Het loze vissertje of boerke Naas? Het een en ander over het leven van de steentijdbewoners van het Rijnmondgebied

19 

Full text

(1)

Het loze vissertje of boerke Naas?

L. P. Louwe Kooijmans

HET EEN EN ANDER OVER HET LEVEN VAN DE STEENTIJDBEWONERS VAN HET RUNMONDGEBIED

Het is een moeizaam karwei door te dringen in de eerste gemeen-schappen, die het Rijnmondgebied bevolkten Veel is er verdwenen of onbereikbaar geworden door bedekkmg met dikke, latere afzet-tingen Er zijn maar een paar woonplaatsen bekend, maar daarvan is dan ook - dank zij de prachtige conservering m dit gebied - een wereld aan gegevens te onttrekken Dat gaat met vanzelf Het is moeizaam en tijdrovend onderzoek, dat echter gestaag voortgang vmdt en tot op heden tot de resultaten heeft geleid, die ik m deze bijdrage samenvat Ik doe dat met grote erkentelijkheid aan de m-stellmgen die dit onderzoek mogehjk maakten

- het Rijksmuseum van Oudheden, waaraan ik van 1966 tot 1982 verbünden ben geweest,

en vier mstelhngen die mede de opgravmg bij Hekehngen, gemeen-te Spijkenisse financierden

- het Erasmusfonds - de gemeente Spijkenisse - de provincie Zuid-Holland

het Openbaar Lichaam Rijnmond

EUROPOORT, CIRCA 7000 VOOR CHRISTUS

De oudste sporen van mensehjke aanwezigheid worden gevormd door vondsten uit het zand van de Maasvlakte Het gaat om meer dan dnehonderd benen spitsen, voorzien van weerhaakjes längs een zijde en nog enkele andere artefacten een doorboorde gewei-vatting voor een bijl, een tot bijlklingetje bijgesneden evertand en een grote vishaak zijn de meest opvallende1 (fig 1) Uit een groot aantal bormgen is de ondergrond van Europoort - waaruit de

werk-* In dit artikel worden twee typen |aartallen gebruikt de uitkomsten van C14-metmgen, aangegeven mjaren BP (Before Present) en zogenaam-de gecahbreerzogenaam-de C14-datermgen, aangegeven m jaren v C (voor Christus) Het verschil tussen beide beloopt m de hier behandelde peri-ode 400 tot 800 jaar In concreto zijn de volgende calibraties toegepast 4000 BP = 2500 v C

4100 = 2600 4400 = 3000 4900 = 3700 5100 = 3900 5300 = 4100 5400 = 4200

Deze waarden zijn gebaseerd op de curve van G W Pearson, J R Pil-cher, M G L Baillie Radiocarbon 25, no 2, 1983, p 179-186

tuigjes afkomstig zijn - goed bekend Wij mögen aannemen dat zij oorspronkehjk in een laag mgebed zijn geweest op -20 ä -22 meter NAP Dat is een venige kleilaag die stamt uit de tijd dat het brede stroomdal van de gecombineerde Rijn en Maas geleidehjk m een meren- en moerasgebied veranderde onder invloed van de stijgmg van de zeespiegel Dat gebeurde in het Boreaal, omstreeks 7000 voor Christus Die datenng wordt bevestigd door vergehjkbare voorwerpen in goed gedateerde kampplaatsen uit die penode in De-nemarken en het noorden van de huldige DDR

Wij moeten ons afvragen van welke activiteiten deze werktuigjes de weerslag vormen Dan is het allereerst opvallend dat het vnjwel uitsluitend om twee typen spitsen gaat kleine met 3 tot 7 inkepin-gen aan de spits en grote met een reeks grote weerhaken over de gehele lengte Er is nooit sprake van een doorbormg aan het einde De in de wandehng gangbare benaming "harpoentjes" is dus on-juist Het zijn spitsen die vast in een schacht gemonteerd zaten en zo spiesen vormden die als visspeer of mogehjk ook als werpspies werden gebruikt Wij moeten aannemen dat het vooral om ver-speeld vis- en jachtgerei gaat en met om de resten van woonplaat-sen 2 In dat geval had er namehjk een veel grotere verscheiden-heid aan werktuigen gevonden moeten worden, met name ook be-nen bijlen en hakken, zoals we die kenbe-nen uit de omgeving van de Brume Bank in de Noordzee Bhjkbaar werd het Rijn/Maasdal als vis- en jachtgebied gebruikt en lagen de kampplaatsen buiten het gebied, waaruit het zand is opgezogen we denken dan speciaal aan de rand van het wijde, maar ondiepe dal

7000-4000 VOOR CHRISTUS

Na de vissers van Europoort ondergaat het Rijnmondgebied een enorme gedaanteverandenng De zeespiegel blijft stijgen, het land wordt overstroomd en verändert in een uitgestrekte waddenzee Het is een dynamisch en sterk veranderhjk miheu, waann sporen van de mens, zo hij zieh er al waagde, bij wijze van spreke de vol-gende dag al werden opgeruimd De jagers en vissers zullen zieh hebben teruggetrokken naar de rüstige, zoetwatergebieden verder oostehjk en naar de zandgronden Dat de streek met verlaten was, bhjkt uit een haardplaatsje met een C 14-datenng rond 6500 BP op een donkje bij Rotterdam-IJsselmonde en uit enkele microlithische werktuigjes op donken in de Alblasserwaard en Vijfheeren-landen 3

BERGSCHENHOEK 4200 VOOR CHRISTUS

(2)

ontdek-Ο

ν

Α

U

(3)

s s s g s s

<" vt A ω Μ -*

(4)

houtskool hout netbossen fuik bladresten humeuze klei lets humeuze klei zware klei

Fig 3 Bergschenhoek Doorsnede ovcr de kampplaats en naaste omgevmg In het midden het losse stuk veen met daarop de netbossen, houten palen en planken en de meervoudige haard Ter weerszyden daarvan de lets humeuze zoetwaterklei met laagjes bladafval, waann enkele visfuiken zijn mgebed Uit de hggmgen van fuik C m de gelaagdheid en uit het dünne kleilaagje op het stuk veen blijkt dat het gebruik van het eiland vooral aan het einde van de opslibbmg plaats vond

kmg ons weer bhk op het steentijdleven in "Rijnmond" Het gaat om de resten van een jacht- en visserskampement dat m 1976 bij Bergschenhoek werd ontdekt tijdens het uitgraven van een kano-vijver in de diepe Bergschenhoekse polder 4 Het object lag op een diepte van ruim -8 m Uit andere bron weten we dat de zeespiegel inmiddels tot -6 ä -5 m was gestegen Er is hier dus sprake van een forse inkhnking of bodemdahng

