitnemende leerschool’. Drees bevond zich al voor zijn politieke carrière aanving in het middelpunt van de Nederlandse politiek. Zo memoreert hij: ‘Ik maakte allerlei figuren mee, die nu een legende zijn geworden: Kuyper, Troelstra, De

Savorin Lohman, Van Houten, Heemskerk, Talma.’ En van deze spraakmakende politici kon hij veel leren.2

Het is nu heel verleidelijk om dit onderzoek aan Willem Drees en de leringen die hij vanuit zijn werk als stenograaf meenam in zijn verdere loopbaan te wijden. Of dit onderzoek te wijden aan spannende politieke figuren of debatten die op het scherpst van de snede werden gevoerd in het parlement. Dit onderzoek gaat daar echter niet op in. Het gaat over de

verslaggeving van al deze debatten met daarin de spannende politieke figuren en

onderwerpen. Deze verslagen worden de Handelingen van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal genoemd.

Sinds 1815 zijn de vergaderingen van de Staten-Generaal openbaar. Er werd van deze vergaderingen geen officieel verslag gemaakt. De Handelingen worden pas sinds 1847 opgeschreven en opgesteld door stenografen. Deze documenten bevatten de woordelijke teksten van de debatten en de uitslagen van stemmingen over wetsvoorstellen en moties. Deze verslagen zijn de hoeksteen van de openbaarheid van ons democratisch bestel. De

verslaggeving van de vergaderingen vormt een cruciaal onderdeel van de ambtelijke

ondersteuning bij het constitutionele proces en wordt ook veelvuldig gebruikt als bron door journalisten, historici en andere wetenschappers. Toch is er geen overzichtswerk die deze

1 Willem Drees et al. Drees : Neerslag Van Een Werkzaam Leven : Een Keuze Uit Geschriften, Redevoeringen,

Interviews En Brieven Uit De Jaren 1902-1972 Van Dr. W. Drees. (Assen,1972) 12.

(5)

5 verslaggeving nauwkeurig onderzoekt door de jaren heen en verschillen en veranderingen aanduidt. Eén van de werken die het meest in de buurt komt van een overzichtswerk is het boek van Bonenkamp over de Stenografische Dienst. Dit is een jubileumboek gemaakt ter gelegenheid van het 150 jarig bestaan van de dienst die verantwoordelijk was voor de productie van de Handelingen. Doordat de Stenografische Dienst centraal staat, krijgen de verslagen ook volle aandacht. Dit werk beperkt zich echter tot het werk en de structurele veranderingen van deze ondersteuningsdienst, en gaat niet uitvoerig in op de veranderingen en ontwikkeling van de Handelingen zelf.3 Het jubileumboek ter ere van het 125 jarig bestaan van de Stenografische Dienst is minder uitvoerig dan zijn opvolger. In Wandelingen door de Handelingen licht dr. N. Cramer verschillende passages uit de Handelingen uit die belangrijke gebeurtenissen in de politieke geschiedenis zijn. Behalve een kort inleidend woord en enkele passages wordt de focus vooral gelegd op de politieke gebeurtenissen die zich afspelen in de Handelingen en niet op de verslagen zelf.4

Eén publicatie is te vinden waar een deel van de Handelingen centraal staan. In het boek Over Lijken : Ontoelaatbaar Taalgebruik in De Tweede Kamer lichten Bootsma en Hoetink een deel van deze handelingen uit, namelijk de zogenaamde ‘lijken’ van het parlement.5 Naast deze publicaties zijn ook enkele passages over de Handelingen of de Stenografische Dienst te vinden in Remieg Aerts (et al.) In dit Huis. Tweehonderd jaar Tweede Kamer en in De Rode Wethouder van Gaemers.6 Slechts fragmenten van de Handelingen staan centraal in deze werken; Een overzichtswerk waar het geheel van de verslagen van het parlement centraal staan ontbreekt.

Dat er nog geen overzichtswerk bestaat is opmerkelijk. Deze bron wordt veelvuldig gebruikt in onderzoek van onder anderen historici, politicologen, bestuurskundigen. De bron is bovendien toegankelijk voor iedereen. Dit overzichtswerk is dus weldegelijk nodig, omdat het de nodige bronkritiek levert op een bron die veel gebruikt wordt en door de tijd heen is veranderd. De Handelingen zijn door de jaren heen van omvang veranderd. De omvang was in het parlementaire jaar 1859-1860 1200 bladzijden en bevatte in het jaar 1955 maar liefst 4800 bladzijden. Dit is een toename van 300%, terwijl de vergaderingen maar met 50% waren toegenomen tijdens deze periode.7 Niet alleen de omvang van de verslagen is toegenomen,

3B.J Bonenkamp, Zwijgend Medewerker en Aandachtig Luisteraar : 150 Jaar Stenografische Dienst Der Staten-Generaal. (Den Haag, 1999).

4 N. Cramer, Wandelingen door de Handelingen (Den Haag, 1975).

5 P. Bootsma en C. Hoetink. Over Lijken : Ontoelaatbaar Taalgebruik in De Tweede Kamer. (Boom, 2006). 6 Remieg Aerts, Carla van Baalen, Joris Oddens, Diederik Smit, Henk te Velde ed., In dit Huis. Tweehonderd

jaar Tweede Kamer (Amsterdam 2015) en Gaemers, De Rode Wethouder .

(6)

6 ook de omvang van de Stenografische Dienst der Staten-Generaal. In 1850 waren er tien stenografen in dienst, in 1955 achttien, en rond 2000 waren er ongeveer 55 stenografen in dienst.

Veranderingen zijn ook te bespeuren als we naar de tekst van de Handelingen zelf gaan kijken. De Handelingen over de periode 1814-1847 zijn later gereconstrueerd op basis van beknopte verslagen in kranten, aantekeningen van Kamerleden en de geschreven notulen van de Tweede Kamer. Een belangrijke verandering die werd ingevoerd was de

schrapbepaling. In 1934 werd in het nieuwe Reglement van Orde bepaald dat ontoelaatbaar taalgebruik geschrapt kon worden uit de handelingen door de Kamervoorzitter. Dit werden de ‘lijken’ van het parlement genoemd. Deze schapbepaling werd in 2001 afgeschaft.8 Naast de

schapbepaling en de reconstructie kwam het ook meer dan eens voor dat de stenografen de sprekers niet goed konden verstaan. Een spreekgestoelte bestond lange tijd niet, dus het was soms lastig te verstaan voor stenografen. Men sprak vaak vanuit het eigen bankje. Tot aan 1992 vergaderde de Tweede Kamer in de voormalige balzaal van het stadhoudelijk paleis, en hierna verhuisde ze naar een huidige zaal.9

Niet alleen veranderingen in de verslagen zelf zijn interessant om te bestuderen. De reden waarom deze veranderingen werden gemaakt en hoe deze tot stand zijn gekomen zijn logische en interessante vervolgvragen. Deze veranderingen in de Handelingen kunnen ons wellicht iets zeggen over de politieke cultuur die er toentertijd heerste, of de manier waarop men over openbaarheid dacht. Centraal staat de vraag: Hoe en waarom zijn de Handelingen van de Tweede Kamer veranderd van 1849 tot 1985 en in hoeverre speelt het veranderende beeld over openbaarheid en de politieke cultuur een rol hierin?

Om niet verzand te raken in de immense omvang van de Handelingen van de gehele Staten-Generaal is er gekozen om de focus te leggen op de Handelingen van de Tweede Kamer en de Eerste Kamer achterwege te laten. In het eerste hoofdstuk wordt het proces vóór de invoering van de verslagen besproken. Wat bestond hiervoor aan verslaggeving? Wat maakte het dat de handelingen werden ingevoerd? De periode van 1815 tot 1849 staan

centraal en dit geeft de nodige context voor de volgende hoofdstukken. De eerste honderd jaar na de invoering van de Handelingen staan in het tweede en derde hoofdstuk centraal. In het vierde hoofdstuk staan we stil bij een kortere periode; namelijk de ontwikkelingen in de verslagen van 1945, net na de oorlog, tot 1985, voorafgaand aan een uitgebreid

(7)

7 automatiseringsproject van de verslagen. Het begin van het automatiseringsproject, dat de facto een einde maakte aan de papieren Handelingen, is een mooi eindpunt voor dit

onderzoek. De vraag hoe de Handelingen zijn veranderd, en met name waarom staat centraal in alle hoofdstukken. Belangrijke aspecten uit de desbetreffende tijd worden ook behandeld in de hoofdstukken, zoals de oprichting van de Stenografische Dienst en de invoering van de schrapbepaling. Technologische ontwikkelingen en politieke cultuur zijn ook belangrijke aspecten in de hoofdstukken.

De politieke cultuur wordt in de breedste zin gedefinieerd, maar zal aangezien de Handelingen centraal staan zich vaak richten op de ‘high politics’ en het politieke systeem.

