Top PDF Op zoek naar motieven: Een exploratief onderzoek naar motieven voor het uitbrengen van een voorkeurstem.

Op zoek naar motieven: Een exploratief onderzoek naar motieven voor het uitbrengen van een voorkeurstem.

Op zoek naar motieven: Een exploratief onderzoek naar motieven voor het uitbrengen van een voorkeurstem.

Het zijn vooral politiek betrokken en hogeropgeleide kiezers die een stem uitbrengen op een andere kandidaat dan de lijsttrekker van de partij, het eerder aanbod gekomen ‘merkwaardige’ verschijnsel dat zo weinig kandidaten effectief met voorkeurstemmen in de Kamer terecht komen wordt hierdoor des te ‘merkwaardiger’. Voorkeurstemmen worden blijkbaar in groten getale uitgebracht door kiezers die veelal hoogopgeleid en politiek geïnteresseerd zijn. Van deze kiezers mag worden verwacht dat zij bewust hun stem uitbrengen op iemand anders dan de lijsttrekker. Het feit dat zoveel stemmen worden uitgebracht worden op kandidaten die toch wel in de Kamer terecht komen doet de vraag rijzen of deze kiezers wel weten waarmee zij bezig zijn? Is het kiessysteem zoals wij het momenteel kennen te ingewikkeld en wordt dit door veel kiezers wellicht niet begrepen? Moet het systeem worden aangepast zodat kiezers in het vervolg beter hun zogenoemde ‘voorkeur’ voor kandidaten kunnen uiten? Maken deze kiezers verkeerd gebruik van de zogeheten
Show more

31 Read more

Lokale burgertoppen: Hype of blijvende vernieuwing? Een onderzoek naar de motieven voor burgertoppen van Brabantse gemeentebesturen

Lokale burgertoppen: Hype of blijvende vernieuwing? Een onderzoek naar de motieven voor burgertoppen van Brabantse gemeentebesturen

gemeentebesturen niet altijd intrinsiek bezig zijn met het verkleinen van het legitimiteitstekort. Uit de analyse van de coalitieakkoorden van 2014-2018 van de 64 Brabantse gemeente blijkt dat het merendeel van de gemeenten niet structureel plannen maakt voor democratische vernieuwing, iets waar Van Reybrouck (2013) wel voor pleit. Ook de vier onderzochte gemeentebesturen zijn niet structureel bezig zijn met burgertoppen en zij erkennen dat de burgertoppen beïnvloed werden door een hype. Er was sprake van top-down invloeden op deze hype, maar hoewel de nationale overheid een indirecte – in Uden zelfs een directe – invloed heeft uitgeoefend op de burgertoppen, speelde de provincie bij geen enkele gemeente een rol. In zowel Tilburg en Eindhoven werden de burgertoppen meer beïnvloed door de VNG en andere gemeenten die burgertoppen organiseerden dan door top- down druk. In alle vier gemeenten was de top een experiment en is het voortbestaan van de burgertop onzeker. De gemeentebesturen concluderen, evenals Binnema en Michels (2016) en Boogaard et al. (2016), dat de legitimiteit van zo’n burgertop niet optimaal is, vooral wanneer onduidelijk is wat met de uitkomsten gedaan wordt.
Show more

59 Read more

Interpretatie en gebruik van feedback uit het Cito leerlingvolgsysteem : een exploratief onderzoek naar de interpretatie en het gebruik van feedback uit het Cito leerlingvolgsysteem door leerkrachten, intern begeleiders en schoolleiders van basisscholen

Interpretatie en gebruik van feedback uit het Cito leerlingvolgsysteem : een exploratief onderzoek naar de interpretatie en het gebruik van feedback uit het Cito leerlingvolgsysteem door leerkrachten, intern begeleiders en schoolleiders van basisscholen

