I have changed my plan a little. James Boswell en de klassieken, deel 2

Full text

(1)

• 'I have changed my plan a little' •

James Boswell en de klassieken, deel 2

Nadat ik de vorige maal de persoon Boswell heb geïntroduceerd, en heb aaangegeven dat we daar nu eens de kans hebben te zien hoe de gemiddel-de achttiengemiddel-de-eeuwse ontwikkelgemiddel-de man met gemiddel-de klassieken omspringt, is het ditmaal zaak het een en ander in meer detail te bekijken.

Om te beginnen moeten we even stilstaan bij het feit dat 'de klassie-ken' in het geval van Boswell de Latijnse klassieken betekent In hoeverre Boswell ook hierin model kan staan voor zijn tijdgenoten is moeilijk uit te maken: slechts zelden treffen we in Boswells dagboeken iemand aan die naar Griekse teksten verwijst of daaruit citeert. Maar dat kan aan Boswell liggen: indien het Grieks door anderen gebruikt grotendeels aan hem voor-bij ging, lijkt het aannemelijk dat hij het niet in zijn aantekeningen opnam. In de zeer spaarzame pogingen een Grieks zinnetje of woord te noteren, gaat het al direct mis. Anderzijds zullen Boswells problemen met het Grieks ook niet uniek geweest zijn: hij merkt tenminste nooit op dat hij zich een buitenbeentje voelt door ontoereikende kennis van die taal.

(2)

Zuylen en een affaire met de aangename weduwe Geelvinck verschaften hem enig licht in de Hollandseduisternis).

In een brief aan zijn vriend Temple (23 september 1763) geeft Boswell het volgende studieprogramma: 'I get up every morning at seven. I read Ovid till nine, then I breakfast. From ten to eleven I read Tacitus. From eleven to twelve I am shaved and dressed every day. From twelve to one I hear a lecture upon Civil Law. From one to three I walk and dine. From three to four my French master is with me. The rest of the day is spent in reading different books and in writing. This day I began to set about recov-ering my Greek'. Inderdaad horen we in volgende brieven en aanteke-ningen over leerboekjes en over Xenophon. Maar al spoedig (24 septem-ber) ook over de 'mala fama' van het biljarten. Boswell is zwak, zoals hij altijd blijven zal: 4 december volgt in een andere brief aan Temple een aanpassing van het programma. 'I have changed my plan a little. I allow three hours every evening for amusements. I am come abroad to see foreign manners as well as to study'.Een prima smoes! Xenophon schiet er bij in: in 1779 is Boswell nog altijd doende 'to recover his Greek'. Zonder succes.

Wanneer we diezelfde Boswell in 1763 en volgende jaren, gedurende zijn 'grand tour' over het continent, zien jagen op Anacreon-handschriften is dat dus zeker niet voor zijn eigen doelstellingen! Hij doet dat voor zijn vader, die kennelijk met het Grieks even vertrouwd was als met het Latijn, zoals ook zijn zoon bewonderend mededeelt, en voor Sir David Dalrymple. Dairymple was overal op zoek naar fragmenten van en commentaren op Griekse lyrici, met name Anacreon, en ziet in de reis van de jonge Boswell een kans om contacten te leggen met verre bibliotheken. Boswell stelt in Leiden nog de hooggeleerde Gronovius vragen omtrent de 'Graecae lyrici'

(sic) (21 december 1763). Wat deze en andere vragen uiteindelijk

(3)

Maar dat Latijn? Ligt dat dan echt heel anders? Ja Zoals de vorige maal reeds gezegd, Boswell kon het vlot lezen, spreken en schrijven. In zijn rechtspraktijk als advocaat werd hij natuurlijk veelvuldig met Latijn geconfronteerd en hanteerde het als vanzelfsprekend. In mijn ervaring zijn het. Latinisten uitgezonderd, alleen bepaalde groepen juristen die zich ook heden met een zeker gemak en zekere vanzelfsprekendheid van het Latijn bedienen. Maar het gaat dan wel om een specifiek Latijn voor een specifiek doel: een vakjargon. De vraag die we aan de hand van Boswells dagboeken beantwoord wilden zien, is niet in de eerste plaats of men een dergelijk jar-gon wel onder de knie had. De hoofdvraag is of de klassieke scholing nu inderdaad zo aldoordringend was als het ons vaak wordt voorgesteld.De globale indruk die we uit Boswells dagboeken konden opmaken, gaf hier al te denken. Ook wanneer we afdalen tot een meer gedetailleerd niveau, is er reden tot enige twijfel.