Ook de rol van de media in de politieke cultuur en hun invloed op de Handelingen meegenomen worden in de analyse. Om de politieke cultuur te duiden zal er ook gebruik worden gemaakt van verschillende historische werken. Land van kleine gebaren van Aerts (et al.), Het beginsel van leven en wasdom van Ido de Haan, en Republiek van rivaliteiten en Ons stipje op de waereldkaart van Piet de Rooy zijn allen toonaangevende werken die de politieke cultuur en politieke ontwikkelingen in Nederland beschrijven. Ido de Haan richt zich in zijn werk alleen op de 19e eeuw, waar Aerts (et al.) en De Rooy ook de 20e, en soms 21e eeuw behandelen in hun werk. Naar het voorbeeld van Piet de Rooy zal er aandacht zijn voor de politieke cultuur en politieke ontwikkelingen in een internationale context. De invloed van lokale en internationale ‘Handelingen’ worden vanzelfsprekend ook meegenomen in de

analyse.

(8)

8

Hoofdstuk 1: De basis gelegd. Verslagen van de Tweede Kamer van

1815 tot 1849.

In het jubileumboek zwijgend medewerker en aandachtig luisteraar is Bonenkamp van mening dat ‘de openbaarheid van de vergaderingen van de Eerste Kamer en de Tweede Kamer pas tot haar recht komen als er snel een volledig verslag kon worden geleverd’.10 Dit

verslag werd vanaf 1849 geleverd door de net opgerichte Stenografische Inrichting, maar had nog niet de vorm die snel en volledig genoeg is voor de hedendaagse standaard die we

hebben. Om goed te kunnen begrijpen waarom en in welke vorm de Handelingen en de stenografische inrichting zijn opgericht, is het van belang te kijken naar de voorgeschiedenis. Wat voor verslaggeving bestond er voor de Handelingen door een dienst van de Staten-Generaal werden gemaakt? Waarom heeft het parlement gekozen voor deze manier van verslaglegging? Hoe kwam dit tot stand?

In de grondwet van 1815 werd in artikel 108 opgenomen dat de vergaderingen van de Tweede Kamer openbaar waren. En daar bleef het niet bij; Vanaf 1815 was er een redacteur van de Nederlandsche Staats-Courant in de zaal aanwezig met de opdracht om verslagen te maken. Aan beide kanten van de voorzitterszetel konden de redacteurs de verslagen van de debatten optekenen. Op die verslagen bestond echter censuur. De verslagen moesten de goedkeuring krijgen van de minister van Binnenlandse Zaken met als gevolg dat de verslagen lang op een akkoord moesten wachten. Als de verslagen eenmaal werden gepubliceerd waren ze zo verouderd dat er weinig interesse in was. Daarnaast sloot de regering ook alles uit wat ze liever niet gepubliceerd wilde hebben. ‘Vooral wilde men geen uitvoerigheid, want men beschouwde vrij algemeen die openbaarheid als een nutteloze en schadelijke zaak, alleen geschikt om de nieuwsgierigheid bij eenige weinigen te voldoen en de zucht bij anderen om door welbespraaktheid uit te schitteren!’ 11

De verslagen in de Staats-Courant werden in toenemende mate als onvoldoende beschouwd en rond 1847 kwam vanuit de Tweede Kamer een algemene wens tot uiting dat er een volledig overzicht van het verhandelde in het parlement zou moeten worden uitgegeven. De welbekende ‘negenmannen’ van 1844 behoorden ook tot deze voorstanders, al waren zij niet de enigen. De huishoudelijke commissie ging in juli 1847 in overleg met de regering en

10 B.J Bonenkamp, Zwijgend Medewerker en Aandachtig Luisteraar (Den Haag, 1999) 11.

11 B.J Bonenkamp, Zwijgend Medewerker en Aandachtig Luisteraar (Den Haag, 1999) 31-2 en Remieg Aerts (et

al) In dit Huis. Tweehonderd jaar Tweede Kamer (Amsterdam 2015) 224, Het duurde gemiddeld 1,5-2

(9)

9 kwam terug met het voorstel om een bijblad te maken bij de Staats-Courant.12 De

wetsontwerpen, verslagen, antwoorden van de regering en andere stukken die bij de Kamer ingekomen en behandeld waren, konden in dit bijblad verschijnen. In plaats van een kort verslag in de Staats-Courant zou er ook een volledig verslag verschijnen van de

vergaderingen in dit bijblad. Met ingang van 17 oktober 1847 gaf de Staats-Courant deze uit.13

De Handelingen kregen door deze maatregel een aanzienlijke uitbreiding, maar dit was slechts een tussenstap. De vertraging en onnauwkeurigheid van het Bijblad, dat gebruik maakte van tachygrafie, werden als vervelend ervaren. Thorbecke stelde in 1849 voor dat de commissie tot herziening van het Reglement van Orde der Tweede Kamer haar zienswijze hierover zou geven.14 Hun eerste advies was dat de tachygrafie vervangen moest worden door stenografie zodat de verslagen nauwkeuriger konden worden opgemaakt:

‘Dit doel kan geen ander zijn, dan het tot stand brengen eener zoodanige inrigting, waardoor

het mogelijk wordt, om al wat in eene openbare zitting der Kamer gezegd en verhandeld is, met de meeste volledigheid en juistheid door den druk gemeen te maken, uiterlijk binnen vier en twintig uren na den afloop dier zitting; met andere woorden, het verslag van iedere zitting […] moet door ieder burger van den staat […] daags daaraan gelezen kunnen worden.’15

Om dit te bereiken werd als argument gegeven dat omringende constitutionele landen wél over een goede verslaggeving door stenografie beschikten:

‘Omtrent de bereikbaarheid van het doel […] kan, als men let op hetgeen in de ons

omringende constitutionele rijken plaats vindt, moeijlijk eenige twijfel bestaan. In al die landen wordt toch het verslag van het verhandelde in de wetgevende vergaderingen met dien spoed en tevens met die volledigheid openbaar gemaakt, welke de commissie een volstrekt vereischte acht. Intusschen moet erkend worden, dat men dáár te dezen aanzien een voorregt bezit, hetwelk Nederland tot nu toe geheel of grotendeels mist.’16

12 Deze commissie bestond uit Duymaer van Twist (‘pragmatisch’ liberaal), Nedermeijer ridder van Rosenthal

(‘pragmatisch’ liberaal), Backer (‘pragmatisch’ liberaal) en Fokker (liberaal, thorbeckiaan).

13 B.J Bonenkamp, Zwijgend Medewerker en Aandachtig Luisteraar (Den Haag, 1999) 32-5.

14 Commissie bestond uit Thorbecke, Duymaer van Twist (‘pragmatisch’ liberaal), Nedermeijer ridder van

Rosenthal (‘pragmatisch’ liberaal), Backer (‘pragmatisch’ liberaal) en Fokker (liberaal, thorbeckiaan)

15Bijblad tot de Nederlandsche Staatscourant: Verslagen van de Handelingen der Staten-Generaal, 27 april

1849, bijlage XII. 8.

(10)

10 De commissie had gelijk. De stenografie was al eerder ingevoerd in veel andere Europese landen en het Verenigd Koninkrijk gold in dit opzicht als bakermat. Dit kwam de

openbaarheid van het parlement in deze landen ten goede. Voor 1800 waren er al stenografen die met goedkeuring van de Houses of Parliament verslagen voor dagbladen maakten. In de herbouw van het parlement in 1834 werd er zelfs een speciale tribune voor ze ingericht in de House of Commons. In 1813 besloten beide Engelse kamers om een stenograaf aan te stellen. De familie Hansard was een van de bekendste families die verslag deed van deze

parlementaire vergaderingen. Ze deden verslag tot 1889. De naam Hansard is nog steeds verbonden aan de verslaggeving van het Britse parlement. Ook betekend ‘to hanzardize’ dat je een parlementslid confronteert met de eerder gedane uitspraken. Niet alleen in het Verenigd Koninkrijk was de verslaggeving al geruime tijd geregeld. Al ten tijde van de Franse

Revolutie deden twaalf stenografen verslag van de États-Généraux en in 1850 waren er al 50 stenografen in dienst van het toenmalige Franse parlement. Hier was de verslaggeving, in tegenstelling tot het Verenigd Koninkrijk, niet particulier belegd. In de eerste helft van de negentiende eeuw werd in de Duitse Bond ook al de stenografie ingevoerd.17

In Nederland had de familie Belinfante het op zich genomen om korte verslagen van debatten te maken voor particuliere bladen. Jacob Belinfante en zijn zonen Isaac en Joseph richtten in 1837 het persbureau Belinfante op om zich te kunnen richten op het maken van deze parlementaire verslagen. Toch werd deze familie niet zoals de familie Hansard in het Verenigd Koninkrijk aangewezen om de parlementaire verslagen te maken. In politieke kringen was men ontevreden over de waarheidsgetrouwheid van de verslagen van het pershuis Belinfante, omdat men zich richtte op de lezer van de dagbladen in plaats van de

waarheidsgetrouwe weergave van het debat. Ook bij de pers was er onvrede over de monopolie van de familie. De parlementaire pers en de verslaggeving van de debatten moesten gescheiden worden. Deze scheiding werd in 1856 goed zichtbaar in de zaal doordat de pers links van de voorzitter een eigen plek kreeg op de publieke tribune. 18

De commissie had met de verwijzing naar omliggende landen dus een valide argument om een stenografische dienst in Nederland in te willen voeren. En men had uit eigen ervaring

17Simon Schama, A History of Britain (Londen, 2001), vol 2, 77, waar hij zegt “Reports of speeches would not

be printed until the Long Parliament in 1642”, het parlementaire nieuws werd al gemaakt via de ‘sixpenny separates’ vanaf ongeveer 1620 en B.J Bonenkamp, Zwijgend Medewerker en Aandachtig Luisteraar (Den Haag, 1999) 17-26, en John Vice en Stephen Farrell, The History of Hansard, (Londen, 2017) 4-25.