In de tijd waaruit dit kampement dateert, was dit deel van het Rijn-mondgebied tijdehjk afgesloten van de zee en veranderd in een zoet tot weinig brak merengebied Het kampje was gesticht op een dob-berend stuk veen, dat legen een netoever was gedreven Het was maar een klein stuk veen, met meer dan 4 m in doorsnee, maar had het voordeel dat de "bewoners" geen last hadden van de wisselen-de waterstanwisselen-den In wisselen-de oeverzone waar het eilandje lag, vond te-zelfder tijd een snelle aanshbbmg plaats het eilandje werd in dit shb mgebed en daar tenslotte mee overdekt (fig 2 en 3)

Waar wij nu in gemteresseerd zijn, zijn vragen als hoe lang bivak-keerde men daar, was dat eenmahg of herhaaldelijk en in het laatste geval was het soms systematisch telkens in een bepaald seizoen7 Ook zouden we willen weten of men er met hele huishoudens ver-bleef of dat er alleen een jagersgroepje zat Omdat het duidehjk geen grote, vaste woonplaats was, doet zieh de vraag voor of men al dergehjke vaste 'basiskampen" kende en waar die dan wel gele-gen hadden Ik wil proberen enkele van deze vragele-gen te beant-woorden

Vondsten van allerlei afval en werktuigen laten zien dat er circa 50 cm klei werd afgezet in de gebruikspenode In deze klei vallen dünne laagjes planteresten op, die ondenn relatief dikke kleilagen en bovenin zeer dünne laagjes scheiden Deze gelaagdheid vatten wij op als een jaarntme De kleiafzettmg nam op dit punt blijkbaar circa lOjaar in beslag en omdat er vondsten in alle mveau's zijn gedaan, is dat ook de gebruiksduur van deze kampplaats Een

twee-de informatiebron voor twee-dezelftwee-de vraag is een grote, centrale haard-plaats Deze bestond uit een onregelmatige opeenvolging van een groot aantal zeer dünne laagjes riet en veenshk, afgewisseld met la-gen houtskool Kennelijk was de haard een groot aantal keren op-meuw aangelegd ongeveer tien maal, waarvan twee keer voor het eiland in de klei werd vastgelegd en 8 of 9 maal daarna Blijkbaar kreeg men toen ook last van het water, want met grote netbossen werd het loopvlak opgehoogd en op een gegeven moment werd er zelfs een plankler en waarschijnhjk ook een hut gebouwd De vorm van de planken verraadt dat het om de resten van een afgedankte boomstamkano gaat Dergehjke kano's waren de emge verplaat-singsmogehjkheid m dit gebied van plassen en moerassen

Er zijn tal van aanwijzmgen-, dat deze kampplaats (telkens) in het winterhalfjaar, waarschijnhjk m de gevorderde herfst werd ge-bruikt Allereerst lagen de vondsten overwegend m de laagjes met bladafval, die we als winterlaagjes opvatten Verder zijn er pruime-pitten, hazelnootdoppen en een enkel verkoold appeltje gevonden Tussen de netbossen lagen veel zaadjes van de gele hs Dit alles wijst op de herfst Het belangrijkste zijn evenwel enkele tientallen botjes van watervogels Die blijken uitsluitend afkomstig van jaar-vogels en wintergasten te zijn, zoals de kleine zwaan, smient, bril-duiker en grote zaagbek (fig 4) Omdat deze vogels m een vermeende zomernederzetting bij Swifterbant (Flevoland) ontbre-ken, nemen we aan dat het trekgedrag in die tijd met wezenhjk ver-schulde van nu Behalve vogels is er ook een verdwaalde gnjze zeehond buitgemaakt 5

Zo körnen we tot de uitspraak, dat er omstreeks 4100 voor Christus regelmatig lieden het Rijnmondgebied bmnentrokken om daar te profiteren van de dichte concentraties overwinterend waterwild en om te vissen Dat laatste blijkt uit de overvloedige visresten, schub-ben en allerhande botjes van vissen die nu nog onze plassen bevol-ken voorns, baarzen, aal, maar ook de kolossale meerval (fig 5) Het fraaist wordt het vissen en de kundigheid daann

(5)

Fig. 4 Bergschenhoek. Resten van het skelet van een Kleine Zwaan, tezamen gepakt m de venige ondergrond van de kampplaats aangetroffen. Kennelijk gaat het om een maallijdrest. de kop ontbreekt evenals beide poten en het merendeel van de vleugels Beide opperarmbeenderen zijn afgebroken en aangekoold Van de nbben - voor zover aanwezig - zijn alleen de gewnchtskoppen voorhanden. Curieus zijn de fragiele beenrmgen van de luchtpijp die alleen bij mannelijke exemplaren voorkomen en hier, dankzij de extreem gunstige conservermgscondities, behouden zijn gebleven.

monstreerd door de spectaculaire visfuiken (fig. 6 en 7). Blijkens de teruggevonden wortelstronken werden die ter plaatse vervaar-digd van lange scheuten van de rode kornoelje. Zeer kunstig en re-gelmatig werden die bijeengehouden door een knooploos touw, dat tijdens het maken uit meengedraaide planten (biezen?) werd aange-maakt. Er zijn vier min of meer complete fuiken gevonden, waar-van er een was gebruikt om het loopvlak op het eilandje te verstevigen en te egaliseren. De andere waren in de klei ernaast achtergelaten. Blijkbaar gingen de fuiken maar körte tijd mee en loonde het niet de moeite ze bij vertrek mee te nemen.

Niet alleen werden er fuiken gevonden, maar nog tal van andere voorwerpen, die ons een levendig beeld geven van deze vissers: een bijl van gewei, een priem van vogelbot, stukken touw, lange houten pijlen en delen van vissperen. Een paar grote scherven zijn misschien als netverzwaring gebruikt. Wij kunnen ons afvragen wat er in een minder goed conserverend milieu van zo'n bescheiden kampplaats zou zijn overgebleven. Dat is maar bitter weinig, want het meeste zou zijn vergaan. De drie vuurstenen werktuigjes, wat

houtskool en misschien wat vergruisde scherven is alles wat er in "normale" omstandigheden - dat wil zeggen: op de zandgron-den - over gebleven zou zijn. Wij moeten er ernstig mee rekening houden dat dit soort kampplaatsen een algemeen verschijnsel is ge-weest. Ze laten echter weinig sporen na, behalve in de klei van West-Nederland, maar daar zijn ze wel heel moeilijk te vmden. "Bergschenhoek" is een toevalstreffer en een buitenkansje. Mis-schien zijn de vondsten die in 1953/54 bij de bouw van een dok van Wilton-Feyenoord in Schiedam werden verzameld van een soortge-lijke kampplaats afkomstig.6 Het vondstbericht geeft wel aanlei-ding voor deze veronderstelling.