De scholen hanteren ongeveer dezelfde taakverdeling. De leerkrachten zijn verantwoordelijk voor het afnemen van de toetsen, het invoeren van de resultaten en de hulp aan de lesgroep en aan individuele leerlingen. De IB-er en schoolleider analyseren de resultaten en besluiten over maatregelen op schoolniveau. Ondanks dat de taakverdeling nagenoeg hetzelfde is, is er sprake van een aantal opvallende verschillen. Zo is school 1 de enige school waar tijd is vrijgepland om met het CLVS te werken. Op de andere scholen komt dit boven op het taakpakket voor leerkrachten. Dit is niet stimulerend voor leerkrachten. Verder kunnen de resultaten bij school 1 en 3 op twee verschillende manieren worden nagekeken en ingevoerd, namelijk met de hand of met de computer. Leerkrachten hebben hierin de keuze. Bij school 2 moet dit met de hand en bij school 4 moet dit met de computer. Dit kan de resultaten van de scholen enigszins beïnvloeden. Opvallend is ook dat de leerkrachten op school 2 veel vaker een gesprek hebben met de IB-er, namelijk elke 8 weken. Op de andere scholen is er slechts twee of drie keer per jaar een gesprek. School 2 is de enige school die de verantwoordelijkheid voor maatregelen op groeps- en leerlingniveau helemaal bij de leerkracht legt. De IB-er adviseert de leerkracht alleen in gesprekken. Extra hulp aan leerlingen wordt ook op verschillende manieren georganiseerd door scholen. Op school 1 en 2 moeten leerkrachten dit doen. Op school 3 is naast de leerkracht ook de IB-er verantwoordelijk voor de hulp aan leerlingen en op school 4 zijn er ook hulpmoeders voor extra hulp aan leerlingen beschikbaar. De manier waarop de school omgaat met de resultaten uit het CLVS verschilt ook. Op school 1 en 2 is besloten meer tijd vrij te maken voor een bepaald onderdeel. Bij school 2 is besloten dat dit ten koste gaat van de tijd die besteed wordt aan rekenen, terwijl bij school 1 de leerkracht zelf moet bepalen waar hij die extra tijd vandaan haalt. Bij school 1 is dit dus meer een maatregel op groepsniveau, terwijl bij school 2 dit een maatregel op schoolniveau is. Op school 3 lijkt men zo min mogelijk maatregelen op schoolniveau te willen doorvoeren. Er worden namelijk alleen maatregelen genomen als ook de Cito eindtoets tegenvalt. Een tegenvallend resultaat op het onderdeel spelling wordt aan de toets geweten. De school overweegt zelfs de toets voortaan niet meer te maken. Dit is een heel andere actie dan school 4 neemt bij tegenvallende resultaten op een nieuwe toets voor rekenen. School 4 besluit namelijk een nieuwe rekenmethode aan te schaffen die meer past bij de nieuwe toets. De oude methode bleek toch wat verouderd te zijn.
Show more

27 Read more

Een eerste stap richting individuele relatiemarketing! : een onderzoek naar de determinanten van relatiemarketing en het verkrijgen van loyale klanten in een business to business context

Een eerste stap richting individuele relatiemarketing! : een onderzoek naar de determinanten van relatiemarketing en het verkrijgen van loyale klanten in een business to business context

Morgan en Hunt hebben in 1994 de „Commitment-Trust Theory‟ ontwikkeld. Hiervoor hebben zij een kwantitatief onderzoek gedaan onder een groep onafhankelijke detailhandelaren. De „Commitment-Trust Theory‟ geeft aan dat voor succesvolle relaties, binding en vertrouwen noodzakelijk zijn. Om als organisatie effectief te zijn, moet men een betrouwbare partner zijn om mee samen te werken. Volgens de onderzoekers zijn klanten op zoek naar partners die betrouwbaar zijn omdat het aangaan van relaties kwetsbaar is. Wanneer het vertrouwen in een relatie slecht is, zal de binding van de klant met de organisatie verminderen en daardoor verschuift de transactie naar de korte termijn. Vertrouwen en binding hebben een sterke relatie zijn volgens Morgan & Hunt (1994) determinanten van relatiemarketing.
Show more