18 H. Wijfjes, ‘Koningin der aarde in het parlement. Twee eeuwen journalistiek rond de Tweede Kamer’ in:

(11)

11 ook argumenten om dit te laten doen door een eigen niet-omkoopbare dienst. Dit had tot gevolg dat er een wetsontwerp ingediend moest worden door de minister van Binnenlandse Zaken, Mr. J.M. de Kempenaer, om de Staatsbegroting van 1849 te verhogen. De minister moest door de Tweede Kamer vaak aan zijn toezegging worden herinnerd door onder anderen de heren Lotsy, Van Rijckevorsel, Van Eck en De Monchy.19 De heer Van Rijckevorsel vroeg zich in een debat hardop af waar het Bijblad nu voor diende, want hij had tijdens het debat op 17 juli 1849 graag het verslag van de vorige zitting van december 1848 nageslagen:

‘Maar helaas! Dit is mij ondoenlijk geweest, daar in het Bijblad van de Staats-Courant het verslag van het gebeurde in de vergadering van den 18den december 1848 nog niet in zijn geheel is geleverd, en van die zitting alzoo slecht een onvolledig stuk bestaat, zoodat men nog niet weet of dat Bijblad enkel als scheurpapier is te beschouwen, dan wel of het later

aangevuld zal worden. Ik moet vragen waartoe dient dat Bijblad? Voorzeker niet voor de liefhebbers van het dagelijksch nieuws, wat daarvoor komt het veel te laat en te ongeregeld uit.’20

De minister verzekerde meermalen dat hij snel recht zou doen aan het ingediende wetsontwerp. Kort na de vergadering van 17 juli werd een mededeling door de minister gedaan over de kosten van de invoering van de stenografie voor de Staten-Generaal. De uitgaven zouden aanzienlijk worden. De eenmalige kosten zouden 10.000,- zijn en de jaarlijkse uitgave zou neerkomen op 18.300,-. Dit hoge bedrag was volgens Bonenkamp een duidelijke truc van de minister in de hoop dat de Kamer terug zou schrikken door de kosten en niet zou overgaan tot het instellen van de dienst. De Kempenaer hoorde bij het

negenmannengezalschap, maar was vanaf 1853 conservatief geworden. Iets dat wellicht een verklaring geeft voor de weerstand tegen dit wetsontwerp.21

De Kamer schrok echter niet van de kosten; het wetsontwerp werd op 12 september 1849 besproken. Dit wetsontwerp maakte het mogelijk om een Stenografische Dienst in te stellen. Met een ruime meerderheid van 47 stemmen voor en 3 stemmen tegen werd het wetsontwerp op 24 september 1849 tot wet gemaakt. Deze ruime meerderheid in de stemming

19 B.J Bonenkamp, Zwijgend Medewerker en Aandachtig Luisteraar (Den Haag, 1999), 49 en Bijblad, 14 juli

1849, 596-598; 17 juli 1849, 616, 619, 621. Door Lotsy (‘pragmatisch’ liberaal), Van Rijckevorsel (‘pragmatisch’ liberaal), Van Eck (‘Thorbeckiaans’liberaal) en De Monchy (‘pragmatisch’ liberaal).

20Bijblad, 17 juli 1849, 616.

(12)

12 was al voorzien.22 De commissie van rapporteurs, bestaande uit Poortman, Godefroi, Le Clerq, Thorbecke en Fokker, schreef voorafgaand aan dit debat al:

‘Omtrent het nut der zaak, die het hier geldt, heeft bij het plaats gehad hebbend onderzoek onder de leden der Kamer naauwelijks eenig verschil van gevoelen geheerscht.’23

De steun verwachtten men omdat openbaarheid en toegankelijkheid van de Staten Generaal volgens hen een belangrijk verankerd aspect in dat in de grondwet was. Zoals de commissie van rapporteurs concludeerde:

‘De openbaarheid der beraadslagingen van de wetgevende Kamers is eene hoofdvoorwaarde

van den vertegenwoordigden regeringsvorm en staat met zoovele woorden in onze Grondwet geschreven. Die openbaarheid bestaat dan alleen, wanneer iedere burger van den Staat, die in het algemeene zaak belang stelt, op hetzelfde tijdstip, dat een onderwerp bij de wetgevende Kamers behandeld wordt en daardoor de algemeene aandacht tot zich trekt, gelegenheid heeft zich met het deswege verhandelde volkomen en in al de bijzonderheden bekend te maken.’24

In het debat op 12 september 1849 kon het wetsontwerp veel steun vinden in de Kamer om deze redenen. Een spannend debat of stemming verwachtten de Kamerleden niet. Dr. P.J. Costerus opent als eerste spreker met deze woorden25:

‘Wanneer ik mijne stemming op dit ogenblik vergelijk bij die der vorige week, toen wij over

een hoogst gewigtig onderwerp te beslissen hadden, dan durf ik die buitengemeen kalm te noemen, ja ze vergelijken met den toestand van iemand, die uit eene woelige zee eensklapt in een stil water is overgevoerd […] ik kan mij toch niet voorstellen, dat de behandeling er van de hartstogten zal opwekken.’26

Het debat verliep verder inderdaad rustig en ging meer over nuanceverschillen over de vorm van verslaggeving dan over het openbaar maken van de verslaggeving zelf. Costerus betoogde

22Bijblad, 16 juli 1849, 601. 23Bijblad, 13 aug 1849, 228-230. 24 Ibidem 228-230.

25 P.J. Costerus werd tot de ‘pragmatische’ liberalen gerekend.

<https://www.parlement.com/id/vg09lkzhc5zg/p_j_costerus>

(13)

13 bijvoorbeeld nog steeds voorstander te zijn van de tachygrafie in plaats van de stenografie. Spoedige en nauwkeurige verslagen hadden zeker zijn voorkeur, maar dat iedere burger deze binnen vierentwintig uur zouden kunnen lezen door de invoering van stenografie niet.

‘Engelse kranten zijn vervuld met klachten over de verslagen van het Engelse Parlement’

redeneerde hij.27 De stenografie begon volgens het Kamerlid in andere landen al in diskrediet te raken. Ook andere Kamerleden haalden internationale voorbeelden aan in hun betogen, maar dan om andere redenen. Volgens Mr. D. van Eck en baron Sloet tot Oldhuis (beiden Thorbeckianen) liep Nederland achter als men de verslaggeving van het parlement vergeleek met andere ‘beschaafde natien’.28 Daar moest volgens hen snel verandering in komen:

‘de beslissing daaromtrent zal tevens ook de beslissing zijn der vraag, of wij een stap voor- of

wel een stap achterwaarts zullen gaan, de beslissing der vraag, of wij in waarheid openbaarheid willen en gevolg wensen te geven aan de voorschriften der Grondwet.’29

Van Eck was het eens met de commissie van de rapporteurs; dit was een logisch gevolg van datgene dat in de grondwet staat. In het debat spraken Kamerleden dit niet tegen of zagen dit als liberaal gedachtegoed, maar ondersteunden dit juist. Ook door antirevolutionair Mr. Dr. Groen van Prinsterer:

‘de zaak behoort tot de openbaarheid, tot de publiciteit in constitutioneelen zin, gelijk zij door de grondwet bij het staan van een constitutioneel gouvernement wordt geeist.’30

Aan steun voor dit voorstel, dat de openbaarheid ten goede zou komen, was dus geen gebrek. De steun voor het kosten die hiermee gemoeid waren was kleiner. Costerus vond het

aanstellen van twaalf stenografen overdreven. Mr. M.H.Godefroi (onafhankelijk liberaal)31 vergeleek dit met het aantal stenografen dat in andere landen aangesteld was en concludeerde dat dit een overdreven aantal was, zeker als men het aantal vergeleek met België, een land dat in vele opzichten op Nederland leek. Van Eck maakte een andere berekening die veel lager

27Bijblad, 12 september 1849, 813-4. 28Ibidem, 814-5, 818.

29 Ibidem, 815.

30Bijblad, 12 september 1849, 819 en Mr.Dr. G. (Willem) Groen van Prinsterer (antirevolutionair) https://www.parlement.com/id/vg09ll175nuu/g_willem_groen_van_prinsterer.