Accoord, er wordt nogal wat Latijn geciteerd, door Boswell zelf, of door mensen die hij sprekend in zijn dagboeken opvoert. Zoals gezegd, minder dan ik verwacht had, maar natuurlijk meer dan in een hedendaags 'egodocument' te verwachten is. Het is wel oppassen. Ten eerste: wat Latijn lijkt is misschien niet altijd Latijn. Boswell meldt (24 april 1764) de lectuur van Gaubius' Sermo academicus alter de regimine mentis. Misschien las hij op dat moment inderdaad in het Latijn. Maar anderzijds bezit Yale University nu Boswells exemplaar van Gaubius' tractaat: in de Engelse vertaling! Tweede: wat kennis lijkt is soms een kwestie van opzoeken. De verschillende toepasselijke zinsneden kunnen zijn opgezocht. Voor een verslag van een conversatie in het dagboek is dit minder waar-schijnlijk (maar zie hieronder voor enige complicaties), voor brieven, en zeker voor motto's en opdrachten is het daarentegen zeer aannemelijk. We zien Boswell aan het werk. ffypochondriack no. 49, een aflevering uit een reeks essays die Boswell leverde voor een Londens periodiek, draagt een motto gekozen uit het werk van Flavius Vegetius Renatus. Zo, las men dat ook al? Het zou natuurlijk de vrucht van een wijde lectuur kunnen zijn. Een dagboekaantekening van 16 oktober 1781 toont echter dat Boswell het motto haalde uit Th. Holyoke's Lexicon Philologicum et dictionarium

ety-mologicum. Ook bij andere gelegenheden zegt hij expliciet in de

(4)

Het is anderzijds niet aanemelijk dat alles is nageslagen: Horatius wordt zo veelvuldig geciteerd, daar kan Boswell een grote vertrouwdheid toch moeilijk ontzegd worden. Horatius was de favoriete auteur van Boswells vader (samen met Anacreon). In een brief aan zijn zoon Alexander (7 februari 1794) zegt Boswell dat zijn vader hem een beloning (van welke aard blijft onduidelijk) gaf voor iedere ode van Horatius die hij van buiten leerde. Bijgevolg kende hij er op een gegeven moment een stuk of veertig, benevens andere passages uit Horatius, Ovidius en Vergilius. Let wel: 'kende op een gegeven moment', niet 'ken ik nu nog'. Zo hier en daar in de dagboeken vinden we sporen van die grote vertrouwdheid: 'Boswell: "Seward, where are low spirits now?". "In Mare crerJcum", said he' (12 mei 1788). Beide heren kennen Horatius, Ode 1. 26, 1-3 goed genoeg om de context aan te vullen. Meneer Seward citeert, Boswell herkent. Denk ik. Helaas moeten we ook hier weer een slagje om de arm houden: men kan wel iets citeren, maar weet de vriendelijk, begrijpend glimlachende toehoorder ook altijd echt wat precies bedoeld wordt?

We kunnen Boswell er op betrappen dat hij een stukje openlaat om later een onvolledig Horatius-citaat te kunnen aanvullen, en dat dan ver-geet (14 juli 1788). Dus: iemand zegt 'zoals in Horatius...', Boswell vangt een enkel woord op en gaat thuis kijken wat er nu eigenlijkstaat. Ook hier hebben we voorbeelden van Boswell aan het werk. Dr. Johnsons 'aliis laetus, sapiens sibi' (4 oktober 1779), wordt door Boswell nagezocht om te zien of het klopt (het was echter voor Boswell niet te traceren; voor ons ook niet). Lord Lonsdale spreekt over een juridisch document dat een si

guis heet, en zegt: zo begint een passage in Ovidius' De arte amandi (5

december 1786). Wederom gaat Boswell op zoek: 'Found the Ovid cited by Lonsdale, where there was indeed 'si quis', etc.' (6 december 1786; zie AA 1. 1: siquis in hoc artem populo non novit amandi...). Overigens: Lord Lonsdale is kennelijk een Ovidius-liefhebber, er volgen nog andere Ovidius-citaten uit zijn mond.

(5)

Boswell enige verbazing, want kennelijk heeft niet iedereen een even grote kennis, of de neiging die kennis voortdurend uit te dragen.