(6)

Fig. 5. Bergschenhoek Visresten, wervels, kieuwbogen, keeltanden, schubben, graten

praktisch in dezelfde tijd, doch een weinig later, werd de Hazen-donk bij Molenaarsgraaf als woonplaats gebruikt door lieden die soortgelijk aardewerk gebruikten. Zij hadden, blijkens een pollen-diagram, een open piek in het bös gehakt en verder wijst een flinke hoeveelheid verkoold graan en kaf erop dat men er tenminste graan heeft gehad.7 Er is nog een intensieve discussie aan de gang of we mögen zeggen dat er graan op de kleine donk is verbouwd. Het lijkt erop dat een andere mogelijkheid veel beter te verdedigen is, namelijk dat men het graan van eiders heeft meegenomen. Dit maakt inderdaad verschil, want in het eerste geval betekent het een zomerverblijf van enige duur door complete huishoudens en in het tweede geval denken we meer aan een gebruik van het donkje in de herfst of winter door kleinere groepen, zoals bijvoorbeeld onze Bergschenhoekse vissers.

De indirecte aanwijzingen komen uit de Usselmeerpolders, waar op oude kreekafzettingen bij Swifterbant de reeds eerder vermelde woonplaatsen en een klein grafveldje zijn onderzocht.8 De verza-melde gegevens laten zien dat het zeer waarschijnlijk de zomer-plaatsen zijn van een kleine gemeenschap, bestaande uit enkele huishoudens, die leefde van Jacht, visserij en het verzamelen van gewassen, maar daarnaast ook vee hield en graan verbouwde. De materiele cultuur van Swifterbant, met name het aardewerk, ver-schilt in sommige opzichten van dat te Bergschenhoek en op de Ha-zendonk en sluit beter aan bij Deens materiaal, terwijl dat van de

twee laatst genoemde plaatsen meer met aardewerk uit het Rijnland en Nedersaksen (Dümmersee)9 overeen lijkt te komen.

We mögen aannemen dat er resten van soortgelijke woonplaatsen in de ondergrond van het rivierengebied verborgen liggen. Het beeld dat we nu van die bevolking hebben, is dat men tenminste be-kend was met veeteelt en akkerbouw, maar niet permanent in het Rijnmondgebied verbleef. De hoofdnederzettingen lagen eiders, misschien op sommige grote donken of längs kreken. De voedsel-economie was van het zogenaamde breed spectrum-type, waarin veel soorten voedselbronnen in een uitgekiende Strategie worden benut. Hierin past het profiteren van dichte concentraties waterwild in het winterhalfjaar, zoals we dat voor Bergschenhoek veron-derstellen zeer goed. Als de jagers en vissers met volbeladen ka-no's weer naar de hoofdnederzetting terugkeerden was er geen plaats voor de grote fuiken. Die werden achtergelaten, tot groot profijt van de archeologen.

4300-3000 VOOR CHRISTUS

Uit het millennium dat op Bergschenhoek volgt bezitten we geen concrete aanwijzingen van menselijke activiteit in het Rijnmond-gebied. De Hazendonk wordt in deze periode regelmatig als woon-plaats gebruikt, doch niet permanent. Omstreeks 4100 en 3900 v.C. en vooral gedurende een lange periode rond 3700 v.C. is dat

(7)

Fig 6 Bergschenhoek Fuik l Schaal l 10

het geval. We kunnen veronderstellen dat men ook verder westelijk doordrong, maar, zoals gezegd, concrete aanwijzmgen in de vorm van vondsten of vindplaatsen zijn er niet.

Dat kan mede het gevolg zijn van de landschappelijke situatie, die weinig anders was dan voor Bergschenhoek. In deze tijd stabili-seert zieh echter de strandwalgordel, de zee dringt minder gemak-kelijk het achterland binnen en de condities, zowel voor bewoning als ook voor het bewaard blijven van de woonplaatsen worden gunstiger. Er is geen sprake meer van wadden, maar van kwelders, getijdenkreken en veen (flg. 8). Woonplaatsen van de "Vlaardin-gengroep" zijn op verschillende plaatsen in Rijnmond

teruggevon-den: op de strandwal bij Loosduinen, längs kreken te Vlaardingen en Hekelingen en op het donkje van Ridderkerk in Usselmonde. De meest gedetailleerde gegevens over de levenswijze van deze men-sen worden geleverd door het grote noodonderzoek dat in 1980 plaatsvond in de gemeente Spijkenisse.

HEKELINGEN, GEMEENTE SPIJKENISSE, 3000-2600 VOOR CHRISTUS

(8)

zoet-Fig 7 Bergschenhoek Details van fuik l

l 1 Oude Dumen Wadden Kwelders Veen Rivierafzettmg l 1 Pleistoceen

14

(9)

HEKELINGEN

l l oeverwal

L—l komklei

l l veen

Fig. 9. Paleogeografie van de zoetwatergetijdenkreek van Calais IV-ouderdom tussen Simonshaven en Hekelingen, met de Vlaardingen-woonplaatsen Hekelingen-1, -2, -3 en -4 op de oeverafzettmgen. Naar Jagerman 1982.

watergetijdenkreek uit de fase Calais-IV (3500-2200 v.C.) ligt daar praktisch aan het oppervlak. AI in 1949 werden er sporen gevonden van neolitische bewoning. In het volgend jaar vond er een beschei-den opgraving plaats en uiteindelijk werd het terrein en omgeving gepromoveerd tot wettelijk beschermd archeologisch monument.10 De opgraving van 1980 (Hekelingen III) richtte zieh op de bewo-ningssporen op de kreekoevers die bij een intensieve verkenning buiten dit monument werden aangetroffen. Deze archeologische activiteit was noodzakelijk wegens de nieuwbouw van Spijkenisse.

Op een 200 meter lang deel van de noordelijke oeverwal van de kreek werd een hele reeks duidelijk van elkaar gescheiden vondst-concentraties gevonden11 (flg. 9). Deze zijn de weerslag van be-woning gedurende verschillende eeuwen. De positie in de afzet-tingsgelaagdheid, de absolute diepteligging, de kenmerken van het aardewerk en de C 14-dateringen van deze vondstconcentraties la-ten dat overduidelijk zien (fig. 10, 11).

Er zijn in de totale periode van gebruik vier fasen te onderscheiden:

l. Woonplaatsen in en op de top van een eerste oeverwalvorming met een loopvlak op -280 ä -240 cm NAP, circa 3000 v.C. Het belangrijkste is een ruim 25 m lang afvalgebied met veel, goed geconserveerd vondstmateriaal en een reeks van 12 haard-plaatsjes. De bewoning behoort tot de cultuurfase Viaardin-gen-1b.

2. Vervolgens maakt de kreek een periode door waarin de oever-zone onderhevig is aan erosie. Deze fase lijkt vrij kort te hebben geduurd, naar schatting circa 50 jaar. Slechts een enkele woon-plaats dateert uit deze tijd.

3. De derde fase omvat woonplaatsen in en op de top van een tweede oeverwalafzetting, die op de eerste werd afgezet. Het gaat om een hele reeks van kleine vondstgebieden, met door-sneden van 7 ä 12 m, een loopvlak op -240 ä -210 cm NAP en gedateerd circa 2600 v.C. Zij behoren tot een latere cultuur-fase: Vlaardingen-2a.