(14)

14 uitkwam en diende deze nieuwe berekening in als amendement.32 Toch vond hij het

wetsontwerp zo belangrijk dat hij, mocht zijn amendement verworpen worden, toch in zou stemmen:

‘omdat het hier eene zaak geldt van openbaar belang, en ik, hoe ongaarne dan ook, liever

10.000.- verspil, welker uitgave onnoodig is, dan afstand te doen van een maatschappelijk regt, door de grondwet beloofd, en mede te werken om Nederland ook in dit opzigt bij alle beschaafde natiën te doen achterstaan.’33

Het amendement van Van Eck kreeg veel steun in het debat en is bij de stemming aangenomen met 40 tegen 10 stemmen. Ook het wetsontwerp mocht op een ruime

meerderheid rekenen: het werd aangenomen met 47 voor en 3 stemmen tegen. Mr. W.J.C. van Hasselt (zelfstandig liberaal), E.C.U. van Doorn (conservatief) en ook Costerus stemden tegen. Blijkbaar was het behouden van de tachygrafie bepalend in het stemgedrag van Costerus.34

De stemming in de Tweede Kamer laat zien dat de invoering van de stenografie en de bespoediging en volledigheid van de openbare verslaggeving niet alleen een wens was van de Kamerleden die zich tot de liberalen konden rekenen. Het past ook bij de heersende politieke cultuur van die tijd en het idee dat men had over openbaarheid. De leden van de Tweede Kamer werden gekozen als vertegenwoordigers van een district, iets dat je terugziet in verslagen van debatten doordat het gebruikelijk was elkaar aan te spreken als

vertegenwoordigers uit districten. Er waren in 1850 68 Kamerleden. Dit was een kleine kring van notabelen waar in het debat de stem nauwelijks verheven hoefde te worden; een

beschaafd gesprek tussen heren waar de meningen niet volledig uiteen liepen en waar maar zelden de verhoudingen op scherp stonden. Een verandering in de eerste helft van de 19e eeuw was er wel gaande. Remieg Aerts (red.) stelt in Land van kleine gebaren dat er een herstructurering van het openbare debat plaatsvond die deze traditionele scheidslijnen

doorbrak; de moderne politiek werd in deze jaren uitgevonden. Net als elders in West-Europa maakte Nederland een ontwikkeling door van ‘een particularistisch en

oligarchisch-32Bijblad, 12 september 1849, 813, 818, 824. 33Ibidem, 818.

34Bijblad, 12 september 1849, 829 en Van Doorn

(15)

15 aristocratisch bestel’ naar een ‘nationaal en parlementair bestuur’.35 Hoewel de vergaderingen van het parlement sinds 1815 openbaar waren heerste er binnen het parlement een statische en hiërarchische orde en had het parlement weinig gezag. Het parlement kende geen partijen en politieke discussie in de civil society vond plaats in brochures en periodieken die een klein publiek bereikten. De rol van het parlement was klein, maar het bood na 1840 meer en meer tegenstand. Het hoogtepunt hiervan is de grondwetsherziening van 1848 die de basis vormt voor het (huidige) politieke bestel waar het parlement en de regering meer macht en

zeggenschap kreeg.36

‘De publieke zaak wil publiek behandeld worden’37 schreef Thorbecke. Thorbecke en

zijn aanhangers wilden de openbaarheid van bestuur bevorderen. Politiek moest een

ordentelijke, voor iedereen controleerbare en toegankelijke discussie zijn. Echter, alleen een kleine bovenlaag kon deze parlementariërs kiezen. Parlementariërs moesten ook in volledige vrijheid kunnen handelen en enige afstand behouden, wat tot helder en rationeel bestuur zou leiden. Openbaarheid en afstand gingen hand in hand. Parlementariërs moesten afstand behouden om de goede rationele beslissingen te nemen, maar deze beslissingen en debatten moesten openbaar zijn zodat de natie goed kon zien wat er gebeurde. Vertegenwoordigers hoorden zonder last of ruggenspraak te handelen, maar gecontroleerd te worden door de openbaarheid. Zo voorkwam men dat de oude regentencultuur terug zou keren in het openbaar bestuur. Geleidelijk begon door het meer openbaar maken van het bestuur ook de

parlementaire verslaggeving zich te ontwikkelen naar deze maatstaven. Het niveau hiervan was, zoals eerder geconstateerd, bedroevend. De verslagen waren onvolledig en kwamen te laat uit, ook na de invoering van het Bijblad in 1847 was de Kamer niet tevreden over de kwaliteit van de verslagen. Het parlement kreeg daarnaast steeds meer zeggenschap en vond het ook belangrijk dat de betrokkenheid van het publiek werd vergroot. Met publiek bedoelde ze niet de gehele natie, maar de kleine bovenlaag, de gegoede burger, die het recht had te stemmen. Door de invoering van de Stenografische Dienst zouden de parlementaire verslagen snel en volledig openbaar zijn voor iedereen; een wens van een groot deel van het parlement en een logisch gevolg van de openbaarheid van bestuur die men na wilde streven. Daarnaast

35Aerts, Broekhuizen, Aerts, R.A.M., and Broekhuizen, Bas. Land Van Kleine Gebaren : Een Politieke

Geschiedenis Van Nederland 1780-1990 (Nijmegen, 2002) 14.

36Aerts, Broekhuizen, Aerts, R.A.M., and Broekhuizen, Bas. Land Van Kleine Gebaren (Nijmegen, 2002) 9, 14

(quote), 92-4, 108-9 en Ido de Haan, Het beginsel van leven en wisdom. De constitutie van de Nederlandse Politiek in de negentiende eeuw (Amsterdam, 2003) 51- 3 en Piet de Rooy, Ons Stipje Op De Waereldkaart : De Politieke Cultuur Van Nederland in De Negentiende En Twintigste Eeuw. (Amsterdam, 2014) 55, 74, 106.

37 Thorbecke, Hooykaas, Boogman, Hooykaas en Boogman, De briefwisseling van J. R. Thorbecke (Den Haag,

(16)

16 keek men ook over de grenzen heen; in andere ‘beschaafde’ landen was de verslaggeving

vollediger en sneller. Dit voorbeeld moest Nederland ook volgen. Het parlement had gevoel achter te lopen en door de invoering van de Handelingen kon men zich weer als moderne natie beschouwen die meeging met haar tijd. Het parlement ging door deze verandering weer mee in de vooruitgang die in de negentiende eeuw buiten het Nederlandse parlement duidelijk te zien was. De invoering van de stenografische dienst past dus goed in de tijdgeest, en kan een sterke link vinden met de gedachte van openbaarheid en vooruitgang in haar tijd. De Handelingen pasten bij een volwassen en modern politiek systeem.38

38Aerts, Broekhuizen, Aerts, R.A.M., and Broekhuizen, Bas. Land Van Kleine Gebaren (Nijmegen, 2002) 104

(17)

17

Hoofdstuk 2: Een moeizaam begin. De Handelingen van de Tweede

Kamer van 1849 tot 1900

2.1 De kwaliteit der snelschrijverij

Na de stemming op 12 september 1849 in de Tweede Kamer werd het wetsontwerp voor de inrichting van de stenografische dienst en de invoering van de Handelingen tot wet gemaakt. Een commissie werd ingesteld voor de regeling van de stenografie, bestaande uit leden van beide Kamers. Er was daarnaast een afzonderlijke commissie voor stenografie voor elke Kamer. De Gezamenlijke Commissie ging onder andere over de benoeming en het ontslag van de stenografen en stelde een Reglement der Stenografie op. Er werden tien stenografen benoemd, wat een aanzienlijke uitbreiding van de staf van de Kamer betekende.39

De snelle publicatie van de Handelingen bleek in de beginjaren erg lastig. Dit lag niet aan de kwaliteiten van de stenografen en de waarde die men eraan leek te hechten volgens de Gemengde Commissie die in haar verslag stelt:

‘Wanneer men volledige openbaarheid van het verhandelde in 's Lands hooge vergaderingen

wil — en wie zal zulk eene openbaarheid niet als eene onvermijdelijke behoefte van onzen tijd aanmerken? — moet het aldaar gesproken op die wijze openbaar worden gemaakt, als zulks thans plaats vindt. Op den vorm, waarin het verslag der beraadslagingen in de openbare zittingen der beide Kamers ter algemeene kennis wordt gebragt, mogen nog aanmerkingen te maken zijn, dat verslag zelf kan op geenerlei wijze worden ingekort. ‘40

Alhoewel de openbaarheid van vergadering volgens de Gemengde Commissie een

onvermijdelijke behoefte van haar tijd was, vonden Kamerleden en de ministers het lastig om hiernaar te handelen. Er waren regelmatig problemen. Zo ook met Thorbecke, die

openbaarheid en de bespoediging van publicatie hoog in het vaandel had staan. De regel was dat de redevoeringen van de Kamerleden en ministers tijdig afgegeven werden aan de

stenografische inrichting; Thorbecke gaf ze vaak niet tijdig of helemaal niet terug. Dan gold de regel dat de redevoering zo werd opgeschreven zoals de stenografen hadden genoteerd of werd er op de plaats waar de rede had moeten staan ‘[Deze rede zal later worden

39B.J Bonenkamp, Zwijgend Medewerker en Aandachtig Luisteraar (Den Haag, 1999), 44-5, 53-5 en

Staten-Generaal digitaal, Kamerstuk XVIII, nr. 3, vergaderjaar 1849-1850, Wijzigingen in het Reglement voor de openbaarmaking van het verhandelde in de beide Kamers der Staten-Generaal en zie tabel 1 Aantal stenografen in dienst van de Kamer

(18)

18

medegedeeld]’ geschreven. Dit was de Gemengde Commissie een doorn in het oog; de

aantekeningen van de stenografen waren namelijk niet altijd volledig en hierdoor werden er veel puntjes en witte plekken in de Handelingen gepubliceerd. Dit was wederom niet te wijten aan de kwaliteiten van de stenografen. Ze konden veel Kamerleden gewoonweg niet altijd verstaan; De Kamerleden spraken namelijk vanuit hun bankje, en niet vanaf een

spreekgestoelte.41

Eerste Kamerleden deden ook hun beklag over de onvolledige verslagen. Zij hadden de verslagen van de Tweede Kamer nodig voor de voorbereiding van hun eigen

vergaderingen.42 Van Rijckevorsel deed op 22 december 1851 zijn beklag:

‘Wat is toch het doel der snelschrijverij, zoo niet om de Natie, en vooral deze Kamer, tijdig

bekend te maken met discussien, niet met een gedeelte of brokstukken daarvan, maar met de geheele discissie in de Tweede Kamer gehouden’43

Wat nog restte was een wijziging van het Reglement van Orde door de Gemengde Commissie. Het reglement dat bij de opening van het parlementaire jaar in 1852 werd aangenomen stamde uit 1850 met de stilzwijgende afspraak dat deze vervangen werd door een nieuwe. In februari 1853 deed de commissie naast het voorstel om het aantal stenografen uit te breiden naar tien ook het voorstel de sprekers de gelegenheid te geven hun

redevoeringen in te zien bij de griffie. Hiervoor werden ze toegezonden aan zowel ministers als Kamerleden, wat de gestelde termijn van 24 uur zoals beschreven in artikel 18 van het Reglement van Openbaarmaking, onmogelijk maakte. Zelfs na twee dagen hadden de stenografen nog een onbruikbaar en onvolledig verslag. Door deze verandering in het Reglement van Orde werd de snelheid van de verslagen bespoedigd en meer vertrouwen en verantwoordelijkheid gelegd bij de stenografen van de Kamer. Deze wijziging van het Reglement van Orde werd, samen met het Reglement voor de openbaarmaking van het verhandelde in beide Kamers der Staten-Generaal door middel der Stenographie, definitief vastgesteld op 16 juni 1854.44

41B.J Bonenkamp, Zwijgend Medewerker en Aandachtig Luisteraar (Den Haag, 1999), 67-8. 42Ibidem, 68-70.

43Bijblad Eerste Kamer, 1851-1852, 22 december 1851, 41 en A. (Abram) van Rijckevorsel (liberaal)

https://www.parlement.com/id/vg09ll6e63sv/a_abram_van_rijckevorsel.

44Staten-Generaal digitaal, kamerstuknummer XI ondernummer 3, vergaderjaar 1852-1853, Wijzigingen in het Reglement voor de openbaarmaking van het verhandelde in de beide Kamers der Staten-Generaal en Nationaal Archief, Den Haag, Tweede Kamer der Staten-Generaal, nummer toegang 2.02.28, inventarisnummer 7808,

(19)

19 Nog een wijziging aan de Handelingen in deze tijd was de toevoeging van een

alfabetisch register in het Bijblad vanaf de zitting van 1851-1852. Van 1847 tot 1851 waren in de registers bladzijden aangegeven waarop de wetsontwerpen werden behandeld. Vanaf 1851 werden de registers steeds preciezer en op steeds bredere schaal bewerkt. Dit maakte dat de raadpleging van de Handelingen steeds makkelijker werd.45

Zoals hierboven beschreven was het simpelweg invoeren van de stenografie en de bijbehorende dienst niet meteen het startsein die een volledige en snelle openbaring van de Handelingen betekende. Dit had tijd nodig. Het is dan niet geheel onbegrijpelijk dat de leden van de Gemengde Commissie op zoek gingen naar innovatieve manieren om het werk van de stenograaf gemakkelijker te maken. In het verslag van de Gemengde Commissie van 1851 wordt gesproken over een spreekmachine waarmee redevoeringen weergegeven werden. Deze spreekmachine zou de aantekeningen van de Kamerleden en ministers overbodig moeten maken. De spreekmachine bestond uit een lange buis met zijbuizen, uitlopend in een trechter. Tussen de trechters konden de stenografen plaatsnemen. De zijbuizen konden door klepjes worden afgesloten en de bedoeling was dat in het mondstuk van de lange buis de eerste woorden bij stenograaf 1 terechtkomen, en als men het klepje sloot bij stenograaf 2. Zo kon men elkaar afwisselen, de sprekers beter verstaan en het volledige verslag maken. Niet veel Kamerleden en medewerkers wisten van het bestaan van deze machine af. Na vele proeven werd dit apparaat niet in gebruik genomen; het in contact staan van de stenograaf met de spreker werd belangrijker gevonden en het apparaat werd spottend de ‘toetermachine’ genoemd. De hiaten in de verslagen bleven bestaan.46

In 1862 schreef directeur Stenografische Dienst J.J.F. Noordziek twee brieven aan de Gemengde Commissie over zijn Stenografische Inrichting. De werkdruk van de stenografen was groot, de inkomsten stonden niet in verhouding met het gedane werk en het register van het Bijblad van het voorafgaande jaar was pas in december gereed. Er bestond behoefte aan het opleiden van nieuw personeel en een salarisverhoging van het bestaande personeel: beide

45B.J Bonenkamp, Zwijgend Medewerker en Aandachtig Luisteraar (Den Haag, 1999), 85-90 en NL-HaNA,

Tweede Kamer, 1945-1989, 2.02.28, inv.nr. 7808,Verslag van 11 september 1852, Verslagen Gemengde Commissie en Staten-Generaal digitaal, kamerstuknummer XI ondernummer 3, vergaderjaar 1852-1853,

Wijzigingen in het Reglement voor de openbaarmaking van het verhandelde in de beide Kamers der Staten-Generaal.

46B.J Bonenkamp, Zwijgend Medewerker en Aandachtig Luisteraar (Den Haag, 1999), 78-80 en NL-HaNA,

(20)

20 verzoeken werden ingewilligd maar ook het functioneren van de stafleden werd ter discussie gesteld.47 Kamerlid van Eck stelde:

‘Het is hier als met alle zaken: de een is beter dan de ander; en het is ook waar dat jongere

stenographen door gebrek aan ondervinding niet op de hoogte zijn van hunne oudere ambtsbroeders’48

Daarnaast was de kwaliteit van de verslagen niet wat de Gemengde Commissie en ook parlementslid Van Eck verlangde:

‘Over het algemeen worden de redevoeringen zoo zacht uitgesproken, als of de leden zich niet

voor oogen stellen dat hetgeen zij hier zeggen door geheel Nederland moet worden gehoord.’49

Een versterking en verbetering van de dienst was noodzakelijk: er werd een cursus gegeven voor aspirant-stenografen. Dit alleen was niet genoeg. Door de hiaten in de verslagen werd er in 1876 een voorstel gedaan aan de Kamerleden om te spreken vanaf een spreekplaats, maar ook spreken vanaf de eigen zitplaats was nog steeds mogelijk. De akoestiek in de zaal was erg slecht, waardoor nog steeds niet alle Kamerleden goed verstaan konden worden. Pas in 1906, met het in gebruik nemen van een spreekgestoelte, werd dit probleem opgelost en konden de hiaten die ontstonden door onverstaanbaarheid opgelost worden. 50

2.2 Het bijblad maakt plaats voor Handelingen

Alhoewel er vanaf 1851 registers bestonden, waren deze lang niet altijd volledig. Het register van 1875-1876 ontbrak nog eind juli 1876 en werd met spoed half augustus aangeleverd. Vanaf toen werd bepaald dat per 1 augustus een register gemaakt zou worden, en de stukken die te laat waren in een supplementregister werden opgenomen. In 1876 werd ook besloten dat de tienjaarregisters vervangen moesten worden door vijfjaarregisters. In 1886 werd er teruggekomen op dit besluit en toch weer teruggegaan naar tienjarenregisters. Naast deze

47 NL-HaNA, Tweede Kamer, 1945-1989, 2.02.28, inv.nr. 7850, Ingekomen brieven Gemengde Commissie, 13

juni en 19 december 1862 en B.J Bonenkamp, Zwijgend Medewerker en Aandachtig Luisteraar (Den Haag, 1999), 116-138.

48Bijblad Tweede Kamer, 1868-1869, 26 november 1868, 319. 49Ibidem, 319-320.

(21)

21 vijfjarenregisters werd er in 1886 besloten dat er ook tienjarenregisters gemaakt moesten worden.

Naast deze kleine wijziging werd in 1876 een nieuw Reglement voor Openbaarmaking vastgesteld door beide Kamers. Deze zou bij aanvang van de zitting in 1876-1877 in werking treden. Er zou niet meer gesproken worden over het Bijblad der Nederlandsche Staats-Courant, alhoewel het verslag nog wel steeds deze naam droeg als het werd uitgegeven. De reden hiervoor was dat de Kamer liever een andere naamstelling wilde, zoals ‘jaarboeken’.