66 Read more

Wat beweegt initiatiefnemers van Nieuwe Business Modellen? : een onderzoek naar motieven voor duurzame initiatieven

Wat beweegt initiatiefnemers van Nieuwe Business Modellen? : een onderzoek naar motieven voor duurzame initiatieven

initiatieven  hun  vraag  kunnen  bundelen  en  koppelen  aan  lokale  markt  (circulaire  economie),  ZonAtlas   geïntegreerd    -­‐  draait  in  Zwolle,  Ommen,  Olst-­‐Wijhe,  Raalte  en  Almelo.      Invented  in  Zwolle/Overijssel  -­‐   maar  wordt  nu  provinciaal  onder  de  naam  Spaar-­‐Saam.nl  (ook  Overijsselse  gemeenten)  uitgerold  in   heel  Gelderland,  met  geheel  nieuwe  innovaties  en  ondersteuning  van  energie-­‐collectieven,  die  binnen   het  platform  eigen  functionaliteiten  krijgen  en  een  eigen  identiteit.  Alles  is  er  op  gericht  om  energie-­‐ initiatieven  en  collectieven  online  te  ondersteunen  met  hun  offline  activiteiten.  Toets  als  inwoner  je   postcode/huisnr  in,  en  je  ziet  meteen  welke  projecten  er  in  je  omgeving  draaien,  wie  dat  uitvoeren,  en   je  kunt  direct  meedoen.  Vrijwel  alle  acties,  projecten  en  initiatieven  kunnen  op  deze  wijze  worden   ondersteund  in  een  overal  herkenbare  en  generieke  omgeving  (om  de  hopeloze  versnippering  die  nu   aan  de  orde  is  te  ordenen),  wat  weer  kansen  biedt  voor  een  herkenbare  communicatiestrategie  die   overal  toegepast  kan  worden  (Campagne!).  Meer  info  Robert  Colijn  0616147630  
Show more

135 Read more

Grensoverschrijdende criminaliteit : een onderzoek naar de motieven van Enschedese daders voor het plegen van delicten in Gronau

Grensoverschrijdende criminaliteit : een onderzoek naar de motieven van Enschedese daders voor het plegen van delicten in Gronau

In Nederland is sinds de jaren ‘80 naast de strafrechtelijke aanpak ook de bestuurlijke aanpak van criminaliteit in beeld. Als de criminaliteit effectief bestreden moet worden, moet er een dubbelstrategie wordt gevolgd. Een strategie waarbij de strafrechtelijke en bestuurlijke bevoegdheden elkaar aanvullen (van Daele et al., 2010, p.13). Via de bestuurlijke weg kunnen criminele praktijken worden bestreden. Criminelen hebben namelijk de bovenwereld nodig en zijn bijvoorbeeld afhankelijk van de beschikking over panden en/of bedrijven om de illegale activiteiten te kunnen exploiteren (Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid, 2010, p.10). Hiervoor zijn vergunningen nodig, en daar komen de boven- en onderwereld samen. Hier zijn mogelijkheden om wat aan het bestaan van deze criminele activiteiten te doen. Aanvragen van vergunningen en subsidies kunnen bijvoorbeeld worden geweigerd (Centrum voor Criminaliteitspreventie en veiligheid, 2010, p.10). Om gemeenten instrumenten te geven om ook daadwerkelijk preventief in te kunnen grijpen, werd de wet BIBOB ontwikkeld. Vergunningen en subsidies kunnen geweigerd worden of reeds verleende vergunningen en subsidies kunnen worden ingetrokken. Dit kan worden gedaan “indien ernstig gevaar bestaat dat de vergunning of subsidie mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen”, aldus artikel 3 van de wet BIBOB (van Daele, 2010, p.131). Aanvragers van subsidies en vergunningen kunnen dan als er een vermoeden bestaat, worden gescreend. Onder andere gemeenten, Belastingdienst en politie werken dan met elkaar samen, het RIEC assisteert hierin.
Show more