4. Op een derde oeverafzetting zijn drie kleine vondstplekken ge-vonden, die enkele klokbekerscherfjes opleverden. Deze fase is circa 2200 v.C. te dateren en gescheiden van de voorgaande bewoning door een periode van menselijke afwezigheid van 2 ä 3 eeuwen. Wij laten deze vondsten hier buiten beschouwing en concentreren ons op die van de Vlaardingen-groep.

(10)

nor-l - nor-l zand

DU w«

humeuze klei

woonplaats

hout

houtskool, vondsten Fig. 10. Schematische doorsnede over de hoofdgeul (links), de oeverwal en een kleine zijkreek (rechts). Aangegeven zijn de positie van woonplaatsen en vondsten uit verschillende fasen, de geologische toewijzing van de kleilagen en de ongecorrigeerde uitkomsten van enkele C 14-dateringen in jaren voor heden (BP).

male beeld van een (laat-)neolitische nederzetting. We bevinden ons te Hekelingen echter in een uitzonderlijk milieu, met zeer be-perkte mogelijkheden voor akkerbouw en veeteelt. Bovendien ge-ven de woonplaatsen meer de indruk van kleine kampplaatsen, dan

van έέη vaste nederzetting. Een dergelijke eerste indruk kan echter

bedriegelijk zijn en is zeker geen archeologisch argument. Om tot een nadere precisering van de functie van de woonplaatsen te geraken, is het noodzakelijk na te gaan, welke de mogelijke func-ties zouden kunnen zijn. Het is dan vervolgens misschien mogelijk vragen zodanig te formuleren, dat daarop enerzijds met hulp van het archeologisch materiaal een antwoord is te geven, terwijl an-derzijds dat antwoord een keuze uit de verschillende opties

moge-lijk maakt.12

Het blijkt uiteindelijk om een beperkt aantal mogelijkheden te gaan, te weten:

1. Het zij n permanente of semipermanente woonplaatsen van com-plete huishoudens. In het geval van semipermanente bewoning moet aan het systematisch gebruik in een of enkele seizoenen worden gedacht en aan een bewoningsduur van tenminste enke-le maanden per jaar.

2. Het zijn herhaaldelijk, maar telkens kortstondig gebruikte ter-reinen, door een speciale "task force" voor een speciale, zeer waarschijnlijk seizoen-gebonden aktiviteit. We moeten er in dit geval rekening mee houden, dat het terrein ook in meer dan een seizoen, voor verschillende aktiviteiten kan zijn gebruikt.

Belangrijke vragen zijn dus:

zijn er aanwijzingen, met name in de voedselvoorziening, voor het (de) seizoen(en) dat men te Hekelingen verbleef? wat was de omvang van de groep?

zijn er archeologische correlaten voor werkzaamheden die ty-pisch door vrouwen, mannen of kinderen worden verricht of andere aanwijzingen voor de aan- of afwezigheid van complete huishoudens?

- van welke aard waren de externe kontakten van de bewoners?

Dit zijn allemaal vragen, waarvan we kunnen verwachten, dat het archeologisch materiaal van Hekelingen en de ruimteljke patronen daarvan ons indirekt enige informatie levert. Wij willen in het vol-gende niet systematisch deze vragen beantwoorden, maar een schets geven van hetgeen we tot nu toe van Hekelingen menen te weten, met genoemde vragen in het achterhoofd.

De geringe afmetingen en de vrij scherpe begrenzing van een aantal woonplaatsen, speciaal uit fase 3, laten zieh moeilijk verenigen met een langdurig verblijf (fig. 12). Voor fase l geldt dat in wat minde-re mate: het grote vondstgebied heeft veel gemeen met Swifter-bant-S3, het meest compleet onderzochte terrein aldaar. In veel woonplaatsen behorende tot fase 3 werden onder de vuile woonlaag de sporen van paaltjes gevonden en ook waren, onder het grond-water, de houten palen zelf vaak bewaard gebleven. Met een paar uitzonderingen gaat het om paaltjes met doorsneden van 6-10 cm die of in clusters binnen een woonplaats voorkomen of in een lange

(11)

Fig 11 Hekelmgen III Foto van het westprofiel van werkput l, waarop de linker helft van figuur 10 voor een groot deel is gebaseerd Duidehjk te onderschei den zijn Calais III gorsafzettmgen (1), de daarop volgende humeuze afzetting (2), die overdekt wordt door de oeverwal (3) van de hoofdgeul Daarop de donke re "woonlaag" van woonplaats F (4) Links de gecomphceeide geulopvullmg met ondermeer wortelstronken van oeverbosjes (5)

1-4

5_24

25_99

100 _ 249

250_499

500 _ 999

> 1 0 0 0 g r

Fig 12a

(12)

• *

• aaneenpassend

• gebr sporen

φ kern

Fig. 12b

-m *

\

ST

3-

**

Fig. 12. Hekehngen III. a Verspreiding (in grammen per m2) van het aardewerk op de woonplaatsen D, E en F. Het blijkt te gaan om kleine distmcte

vondst-gebieden. b: Het vuursteenmateriaal uit deze woonplaatsen bleek onderhng te passen Het is waarschijnlijk dat deze drie woonplaatsen gehjktijdig in gebruik zyn geweest.

rij. Van st&vig gebouwde huizen zoals we die uit Haamstede en Vtaardingen kennen, is geen sprake. De clusters moeten de resten zijn van meermalen herbouwde of gerepareerde, ronde of ovale hutten. Voor de paalrijen hebben we nog geen zekere verklaring; het zijn echter geen huiswanden, want zware posten die het dak

Fig. 13. Hekelingen III. Kafresten van emmertarwe; ongeveer 9 X wäre

grootte.

zouden kunnen dragen ontbreken. Tezamen zijn dit dus argumen-ten voor een weinig langdurig verblijf, maar we moeargumen-ten oppassen: ook in het Mesolithicum en in Swifterbant kon men de elementen heel goed in een licht geconstrueerd onderkomen doorstaan!13

Al-les met elkaar lijkt permanente bewoning dus weinig waarschijn-lijk. Daarentegen zijn er loch ook duidelijke argumenten legen kortstondige bivakken van enkele vissers of jagers. Ik denk, dat het grote aantal gebrokken polten op de meeste plaalsen daarmee siecht le verenigen is. In de loop der tijden zijn er in tolaal minimaal 560 pollen gebroken en in de meeste afzonderlijke woonplaalsjes minslens enkele tienlallen. Juisl in dil opzicht zijn er echter gröle verschillen, die niet door latere verwering verklaard kunnen wor-den. In eersle inslanlie richten we ons evenwel op de vondstrijke woonplaalsen.

Welke aklivileiten ontplooiden de bewoners zoal?