Het verhandelde in beide kamers moest namelijk een onafscheidelijk deel zijn van de Staats-Courant, een op zichzelf staand werk. Daarom werd besloten dat met de ingang van de zitting 1878-1879 aan het verslag de titel Handelingen der Staten-Generaal werd geven.51

Naast het feit dat de verslagen in de periode 1849-1900 met ongeveer 55% toenamen en dus voor meer werk zorgde, geven deze twee voorbeelden goed weer dat de beginjaren van de Handelingen jaren waren waarin gezocht werd naar de precieze invulling en positionering van deze verslagen.52

2.3 Uitgave eerdere Handelingen

Terwijl er aan de positionering en invulling van huidige Handelingen werd gesleuteld, kwam in 1858 de vraag op tafel of een reconstructie de Handelingen vóór 1849 gewenst was:

‘Naarmate men de wijze waarop het verhandelde bij de beide kamers der staten-generaal

thans door het bijblad der staats-courant ter kennis van het algemeen komt, beter leert

waarderen, wordt ook de klagt levendiger, dat dit bijblad eerst met october 1847 aanvangt, en dat men niet van 1814, althans van 1815 af begonnen is, eene soortgelijke verzamling in het licht te geven. In den eersten tijd na de vestiging van het koningkrijk der nederlanden, het behoeft nauwelijk herinnering, was de wijze, waarop de staatscourant verslag gaf van het verhandelde in de openbare zittingen der tweede kamer hoofst gebrekkig en onvolledig. Belangrijke redevoeringen werden soms in t geheel niet of slechts met een enkel woord vermeld. Te gelijk werd omtrent de mededeeling der stukken, tusschen de kamer en de regering gewissels, op eene zeer willekeurige wijze te werk gegaan. Menige wet is nog in volle kracht, waarvan in de staatscourant alleen de tekst is opgenomen.’53

51B.J Bonenkamp, Zwijgend Medewerker en Aandachtig Luisteraar (Den Haag, 1999), 148-9. 52 Overzicht omvang Handelingen zie tabel 2.

53 NL-HaNA, Tweede Kamer, 1815-1945, 2.02.22, inv.nr. 3411, Nota tot toelichting, Raming der voor de

(22)

22 Volgende deze nota tot toelichting waren de verslagen na 1830 van het verhandelde van de Tweede Kamer van een betere kwaliteit, maar toch bleven er hiaten bestaan en was dit geen samenhangend geheel. Het was verbrokkeld in de Staats-Courant uitgegeven. Meerdere keren had de regering nadelige gevolgen ondervonden omdat veel wetten nog geldig waren in 1858, maar de context en de wijzigingen niet duidelijk geregistreerd waren:

‘Het licht, dat bekendheid met eene vroeger plaats gehad hebbende wisseling van

denkbeelden over bestaande wetsbepalingen zou kunnen verspreiden, wordt dit maar al te dikwijls gemist, en zij, die zich met de beoefening der geschiedenis onzer wetgeving bezighouden, stuiten niet zelden op onoverkomelijke hinderpalen’54

De Commissie der Huishoudelijke Aangelegenheden gaf na een onderzoek een positief advies over de heruitgave van de Handelingen voor 1849, mits ‘den eisch van volledigheid niet al te hoog stelle, zulk eene verzameling zeer wel tot stand is te brengen.’55 Door dit onderzoek werd in 1858 besloten tot de uitgave van eerdere Handelingen en 600 gulden beschikbaar gesteld.56

J.J.F. Noordziek nam de taak van het reconstrueren van de Handelingen op zich. Op 29 maart 1858 stuurde de griffie een brief naar de Huishoudelijke Commissie en het

ministerie van Binnenlandse zaken dat het zittingsjaar 1846-1847 gereed was om naar de drukker te sturen. 57 Op 13 april antwoordde de minister:

‘Ter voldoening aan het daarbij uit gedrukt verlangen, heb ik de eer te melden, dat ik bereik ben de noodige bevelen, tot het drukken vereischt, uit te vaardigen.’58

De oplage van deze uitgave was ruim beneden de oplage van 936 stuks van het normale

Bijblad, en werd vastgesteld op 450 exemplaren. De leden van de Staten-Generaal kregen deze uitgave gratis.59

De uitgave van het volgende zittingsjaar volgde snel. Op 2 december 1858 was het zittingsjaar 1818-1819 gereed en hiervan werden 300 exemplaren gedrukt. Daarna lieten de

54NL-HaNA, Tweede Kamer, 1815-1945, 2.02.22, inv.nr. 3411, Nota tot toelichting, Raming der voor de Tweede Kamer benodigde uitgaven in 1858.

55Ibidem. 56Ibidem.

57Ibidem, Brief griffie 29 maart 1858. 58Ibidem, Brief minister 13 april 1858.

(23)

23 volgende publicaties op zich wachten. In 1862 werd het zittingsjaar 1815-1816 gedrukt. Daarna volgde in 1863 het jaar 1816-1817, in 1864 1817-1818 en in 1865 werd het

zittingsjaar 1819-1820 uitgegeven. Zo werd soms met enkele jaren tussenpauze regelmatig oude zittingsjaren gepubliceerd tot het archief tot 1849 compleet werd gemaakt. 60

2.3 De Handelingen in het politieke landschap

Tot 1870 stond de interpretatie van de grondwet centraal in de politiek.61 Dat wordt ook nadrukkelijk teruggevonden als men spreekt over het belang van de Handelingen en de openbaarheid. Deze werd vaak gelinkt aan datgeen dat er in de grondwet staat. Het hebben van een ordentelijk verslag werd zelfs zo belangrijk gevonden dat Kamerleden van mening waren dat men luider moest spreken zodat het hele land hoorde wat ze zeiden. Het land hoorde te weten wat er in de Tweede Kamer afspeelde. Het oprichten van de Stenografische Dienst en het maken van verslagen vanaf 1849 hoorde bij de openbaarheid die in de grondwet verankerd was. De eerste jaren was het uitgeven van deze Handelingen een zoektocht. De gewenste snelheid waarmee de verslagen gemaakt werden paste bij de eisen van een nieuwe tijd van modernisering, maar leidde soms tot onbegrip bij Kamerleden. De mobiliteit door trams en treinen nam toe, informatievoorziening verbeterde en versnelde en de massamedia werd geboren. Daar hoorde Handelingen bij die aansluiting vonden bij deze nieuwe tijd en veranderde naar de maatstaven van het moderne Nederland. De Handelingen moesten zichtbaarder zijn en sneller verschijnen om de vooruitgang bij te houden. Sommige Kamerleden konden niet wennen aan deze veranderingen in de Kamer en waren wellicht angstig voor deze vooruitgang. Om een relevant instituut te blijven moest de Stenografische Dienst zicht steeds aanpassen aan de tijdsgeest om aansluiting te vinden bij haar eigen tijd en relevant te blijven.62

Men moest luider praten, want het hele land moest horen wat er gezegd werd in de Kamer. Deze uitspraak past heel goed bij de veranderende politieke cultuur. De eerste Nederlandse politieke partijen werden aan het eind van de 19e eeuw opgericht met de antirevolutionairen van Kuyper voorop. Betrekkelijk laat als men het vergelijkt met andere landen zoals het Verenigd Koninkrijk of Duitsland. In Nederland moest men volgens deze nieuwe politieke partijen van geografische districten naar ‘districten der geesten’ gaan. Een

60NL-HaNA, Tweede Kamer, 1815-1945, 2.02.22, inv.nr. 3411, Nota tot toelichting, Raming der voor de Tweede Kamer benodigde uitgaven in 1858.

(24)

24 gedachte die past bij haar tijd gezien de civil society groeide en zich ook naar deze

maatstaven, namelijk nationaal en geestverwant, indeelde. Het parlement veranderde volgens De Rooy van functie in de tweede helft van de 19e eeuw; waar het parlement een ‘centrale plaats van nationaal overleg’ was en bleef, veranderde het parlement ook naar een ‘tribune waar het volk werd toegesproken’. De tegenstelling tussen liberalen en conservatieven

veranderde in die tussen vrijzinnigen en confessionelen. De discussie in het parlement was niet langer een rationeel gesprek tussen notabele heren die alleen het algemeen belang diende. De notabele heren waren ambassadeurs geworden van hun eigen beweging en doelgroep. Partijdigheid werd voor het eerst aanvaard als onderdeel van de nationale politiek en toenemende onenigheid was een nieuwe toevoeging aan het debat. De civil society was zo sterk ontwikkeld dat men daar kon bepalen waarover men praatte in de politieke arena. Politiek was aan het einde van de 19e eeuw religieuzer geworden, nationaler dan ooit en

steeds vaker georganiseerd in partijverband.63

Met de opkomst van een nieuwe politieke cultuur is het niet meer dan logisch dat de snelheid van het publiceren van datgeen wat Kamerleden deden in het parlement van belang was. Zo kon men aan de achterban laten zien wat men deed. De nieuwe politieke partijen hadden ook hun eigen kanalen om leden te mobiliseren en te informeren. Het medialandschap veranderde naar een landschap met massamedia. Waar aan het begin van de 19e eeuw kranten zich richtte op een kleine elite die deze bladen kon veroorloven, werd sinds het afschaffen van het zegelrecht in 1869 de krant een bereikbaar medium voor een steeds groter deel van de Nederlandse bevolking. De politieke partijen maakten daar gebruik van. Op 1 april 1872 richtte de antirevolutionairen De Standaard op, en in 1900 volgde het socialistische Het Volk.64

Hoewel de nieuwe politieke partijen hun eigen communicatiekanalen hadden werd er niet getornd aan het bestaansrecht van de Handelingen. Integendeel, het verhandelde in beide Kamers is in 1878 een op zichzelf staand werk geworden dat losstond van de Staats-Courant.