Dat er in het algemeen veel van buiten geleerd werd, verbaast ons niet. Er zijn evenwel voldoende tekenen dat ook achttiende-eeuwse geheugens, hoewel de bezitters daarvan ongetwijfeld meer in memoriseren getraind waren dan vandaag normaal is, feilbaar waren. Enkele voorbeelden: er is sprake van 'Martial's fine epigram on Aetna' (31 maart 1779): zoiets bestaat niet: Martialis 4. 44 gaat over de Vesuvius, of van Anacharsis voor Anaxarchus (22 mei 1764). Dit zijn regelrechte fouten. Daamaasr is er ook sprake van een zeer vrij gebruik: 'I drank punch, and what was a curiosa

félicitas, I was not disturbed by it in any way', schrijft Boswell op 5 april

1780 ( hij kon slecht tegen alcoholhoudende dranken, al bleef hij er nimmer af). 'Curiosa félicitas ' is uit Petronius, Satyricon 29. l, maar daar gaat bet om de stijl van Horatius. De vraag kan rijzen of nu curiosa félicitas een Petronius-citaat is, bewust toegepast in een nieuwe context, of dat het helemaal geen citaat is, slechts wat aangespoeld wrakhout.

Een zeer vrij gebruik van de teksten vinden we in meer en minder geslaagde voorbeelden van punning (maar meestal geen puns van Boswell: het is van zijn kennissen met name Edmund Burke die in het Latijn geestig wil zijn, Boswell houdt het op Engels). Maar ook meer in het algemeen wordt er vaak niet letterlijk geciteerd, maar geparafraseerd. Er zijn verschil-lende interpretaties te hechten aan dit vrij omspringen met de antieke tek-sten. De parafrasen en verbasteringen tonen aan dat men het Latijn goed beheerste. Zou er sprake zijn van veel meer vertrouwdheid met de taal, dan met het werk van individuele auteurs? Zijn het slordigheden, geheugen-feilen, dan wel eerder brokjes Latijn-onderricht, dan vruchten van lectuur? Of kende men zijn auteurs wel degelijk, maar hechtte men veel minder waarde dan wij aan exactheid, juistheid, authenticiteit. M.a.w., een Horatius niet als gecanoniseerd auteur, maar als gebruiksgoed (wat weer in de richting van grote vertrouwdheid wijst).

Ik probeer voorzichtig een voorlopige conclusie te formuleren, natuurlijk door veel nader onderzoek te onderbouwen (bestaat er al onder-zoek naar de vraag hoe ver de klassieke kennis van de gemiddelde post-Renaissancistische, Europese mens strekte? Niet de geleerde dus). Bij de ene auteur Boswell wordt enerzijds het veelal gekoesterde beeld bevestigd: men kent vloeiend Latijn, in een aantal gevallen ook Grieks, men leest

(6)

daadwerkelijk de klassieke auteurs en algemene en persoonlijke favorieten kent men zo goed, dat men er uit citeert, terwijl de toehoorders ook begrij-pen wat geciteerd wordt. Anderzijds moeten in dit beeld de nodige nuances aangebracht worden. Ook de achttiende-eeuwer neemt zijn toevlucht tot vertalingen, moet zaken naslaan, en rommelt. De reikwijdte van de kennis is beperkt: schrap de vele malen dat Boswell én zijn omgeving uit Horatius citeren en er blijft verder weinig over. Het belangrijkste punt lijkt mij ech-ter te zijn, dat het inhoudelijk aspect zo weinig prominent is: het gaat om de taal en niet om boodschappen. De verwijzingen naar antieke mythologie of geschiedenis zijn uiterst spaarzaam, men maakt moderne opmerkingen over moderne zaken, alleen in het Latijn (waarbij het mooi meegenomen is dat iemand in het verleden reeds een aardige formulering heeft aangedragen). Al met al is sprake van een vrij gedegen talenkennis, maar er is weinig te merken van een doordrenking van het geestesleven met de antieken (maar wat is nu de plaats van allerlei kunstuitingen uit de periode die het tegen-deel te vermoeden geven?!). In Boswells weergave blijft het bij een enkel

bon-mot. De verhouding van de ontwikkelde Europeaan tot de Oudheid

lijkt geheel getransformeerd te zijn door ontwikkelingen in de negentiende eeuw. De negentiende-eeuwse situatie mag niet teruggeprojecteerd worden op de achttiende eeuw. Het bekende 'vroeger was alles beter' moet, voor-zover het al niet helemaal onzin is, ook op het hier betreden terrein van velerlei qualificaties voorzien worden.

Figure

Updating...

References

Updating...

Related subjects :