Hoewel het botmateriaal nog in Studie is, kunnen we wel zeggen, dat de jacht van meer belang was voor de vleesvoorziening dan de veeteell. De jacht op het edelhert was hei belangrijkst, maar ook wilde zwijnen, reeen en allerlei pelsdieren werden buitgemaakl.14

De veeslapel bestand uit runderen, opvallend veel varkens en maar een enkele geit of schaap. We veronderstellen dal de varkens hun kostje wel in de oeverwalbossen konden vinden. De runderen kon-den evenwel veel beler workon-den geweid op de uitgestrekte kwelders die enkele kilomelers verder westelijk op de oeverwallen aansloten. Hoe belangrijk vissen was, is moeilijk le zeggen. Visreslen blijven nu eenmaal veel slechler bewaard dan beenderen. De localie was voor het vissen evenwel uitermale geschikl, speciaal op de grote steuren, die 's zomers de nvieren op kwamen zwemmen. De kleine zijkreken, juisl in het deel van de oeverwal waar de woonplaatsen

(13)

. 10

Fig. 14. Hekelingen III. Selectie van vuurstenen werktuigen uit diveise pijlspitsen; 10-13. krabbers. Schaal 1:1. Naar Verhart 1983.

voonplaatsen. 1-2. bylen; 3: bijlafslag; 4-6· transversale pijlspitsen; 7-9: gesteelde

liggen, vormden ideale plaatsen om steuren te vangen in houten fuikconstructies, zoals Boddeke voor Ylaardingen veronderstelt.15 Huidverbeningen van de steur en houtconstructies in een zijkreekje zijn sprekende getuigen van een dergelijke visserij te Hekelingen III. We stellen tevens vast, dat men er in elk geval zomers bivak-keerde.

Plantekost moet echter minstens even belangrijk, waarschijnlijk zelfs van groter belang zijn geweest. Botten springen nu eenmaal meer in het oog dan verkoolde zaden, maar daardoor moeten we ons niet van de wijs laten brengen: er werden ondermeer appeltjes, hazelnoten en waternoten verzameld, wat op zijn vroegst in het be-gin van de herst zou kunnen. Daarnaast moeten we denken aan knollen, wortelstokken (plomp, gele lis) en bladgroenten: voedsel dat in het geheel geen sporen achterlaat in de archeologische con-text. Zoals reeds vermeld, werden in het merendeel van de

(14)

sneu-Fig 15 Hekelmgen III Twee doorboorde hoektanden l hond, 2 bruine beer Een selectie van werktuigen en afvalstukken van de beemndustne, gebaseerd op de metapodia van het edelhert 3 afgesneden distale gewrichtskop, 4 overlangs gespleten deel van diafyse, 5 zwaie priem op proximaal einde 6 slanke priem, 7 beitel met slagbeschadiging Schaal l l Naar Maarleveld 1985

velen, want de oeverwal is maar smal, en van enige mgreep in de vegetatie is niets te bespeuren

Voor we ons nu wagen aan een schets van de mogehjke funktie van deze lokatie binnen de organisatie van de Vlaardmgengemeenschap eerst nog enige aanvullende gegevens voor de verdere beeldvor ming De mensen gebruikten shjpstenen en vuursteen, die beide van ver moeten zyn aangevoerd Het vuursteen in de vorm van knollen en bijlen moet grotendeels uit het uiterste zuidwesten van Belgie körnen, de streck by Boulogne-sur-Mer met name 17 Deze vuurstenen werktuigen waren een basisbehoefte (fig 14) Zij wer-den ondermeer gebruikt om weer andere werktuigen te snijwer-den uit middenvoetsbeenderen werden priemen en beitels gemaakt volgens

een uitgekiend en gestandaardiseerd werkprocede18 (fig 15) Wat het aardewerk betreft, zouden we graag willen weten of dat ter plaatse is (kan zijn) gemaakt, of dat het van eiders is aangevoerd Diatomeeenanalyse daarvan en van de toen beschikbare kleien kan ons dat misschien leren De eerste uitkomsten daarvan wijzen m elk geval op verschillen in de samenstellmg van de grondstof voor ver schulende soorten aardewerk l9

Heel bijzondere vondsten zijn de min of meer complete essehouten peddel en de helft van een taxushouten boog, beide aangetroffen in een geulvulling Zij laten ons de doelbewuste houtkeuze en de grote technische vaardigheid van deze mensen zien Heel opmerkehjk zijn ook de aanwijzmgen voor een typisch vrouwehjke aktiviteit, het spinnen, in de vorm van enkele gebroken spmschijfjes van

(15)

bakken klei Zolang er echter geen ondersteunende argumenten zijn voor de aanwezigheid van vrouwen of meisjes moeten we voorzichtig zijn met te ver reikende gevolgtrekkingen Voorts wer-den er voor het eerst mensehjke begravmgen gevonwer-den van de Vlaardmgergroep twee crematies en een groep uit verband ge-raakte, onverbrande beenderen20 (fig 16) Er is geen sprake van een echt grafveldje, maar van enkele incidentele begravmgen De aard daarvan verklaart meteen waarom deze tot nog toe niet werden ontdekt grafgiften en grafstrukturen ontbreken Het is moeihjk een uitspraak te doen over de relatie van deze graven tot de bewoning Wij kunnen dit dodenbestel ter plaatse opvatten als een argument legen de "extraction camp"-optie Twee van de dne doden zijn volwassen mannen en het valt te verwachten dat men deze in zo'n geval naar de basisnederzetting zou hebben gebracht voor een regu-liere begraving

Alles met elkaar meen ik, dat er voldoende argumenten zijn om te kunnen stellen, dat de woonplaatsen te Hekelmgen afkomstig zijn van een met-agransche groep, met uitzondenng misschien van em ge veehoudenj op de kwelders (fig 17) De vnj grote hoeveelheid vondstmatenaal en de diversiteit aan geregistreerde werkzaamhe-den wijzen op een meer dan inciwerkzaamhe-dentele en kortstondige bewonmg De keuze hjkt te gaan tussen de volgende modellen

l De woonplaatsen zijn telkens relatief kort, maar herhaaldelijk gebruikte kampplaatsen van een kleine groep mensen, afge-splitst van een grotere groep, die eiders in permanente of semi-permanente agrarische nederzettingen woonden en van waar o m vee en graan werd meegenomen Als seizoen valt te den-ken aan de late zomer/vroege herfst gezien de combinatie van steurvissen, het verzamelen van veldvruchten en noten en de beschikbaarheid van graan

2 De woonplaatsen zijn langdunger bewoond door een meer on afhankehjke, met-agransche groep, die zieh had gespeciah-seerd op de voedselbronnen van het getijdengebied en die een ruilverkeer onderhield met andere, agrarische gemeenschappen in delen van het deltagebied, die beter geschikt waren voor ak-kerbouw en veeteelt Men kan veronderstellen, dat vis (m n steur) en bont werden geruild legen vuursteen, graan en vee Behalve deze "externe relaties" wi|st ook de wijde verbreiding