De veranderende politiek culturele context hechtte nog steeds waarde aan de Handelingen en de openbaarheid hiervan, maar het begrip van openbaarheid op afstand was wel veranderd in openbaarheid voor de het hele volk en voornamelijk de eigen achterban. Hierdoor werd de verhouding van de Handelingen tot het parlement anders. De Handelingen moest zich vormen

63Piet de Rooy, Ons stipje op de wereldkaart (Amsterdam, 2014) 115, 126-7, 139-142 en Ido de Haan, Het

Beginsel Van Leven En Wasdom (Amsterdam 2003)180-3.

64Piet de Rooy, Republiek Van Rivaliteiten (Amsterdam, 2002) 89, 131 en H. Wijfjes en F. Harbers De krant :

(25)
(26)

26

Hoofdstuk 3: Een solide stenografische dienst in een turbulente

wereld. De Handelingen van 1900 tot 1940.

3.1 Een solide stenografische dienst

De eerste vijftig jaar was een zoektocht naar de juiste werkwijze om tot snelle en accurate verslagen van de Staten-Generaal te komen. Beetje bij beetje werden de verslagen vollediger en vaker op tijd uitgegeven. In een brief aan de Gemengde Commissie op 15 februari 1905 deed de directeur van de Stenografische Dienst J. Boudewijnse verslag over 1904. Het afgelopen jaar waren de Handelingen van beide Kamers ‘bijna geregeld’ verschenen. Als er vertraging ontstond was dit doordat de drukkerij de verslagen niet op tijd kon verwerken of dat ministers gebruikmaakten van de regeling om hun redevoeringen 24 uur later te mogen terugzenden naar de stenografen. Kamerleden leverde daarentegen hun tekst vrijwel altijd tijdig aan. Toch was het soms een zware taak voor de stenografen om snel verslagen te maken en kwaliteit te leveren.65 Boudewijnse geeft aan dat:

‘met name in de drukke zittingsdagen van November en December, de leden van het

stenographisch bureau onafgebroken met groote toewijding hun zware taak hebben verricht’66

In deze maanden vergaderden beide Kamers vaak tegelijkertijd waardoor het werk voor de stenografen zwaarder was dan in rustigere maanden in het parlementaire jaar, maar toch:

'allen schenen te begrijpen, ook wanneer zij den invloed van de gure winterdagen mochten gevoeld hebben en dan in gewone omstandigheden allicht een paar dagen thuis zouden gebleven zijn, dat het plicht was den arbeid voor de overblijvenden niet zwaarder te maken dan noodig was.'67

Het werk was inderdaad zwaar, vooral als er veel vergaderd werd, mede omdat de stenografen hun stenogrammen met de hand uitwerkten. Bij de behandeling van de huishoudelijke

begroting van de Tweede Kamer voor 1904 drong de Stenografische Dienst aan op

65B.J Bonenkamp, Zwijgend Medewerker en Aandachtig Luisteraar (Den Haag, 1999), 190-1.

66NL-HaNA, Tweede Kamer, 1945-1989, 2.02.28, inv.nr. 7984.Verslag van Boudewijnse aan de gemengde

commissie, 15 februari 1905. functioneren van de dienst.

(27)

27 aanschaffing van schrijfmachines. De voornaamste reden die gegeven werd was de

onleesbaarheid van het handschrift van sommige stenografen. De Gemengde Commissie vond dit geen geldige reden om over te gaan tot de aanschaf van schrijfmachines. Toch werden de schrijfmachines in 1912 aangekocht, zodat het werk van de stenografen hiermee

vergemakkelijkt en versnelt werd. Dit was niet meer dan logisch aangezien de Handelingen van de Tweede Kamer in 60 jaar meer dan verdubbeld waren en de staf niet. Voor de

toenmalige directeur Goedhart bleven de schrijfmachines een vreemde nieuwe ontwikkeling doorgedrukt door zijn voorganger Keuskamp en hij noemde ze minachtend ‘naaimachines’.68

Er kwam in het vergaderjaar 1908-1909 een nieuwe taak bij; een Kort Verslag van de vergaderingen van de Tweede Kamer. In 1881 en 1888 sprak de Tweede Kamer al over een kort, analytisch verslag over de beraadslagingen en debatten in de Kamer. Dit voorstel tot een zakelijke samenvatting kon pas in december 1907 op een geringe meerderheid rekenen. Met 37 tegen 35 stemmen werd het voorstel tot het maken van een Kort Verslag aangenomen. Op 10 maart 1908 kwamen voorstellen hierover binnen en werden op 27 mei in beslotenheid besproken. Dit korte verslag werd door een afzonderlijke staf gemaakt, namelijk door redacteuren verbonden aan de nieuwe Tachygraphische Inrichting. Deze redacteuren kregen ook een andere plaats in de Tweede Kamer dan de stenografen. De fragmenten van de

debatten werden gelijk naar de drukkerij gestuurd en de Korte Verslagen bedroegen ongeveer eenderde van de Handelingen. Deze Korte Verslagen waren dezelfde avond of de ochtend erna beschikbaar, veel sneller dan de 24 uur die de stenografen van de Handelingen aanhielden. Toch werd in december 1923 door de Commissie voor het Kort Verslag geconcludeerd dat de instandhouding van dit verslag niet gerechtvaardigd was. De Korte Verslagen waren van goede kwaliteit, maar de belangstelling hiervoor was zeer gering. 69 Zoals de Commissie voor het Kort Verslag concludeerde:

‘de illussies, die de voorstemmers van het nieuwe instituut koesterden, zijn niet in vervulling

gegaan. De verwachting, dat het korte verslag als een goed objectief, maar volledig resumé,

68B.J Bonenkamp, Zwijgend Medewerker en Aandachtig Luisteraar (Den Haag, 1999), 194-5. Overzicht

omvang Handelingen zie tabel 2 en overzicht medewerkers zie tabel 1.

Van 1901 tot 1940 zijn er bij de Stenografische Dienst zes verschillende directeuren geweest.

69Handelingen Tweede Kamer, 1881-1882, p. 120-131,1886-1887, p. 18 en 1888, p. 137-152 en 1907-1908, 10

maart 1908 (register) en 27 mei 1908, p. 2017 en B.J Bonenkamp, Zwijgend Medewerker en Aandachtig Luisteraar (Den Haag, 1999), 198-200 en Bijlagen Tweede Kamer, 1923-1924, voorstel tot opheffing van het Kort Verslag van de vergaderingen der Kamer, 31 januari 1924 en 21 februari 1924, 232.

(28)

28 waarin alles wat in de kamer gebeurt tot zijn recht komt, alom in het land met instemming zou worden ontvangen en dat de dagbladen voor de samenstelling van hun verslagen van het kort verslag gebruikt zouden maken, is niet uitgekomen.’70

Op 1 april 1924 werd het Kort Verslag opgeheven. In het voorstel voor de opheffing stond dat de commissie zich ‘vereenigt ... met de opvatting dezer leden, dat voor een goede democratie het bestaan van het Kort Verslag geen vereischte is.’71 In 1924 werden de verslagen van de

Handelingen niet alleen gelinkt aan openbaarheid, maar ook aan democratie. Het Korte Verslag was geen vereiste hiervoor, maar we kunnen voorzichtig concluderen dat de

Handelingen dit wel waren. De angst om achter te lopen op andere landen kwam ook in deze discussie weer naar voren. Er werd in het voorstel tot afschaffen ook gekeken naar andere landen en geconcludeerd dat deze landen een dergelijk Kort Verslag ook niet nodig hadden.72

De werkdruk onder de stenografen bleef erg hoog waardoor de staf de verslagen soms moest verkorten als er tegelijk werd vergaderd, waaronder in het zittingsjaar 1922-1923. Soms werd er zelfs beweerd dat er in het Kort Verslag meer zou staan dan in de Handelingen. Enkele keren kwamen er klachten binnen van Kamerleden over verkortingen in de

Handelingen, soms terecht en soms onterecht. Een klacht van Kamerlid A.W. IJzerman over een verkorting bleek wel in de Handelingen opgenomen te zijn maar uiteindelijk geschrapt door de minister van Koloniën zelf. De duur en de gelijktijdigheid van vergaderingen in de Kamers nam toe. 73 Goedhart constateerde licht cynisch:

‘Het heeft mij toch getroffen in de vergaderingen van gemeenteraden, van Provinciale Staten

en van beide Kamer, dat het aantal en de duur der vergaderingen toenemen in precies dezelfde verhouding als het aantal sociaal-democratische afgevaardigden klimt.’74

Goedhart constateerde dat uitbreiding van de staf alleen nodig was door stenografen in te huren die op daggeld konden werken voor de dienst. Zo werden de verslagen niet ingekort op

70 NL-HaNA, Tweede Kamer, 1815-1945, 2.02.22, inv.nr. 3254. Stukken van de Commissie voor het kort

verslag, 1907-1924.

71Bijlagen Tweede Kamer, 1923-1924, voorstel tot opheffing van het Kort Verslag van de vergaderingen der

Kamer, 21 februari 1924, 232.

72Ibidem, 31 januari 1924 en 21 februari 1924, 232.

73B.J Bonenkamp, Zwijgend Medewerker en Aandachtig Luisteraar (Den Haag, 1999), 202-3.

74Citaat Goedhart in B.J Bonenkamp, Zwijgend Medewerker en Aandachtig Luisteraar (Den Haag, 1999), 204.