(c)

(b)

(16)

HEKELINGEN III

Vlaardmgen groep circa 4200 B P circa 2700 v C

3 huishoudens

viiursteenbewerking beenbewerkmg vee slachten spinnen aardewerkfdbncage dodenbcstel agrarische

nederzettingen eiders bijvoorbeeld op de kwelders m Zeeland

ZOMER, HERFST

-SEIZOENSMIGRATIE'

Noordwest-Frankrijk

WINTER

woonplaatsen misschien eiders

Fig 17 Hekehngen III Schematische weergave van de verschillende activiteiten en de externe relaties, volgens het in de tekst gepresenteerde model

van de Vlaardingengroep erop, dat de bewoners van de Maasmond deel uitmaakten van een veel ruiniere gemeen-schap 21 Daarbinnen narrten zij evenwel toch een bijzondere plaats m, als een groep met een bijzondere aan het zoete gety-denlandschap aangepaste levenswijze

We vragen ons af, of het mogehjk is een met steekhoudende argu-menten onderbouwde keuze te maken uit deze beide mogehjkhe-den Het lijkt in elk geval verstandig om deze keuze uit te stellen tot het moment, waarop alle specialistische rapporten beschikbaar zijn We kunnen evenwel reeds enkele factoren, die van belang zijn, aanstippen Allereerst zijn de verschallen tussen het m de di-verse Vlaardingennederzettingen gebruikte vuursteen opvallend Hekehngen komt wat dat betreft nog het meest met Vlaardmgen overeen, maar de verschillen met Haamstede (strand-rolstenen), de

terremen op de Zuidhollandse strandwallen (Voorschoten, Leid-schendam rolgrmt van verschillende kwahteit) en op de donken m het nvierengebied (Hazendonk overwegend Maasgnnt) zijn te groot om Hekehngen als ondergeschikt extractwn camp van een van deze woonplaatsen op te vatten Wat het gebruikte vuursteen betreft Staat Hekehngen dus op zichzelf 22

Het zou voor de beeldvorming zeer bevorderhjk zijn te weten, wat er zieh precies op de Zeeuwse kwelders in deze tijd heeft af-gespeeld Wij hielden hierboven irnmers rekenmg met de mogehjk-heid dat de Hekehngers er hun vee weidden, of anders vee betrokken van (semi-)permanent op die kwelders levende groepen Tot op heden zijn vandaar echter geen woonplaatsen bekend Wij kunnen evenwel veronderstellen dat daar nederzettingen hebben gelegen van hetzelfde karakter als de evenoude woonplaatsen m het toenmalige kweldergebied van Westfnesland Zandwerven,

(17)

woud en Kolhorn 23 Dat deze terremen een ander (standvoet-beker-) cultuurmerk dragen hjkt mij geen ernstig bezwaar te zijn legen een dergehjke extrapolatie Ploegsporen zijn te Zandwerven het onmiskenbare bewijs van akkerbouw en dientengevolge ook van bewonmg tenmmste m de zomer De Hekelmgers zouden vol-gens de tweede optie met de bewoners van dergehjke nederzettin-gen kunnen hebben geruild, volnederzettin-gens de eerste optie kunnen zy deel hebben uitgemaakt van dergehjke kwelder-gemeenschappen Het grote aantal gebroken polten, de diversiteit van de geregistreer-de aktiviteiten, het voorkomen van spmschijfjes en geregistreer-de aanwezig-heid van mensehjke begravmgen kunnen alle gebruikt worden als ar.gumenten voor de tweede optie Voorlopig staan daar alleen de bescheiden afmetmgen van een aantal woonplaatsen tegenover Wij zijn benieuwd m welke nchtmg de resultaten van het archeozoolo gisch onderzoek zullen wyzen, wat de uitkomsten zullen zijn van het diatomeeenonderzoek van het aardewerk en van het gebruiks-sporenonderzoek van de vuurstenen artefacten 24 Zo zien wij, dat de functionele interpretatie van de laatneolithische woonplaatsen in het getydengebied onderhevig is geweest aan voortdurende veran-dermg, naarmate er nieuwe hypothesen worden ontwikkeld, nieu-we argumenten worden aangevoerd en oude verworpen Oor spronkehjk werden Viaardingen en Hekelmgen opgevat als min of meer permanente woonplaatsen van groepen die zieh door een semi-agransche voedseleconomie optimaal aan dit extreme milieu hadden aangepast Bij de opgravmg te Hekelmgen in 1980 leek de ze opvattmg nauwehjks staande te houden en werd als alternatief het extraction camp model gepresenteerd Met name door het paleobotamsch onderzoek bleek deze opvattmg geen stand te kun-nen houden en werd een meuw model ontwikkeld, dat van een semi-agransche bewonmg in het zomerseizoen Ook dit idee blijkt nu te moeten worden vertaten Naast het extraction camp-model hjkt nu een interpretatie het meest kansnjk, die slechts in een be-langnjk opzicht van de allereerste opvattmg verschilt, namelijk in de wijze waarop deze gemeenschappen landbouwprodukten, met name graan en hjnzaad maar misschien ook vee, verkregen Wat steeds bhjft, is het speciale gebruik dat van het getydengebied is ge-maakt Wat aan verandenng onderhevig is, is de wijze waarop deze activiteiten in een groter geheel zijn te integreren In dit Stadi-um is het ontwikkelen van goede argStadi-umenten en het volgen van redenatie-lijnen van groter belang, dan de uitemdehjke uitkomst Voor een buitenstaander, die graag een ondubbelzinnige uitspraak wil hören, is dit stellig met geheel bevredigend, maar het hjkt mij met juist oplossingen te geven, die er feitehjk nog met zijn

Onlangs heb ik een pleidooi gehouden voor het verbreken van het isolement van de Vlaardmgen-"cultuur" en deze hever te zien als een Viaardingen "groep", die onderdeel is in cultureel opzicht -van een veel wijder cultuurgebied, dat zieh uitstrekt tussen de Noordfranse-Zuidbelgische Seme-Oise-Marne cultuur en de trech-terbekercultuur m het noorden 25 Het geeft m deze visie weinig Problemen de bewoners van Hekelmgen enerzijds af te schilderen als een kleine, in zijn voedselvoorziemng in het getijdengebied gespecialiseerde gemeenschap, anderzijds als een groep met speci-ale connecties voor de toelevenng van vuursteen, die reikten tot in Noordwest-Franknjk Het is nog met duidelijk of wij hen moeten zien als Zeeuwse of Belgische boeren, die 's zomers in Rijnmond kwamen vissen, of als Hollandse vissers, die ruilhandel bedreven met hun verwanten m zuidehjke streken Dit verklaart misschien de titel van deze bijdrage