(29)

29 drukke dagen en door de inhuur van noodhulp konden ze toch bijna altijd op tijd verschijnen. In 1934 verschenen de Handelingen maar een enkele keer niet op tijd en zelfs in ‘een zóó veelbewogen jaar’ als 1938-1939 verschenen de verslagen op één uitzondering na op tijd. De

eerste vijftig jaar waren voor de Stenografische dienst lastig en nodig om tot een goede werkwijze te komen, de tweede vijftig jaar gingen ondanks de grote werkdruk veel soepeler.75

3.2 Ontoelaatbaar taalgebruik

De Stenografische Dienst werd steeds professioneler en de Handelingen van een steeds betere kwaliteit. Ook de parlementariërs werden zicht steeds bewuster van de publieke functie die ze hadden. Steeds vaker haalden Kamerleden met hun uitspraken de krant en het parlement werd een belangrijk publiek instituut waar steeds meer mensen betrokken bij raakten. Het

parlement had een voorbeeldfunctie waardoor het taalgebruik tijdens de vergadering werd beschouwd als net en juist taalgebruik. Men werd zicht steeds bewuster van deze

voorbeeldfunctie en het bereik dat de woorden van Kamerleden hadden via de Kamer. Zorgen ontstonden dan ook over het onjuiste taalgebruik van sommige Kamerleden. Daarom werd er aan de reeds bestaande disciplinaire maatregelen één toegevoegd: de schrapbepaling. De Kamervoorzitter mocht passages of woorden uit de Handelingen halen. Deze passages uit de Handelingen worden bewaard in een apart archief, ook wel het lijkendossier genoemd. Het lijkendossier is tot op heden niet toegevoegd aan het archief van de Tweede Kamer in het Nationaal Archief. Daarom wordt het overzichtswerk van Peter Bootsma en Carla Hoetink in dit hoofdstuk gebruikt als voornaamste bron.76

Het aparte archief was nieuw, het terugnemen van uitgesproken woorden in het

parlement niet. Het gebeurde weleens dat andere woorden in de Handelingen terechtkwamen dan uitgesproken in de vergadering. De Handelingen zijn immers niet een precieze

woordelijke weergave van de debatten. Ook werden er soms passages geschrapt uit de Handelingen door ministers of door de Kamervoorzitter. Ook mocht de Kamervoorzitter vanaf 1919 elk Kamerlid dat zich beledigend gedroeg vermanen en het woord ontnemen. Hiervoor was dat alleen mogelijk met Kamerleden die op het spreekgestoelte het woord hadden én met de toestemming van de Kamer. Terwijl de eerste decennia van de twintigste eeuw verstreken werd de rol van het parlement groter en was de Kamer zichtbaarder dan ooit. Ook de onrust in de Kamer werd groter, vooral na de beurskrach van 1929 en de komst van

75B.J Bonenkamp, Zwijgend Medewerker en Aandachtig Luisteraar (Den Haag, 1999), 204, 217 en 231. 76 P. Bootsma en C. Hoetink, Over Lijken : Ontoelaatbaar Taalgebruik in De Tweede Kamer. (Nijmegen, 2006)

(30)

30 extreem linkse en rechtse partijen in het parlement. Het antidemocratische geluid van deze partijen had tot gevolg dat er een korte periode werd overwogen om deze groeperingen uit te sluiten van het Kamerlidmaatschap, maar dat was in strijd met de grondwet. Een aanscherping van het Reglement van Orde werd voorgesteld om te voorkomen dat deze partijen hun

parlementaire immuniteit zouden gebruiken om overtredingen te begaan. Een voorbeeld van een overtreding is de eerste verwijdering van een parlementariër wegens het verstoren van de orde gebeurde op 29 november 1932. Deze staat op de naam van Louis Visser.77 Hij zou de paus beledigd hebben en nadat de voorzitter hem het woord ontnam reageerde Visser:

‘Wat kan mij dat verdommen. Denkt u dat ik mij door een dergelijke…’78

De voorzitter kapte de heer Visser af en bracht een motie in stemming om het Kamerlid de toegang tot het Kamergebouw te ontzeggen. Dit voorstel werd aangenomen met 69 tegen 24 stemmen. Cramer noemt dit in zijn Wandelingen door de Handelingen als dé aanleiding voor het wijzigen van het Reglement van Orde in 1934. Hoewel dit voorbeeld laat zien dat de meerderheid van de Kamer ongewenst taalgebruik en gedrag niet aanvaardde is de reden tot de wijziging waarschijnlijk niet het product van één incident. Wellicht dat bij de wijziging ook de ontwikkelingen in het buurland Duitsland meegewogen werd. Hitler was net door misbruik van democratische wetten en regelgeving aan de macht gekomen. Aangezien de weigering van sommige partijen in het parlement niet mogelijk was, was dit wél een mogelijkheid de Nederlandse politieke cultuur te beschermen en partijen die daar niet in pasten een kleiner podium te geven. De waardigheid van het parlement moest beschermd worden. Niet de regering, maar het parlement zelf kwam met een voorstel. Parlementariër Piet Aalberse deed in 1934 een ‘voorstel tot wijziging van het Reglement van Orde der Kamer’ samen met Kamerleden Bierema, De Geer, Joekes en Schouten. Hiermee werd een invoering van de schrapbepaling geïnitieerd. In het bijzonder werd gedacht uitingen te schrappen die grove beledigingen aan de kroon, minister of Kamerlid waren. Ook gezagsondermijnende opmerkingen vielen onder de schrapbepaling.79

77N. Cramer, Wandelingen door de Handelingen (Den Haag, 1975) 174-7. 78Handelingen Tweede Kamer, 1932-1933, 29 november 1932, 740.

79 P. Bootsma en C. Hoetink, Over Lijken. (Nijmegen, 2006) 8, 15-27 en N. Cramer, Wandelingen door de

Handelingen (Den Haag, 1975) 174-7 en Piet Aalberse (RKSP)

https://www.parlement.com/id/vg09lkx73twb/p_j_m_piet_aalberse, S.E.B. Bierma (liberale staatspartij)

https://www.parlement.com/id/vg09lky36kyc/s_e_b_bierema en Dolf Joekes (VDB)

https://www.parlement.com/id/vg09ll204eze/a_m_dolf_joekes en Dirk de Geer (CHU/CHP)

(31)

31 Op 14 februari 1934 vond het debat plaats over dit voorstel tot wijziging van het

Reglement van Orde. Dit kon op fel verzet rekenen van revolutionair socialisten en communisten.80 Ook in het geval van de heer Visser:

‘Het ergste is, dat dit alles gebeurt op initiatief van het Parlement zelf. Dit teekent den tijd,

waarin wij leven. De bourgeoisie heeft haar doeleinden bereikt en de opkomende klasse, het revolutionnaire proletariaat, moet ook in haar vertegenwoordigers in het Parlement worden getroffen. Men wil, ondanks do handhaving van den schijn van het parlementarisme, het Parlement maken tot een willoos werktuig, waarin de meeningsuiting van de revolutionnairen niet meer mogelijk is op de wijze, die zij behoeven, ten einde daarmede de bezittende klasse steun, kracht en sterkte te verleenen … Zijn die dictatoriale, draconische maatregelen in ons Reglement van Orde noodig! Ik ontken dit volstrekt ’81

Het uitgebreide betoog van de heer Visser vond niet veel bijval van andere partijen en een uitgebreid debat waar iedere partij haar visie gaf vond niet plaats. Naast Visser zijn alleen de heer Sneevliet van de Revolutionair-Socialistische Partij, de heren Albarda en Vliegen van de SDAP en indiener Aalberse aan het woord. De wijziging in het Reglement van Orde werd zonder hoofdelijke stemming aangenomen. Het gehele Reglement van Orde werd met een ruime meerderheid van 67 tegen 4 stemmen aangenomen. Alleen de CPH en Sneevliet stemden tegen.82

Het ‘lijkendossier’ bevat ongeveer 450 gevallen van onparlementair taalgebruik. Uit andere bronnen zijn nog vijf schrappingen bekend die niet het lijkendossier te vinden zijn. Tot de Tweede Wereldoorlog werd de schrapbepaling het meest gebruikt, vooral in het jaar 1934 waar 74 keer ontoelaatbaar taalgebruik werd geschrapt uit de Handelingen. Het gewenste effect om revolutionaire en anti-democratische partijen wat in toom te houden werkte enigszins omdat het merendeel van de schrappingen van deze partijen (CPN, NSB en RSA) afkomstig was, maar liefst 69,5%. In de drie jaar dat de NSB en de RSA zitting namen in het parlement tijdens de schrapbepaling, waren zij verantwoordelijk voor 30% van de

schrappingen in het gehele lijkendossier. De heer Sneevliet spande de kroon en met zijn 61

https://www.parlement.com/id/vg09ll81um49/j_jan_schouten en Bijlagen Tweede Kamer, 1933-1934, Kamerstuk 231, nr. 1-8, Voorstel van den Aalberse c.s. tot wijziging van het Reglement van Orde der Kamer.

80P. Bootsma en C. Hoetink, Over Lijken. (Nijmegen, 2006) 22-3. Een extreem rechtse partij als de NSB had in

1934 nog geen zitting in de Tweede Kamer.

Figure

Updating...

Download now (52 Page)
Related subjects :