Dankbetmgmg

Deze beschouwmg kon ik alleen geven, dankzij de inventiviteit van een groot aantal medewerkers en Studenten, die betrokken zijn geweest - of dat nog steeds zijn bij het onderzoek en de mtwerkmg van de gegevens van Hazendonk, Bergschenhoek en Hekelmgen Van hen wil ik speciaal noemen Peter Asmussen, Corrie Bakels, Dick Brinkhmzen, Peter van den Broeke, Wil Casparie, Marjohjn Fluwijn, Robert van Heeringen, Menno Hoogland, Richard Jagerman, Menno Jansrna, Wim Kuijper, Thijs Maarleveld, Wytske Prummel, Piet van de Velde, Caro-lien Vermeeren, Lucie Wassmk, John van der Woude, Marijke van de Westen, en m het bijzonder Leo Verhart, die vele jaren de technische leiding m het veld had en bergen werk verzette bij de mtwerkmg Mijn dank gaat ook uit naar Jan Boogerd, Henk de Lorm en Leo Verhart (tekenmgen) en Jan Pauptit (foto 's)

Manuscript afgesloten jum 1985

NEOLITHIC SETTLEMENT AND SUBSISTENCE IN THE MEUSE ESTUARY

Only very few sites from the Neolithic penod have been discovered in the Meuse estuanne distnct Severe later erosion in several phases and the deposition of thick covers of sand, clay and peat are responsible for this But the favourable conditions for the preserva-tion of orgamc matenal makes these few sites very informative The first traces of occupation are over 300 barbed points, collected smce 1971 by amateur archaeologists from the dredged-up sands at the large harbour constructions of Europoort (fig 1) These points are considered äs lost fishing and hunting equipment from the large lakes and marshes that filled the Rhme/Meuse Valley in the later Boreal penod, when the sea leven had nsen to about this level of c -22 m

The site of Bergschenhoek was discovered m 1976 and excavated m 1978 It appeared to be a short-term extraction camp used for fishing and fowlmg, c 4200 B C (fig 2 and 3) It was situated on a small lump of peat, first floatmg next to a lake bank, later fixed in a clay deposit The microstratigraphy of this clay was mterpreted äs a annual rythm, so an (mtermittent) use of the site durmg c 10 years was attested This is confirmed by the multi-phased structure of a central fireplace In one of the phases a hut with wooden floor was constructed The remams of water fowl (fig 4) compnse a remai kable senes of (present day) hibernatmg birds, next to residential birds This is, together with other arguments, the main reason to consider the site äs a winter or autumn camp of an Early Neolithic Community that had its base camp or permanent settlement outside this region The most spectacular fmds are the remams of a number of fish traps, one of them almost complete (figures 6 and 7)

We have no traces of occupation for a one thousand year penod fol-lowing Bergschenhoek, but we know from a site to the east of this distnct a hill top called Hazendonk, - see figure 8 - that people were present intermittently in the delta distnct

(18)

10) The animal remains show that cattle and pigs were kept and butchered at the sites, but that hunting (red deer, wild boar, beaver esp ) was of more importance, äs will have been fishing (esp stur-geon) Charred cereal remains (fig 13) must reflect exchange with people in other ecological zones, smce the creek levee was not very suited for crop cultivation and pollen diagrams do not show any trace of forest clearence Sturgeon fishing, collectmg waternut, ap ple and hazelnut are indicators for human presence in summer and early autumn at least Together with the attested stock breeding and the large amount of broken pottery an Interpretation äs special ac-tivity sites is not tenable, despite the fact that clusters of thin stakes pomt to flimsy huts äs housmg The model that fits all data best is that of a small group of complete households, with a food economy adapted fully to the peculiar environmental conditions and mam-taining exchange relations with groups m other ecological zones (fig 17) In this pattern the use of flint from sources m NW-France must be fitted too

For a more detailed account the reader is referred to LOUWE KOOIJ MANS Neohthic Settlements and Subsistence m the Wetlands of the Rhine/Meuse delta, in J M COLES and A j LAWSON (red ), Eu-ropean Wetlands m Prehistory, Oxford (in press)

NOTEN

1 Een complete documentatie en uitvoenge Studie van alle vondsten wordt momenteel uitgevoerd door L B M Verhart, die het matenaal bovendien m een wijde, Europese context zal plaatsen De vondsten van de Brume Bank, waaraan de laatste jaren ook enkele nieuwe zijn toegevoegd zijn eveneens onderwerp van hernieuwde Studie Louwe Kooijmans, 1970, 1974, p 15, 1980

2 Uit Denemarken en Zuid-Zweden zijn geschachte exemplaren be-kend De "visgrond"-mterpretatie wordt b v ook aangehangen voor de njke vondsten uit Kunda, Estland In dit geval baseren we ons vooral op de zeer selectieve samenstelling van het vondstmatenaal t o v dat afkomstig uit even oude Deense plaatsen Grote werktuigen en vuursteen ontbreken praktisch volledig

3 Rotterdam-IJsselmonde M C van Tnerum mond med , Van Trie-rum e a m voorbereiding Schoonwoerdse donk Louwe Kooijmans,

1974, p 17, 87, 343, 371

4 Wij danken deze ontdekkmg aan de heer H van Hilten Louwe Kooij-mans m Sarfatij 1977, p 245 247, 1978, p 297-299, Bloemers e a 1981, p 42-43

5 Het zoologisch matenaal is bewerkt door Dr A T Clason en Drs D C Bnnkhuizen, botanisch onderzoek is of wordt uitgevoerd door Dr W A Caspane (hout), Prof Dr W A van Zeist (macroresten) en Dr C C Bakels (stuifmeelonderzoek) Clason/Bnnkhuizen, 1978, 1979 Drs J Zeiler bereidt momenteel een proefschnft voor over het zoologisch matenaal van Swifterbant en de Hazendonk 6 Van Regieren Altena et al , 1962, p 19-20, Louwe Kooijmans, 1974,

p 18 20, 343

7 Louwe Kooijmans, 1974, p 138 e v , 1976 en m druk, Bakels, 1981 voor voorlopige paleobotamsche gegevens

8 De meest recente samenvattmg Deckers et al , 1980

9 Voor een nadere specificatie en hteratuur Louwe Kooijmans, 1976 10 Modderman, 1953, 1974, Louwe Kooijmans en Van de Velde, 1980 11 Louwe Kooijmans m Sarfatij, 1981, p 257-261

12 De prehistonsche nederzettmgsresten, die in Holocene Sedimenten van de delta zijn mgebed, zijn by uitstek geschikt voor een ruimtehjke en functionele analyse, omdat de latere verstonng door natuurhjke processen relatief gering is Toch zijn ook deze sites slechts een ver-vormde en verstoorde weerslag van vroegere mensehjke activiteiten en moeten zij ons bij de mterpretatie strikt aan de daarvoor (o m door Schiffer, 1976) opgestelde benadenng houden

13 Wij kijken daarbij met een schum oogje naar de even oude hutten van de Horgen cultuur, die m de 30-er jaren bij Dullenried aan de Federsee in Württemberg werden opgegraven (Remerth, 1936) 14 De Studie van het zoologisch matenaal werd verncht door Dr

W Prummel

15 Boddeke, 1971, p 162

16 Bakels, deze bundel Diverse Studenten leverden hieraan een belang njke bijdrage door het teilen en mterpreteren van een pollendiagram Peter Asmussen, Marijke van den Westen, Maja Schuller en Carohen Vermeeren

17 Verhart, 1983 18 Maarleveld, 1985

19 Het diatomeeenonderzoek wordt uitgevoerd door drs M J Jansma, I P P Amsterdam

20 Hoogland, 1985

21 Het hjkt beter van een "Vlaardingen-groep" dan van een "Vlaar dingen cultuur" te spreken Zie Louwe Kooijmans, 1983 22 Verhart, 1983

23 Zandwerven Van Regieren Altena et al , 1962, p 7 13 Aartswoud Van Ilerson Scholle/De Vnes-Melz, 1981, Pals, 1983 Kolhorn jaarbenchlen in de Archeologische Kroniek van Noord Holland over de jaren 1975 1983, (Wollenng, 1976 1984) 24 Vgl nolen 14 en 19 Hei gebruiksporenonderzoek wordl uitgevoerd

door drs A L van Gijn 25 Louwe Kooijmans, 1983

BIBLIOGRAFIE

JHF BLOEMERS LP LOUWE KOOIJMANS & H SARFATIJ 1981 Verleden

Land, Archeologische opgravmgen m Nederland, Amsterdam, 1981 c c BAKELS 1981 Neohthic Plant Remains from the Hazendonk, Province

ot Zuid Holland, The Nelherlands, Zeitschrift für Archäologie, 15,

1981, p 141 148

R BODDEKE 1971 Vissen en vissen, Amsterdam, 1971

A τ CLASON & D C BRINKHUIZEN 1978 Swifterbant, mammals, birds, fishes Hehmum 18, 1978, p 69 82

A τ CLASON & D c BRINKHUIZEN 1979 Vogelen en vissen, een ghmp van de Nederlandse vogel- en viswereld uit het verleden, Westerheem 29, 1979, p 923

P H DECKERS J P DE ROEVER & J D VANDERWAALS 1980 Jagers, vissers en boeren m een prehislonsch gelijdengebied bij Swifterbant, Jaarboek Nederlandse Orgamsatie voor Zuiver Wetenschappehjk Onderzoek, 1980, p 111 145

MLPHOOOLAND 1985 Fysisch-anlropologisch onderzoek aan hei skelel malenaal van de opgravmg Hekelmgen III, docloraalscnplie IPL F R VAN ITtRSON SCHÖLTE & W H DE VRIES METZ 1981 A Late NeollthlC

Selllement al Aartswoud I, Hehmum, 21, 1981, p 105 135 M p JAGERMAN 1982 Verslag van een geologische kartering m de polders

Vnesland en Simonshaven (Voorne Putten) inlern rapporl Inslituut voor Aardwelenschappen der Vnje Umversileil, Amsterdam L p LOUWE KOOIJMANS 1970 Mesolithic Bone and Anller Implemenls from

Ihe Norlh Sea and from Ihe Nelherlands, Berichten van de Rijksdiensl voor hei Oudheidkundig Bodemonderzoek, 20-21, 1970-1971, p 27 73

L p LOUWE KOOIJMANS 1974 The Rhine/Meuse Della, Four Studies on ils Prehistonc Occupation and Holocene Geology, proefschnfl Leiden, 1974, ook Oudheidkundige Mededelmgen, Leiden, 53/54 (1972 1973) en Analecla Praehislonca Leidensia 7, (1974)

L P LOUWE KOOIJMANS 1976 Local Developments m a Borderland, a Survey of Ihe Neohthic at the Lower Rhine, Oudheidkundige Mede dehngen Leiden, 57, 1976 p 227 297

L p LOUWE KOOIJMANS 1980 De Lage Landen loen Prehislonsche bewo mng van onze kustslreken, m M Chamalaun & H T Walerbolk (red ), Vollooid Verleden Tud9, Amsterdam 1980, p 21-46

L P LOUWE KOOIJMANS 1983 Tussen Som en TRB, emge gedachten over het laal neolilhicum in Nederland en Belgie, Bullelm van de Koninkhj-ke Musea voor Kunsl en Geschiedems, 5, 1983, p 55 67

(19)

L p LOUWE KOOIJMANS Neohthic Settlement and Subsistence in the Wet lands of the Rhme/Meuse delta, in J M Coles & A J Lawson (red ), European Wetlands m Prehistory, Oxford, m druk

L p LOUWE KOOIJMANS & P VAN DE VELDE 1980 Opgravmg Hekelmgen III, gemeente Spijkemsse, voorjaar en zomer 1980, intern rapport Lei-den, 1980

THJ MAARLEVELD 1985 Been en tand als grondstof m de Viaardingen cultuur, doctoraalscnptie IPL

P J R MODDERMAN 1953 Een neohthische woonplaats m de polder Vnes-land onder Hekelmgen (eiVnes-land Putten) (Zuid HolVnes-land), Berichten van de Rijksdienst vooi het Oudheidkundig Bodemonderzoek, 4, 1953, p

l 26

PJR MODDERMAN 1974 Nogmaals "Hekelmgen Γ', Helmium, 14, 1974, p 215-217

J P PALS 1983 Plant remams from Aartswoud, a neolithic settlement m the coastal area, m W van Zeist & W A Caspane (red ), Plants and Ancient Man, Rotterdam 1983, p 313 321

J F VAN REGTEREN ALTENA et al , 1962 The Viaardingen Culture (I), He Immm, 2, 1962, p 3 35

H REINERTH 1936 Das Federsee Moor als Siedlungsland des Vorzeit-menschen, Leipzig, 1936

H SARFATIJ 1977 Archeologische kroniek van Zuid Holland over 1976, Holland 9, 1977, p 245 267, ROB-overdruk 104

H SARFATU 1978 Archeologische kroniek van Zuid-Holland over 1977, Holland 10, 1978, p 297-312, ROB overdruk 115

H SARFATU 1981 Archeologische kroniek van Zuid-Holland over 1980, Holland 13, 1981, p 257-279, ROB-overdruk 169

M SCHIFFER 1976 Behavioural Archeology, New York, 1976

L B M VERHART 1983 Beschnjvmg van het vuursteen uit de opgravmg Hekelmgen-3, intern verslag RMO

L B M VERHART m voorbereidmg Een beschnjvmg van mesohthische benen artefacten uit Europoort en een typochronologische vergehjkmg met Noordwesteuropees matenaal

JCL WASSINK 1984 Het aardewerk van Hekelmgen III, intern verslag RMO

P J WOLTERING 1975-1983 Archeologische kroniek van Noord-Holland over 1974-1982, m Holland 7-15

Figure

Updating...

References

Updating...

Related subjects :