52 Read more

Stimuleren van intrinsieke motieven voor positieve mond tot mondreclame: de rol van betrokkenheid en identificatie bij het stimuleren van WOM

Stimuleren van intrinsieke motieven voor positieve mond tot mondreclame: de rol van betrokkenheid en identificatie bij het stimuleren van WOM

waarschijnlijk een hogere loyaliteit aan deze dierentuin of aan dierentuinen in het algemeen dan wanneer de sample van dit onderzoek op een ander moment of bij een ander type organisatie was verzameld. Er kan een plafondeffect zijn ontstaan doordat de groep bezoekers, die als sample zijn gebruikt in dit onderzoek, al een hoge mate van betrokkenheid en identificatie voelden met de organisatie. Daardoor kan de slogan in de advertentie voor het motief bedrijf helpen meer effect hebben gehad dan de slogans van de andere advertenties bij het stimuleren van de motieven. Wellicht kan er toch sprake zijn geweest van het oproepen van de motieven met de slogans in de tekst. Dat de manipulatie onvoldoende blijkt te zijn is wel tegen verwachtingen in. Bij de pretest bleek dat de ontwikkelde slogans voldoende de gepercipieerde motieven aanspraken, maar toch kwam dit onvoldoende over bij het hoofdonderzoek. De slogans waren samengesteld op basis van kernwoorden die verbonden konden worden met de omschrijving van de motieven. Verwacht werd dat deze slogans als kopzinnen in een advertentie het motief zouden opwekken bij de lezer waar ze voor getest waren. De motieven komen in dit onderzoek niet sterk naar voren. De methoden die gebruikt zijn in dit onderzoek om deze motieven te stimuleren kunnen ter discussie worden gesteld. Herhaling van dit onderzoek uitgevoerd op een ander moment zou kunnen toetsen of de stimulering van de motieven en de effecten op de opgeroepen betrokkenheid, identificatie en WOM anders zou verlopen en andere resultaten kan geven.
Show more

45 Read more

De wijzen naar het Oosten : een onderzoek naar de migratiefactoren voor hoogopgeleiden

De wijzen naar het Oosten : een onderzoek naar de migratiefactoren voor hoogopgeleiden

Waar in de traditionele context vooral financiële winsten en verbetering van arbeidsomstandigheden motieven waren om deel te nemen aan het migratieproces, zijn deze in de moderne context veel minder van belang. Omdat in de moderne literatuur de nadruk ligt op migratie tussen ontwikkelde gebieden waar over het algemeen verschillen in salaris en arbeidsomstandigheden niet groot zijn, zullen er andere motieven ten grondslag moeten liggen aan het braindrainproces. Hiertoe is door de Benefader & Den Boer (2006) een studie verricht naar de factoren die bijdragen aan het vertrek van hoogopgeleide Nederlanders en Duitsers naar Zweden. Er wordt door de auteurs een drietal redenen gegeven die doorslaggevend zijn in de migratiebeslissing. Ten eerste is verbetering van de arbeidsomstandigheden een belangrijke drijfveer. In tegenstelling tot de traditionele context is bij de moderne braindrain het financiële gewin significant van minder belang en ligt de nadruk op een verbeterd werkklimaat, toename van autonomie en verbeterde inhoud van werk. Ondanks uitzicht op een lager salaris in het vestigingsland bestaat de verwachting een betere werk-leven balans, een minder stressvolle baan en meer comfort te vinden. De tweede factor die emigratie stimuleert is de aantrekkelijke leefomgeving in het vestigingsgebied. Tenslotte is ontevredenheid over de maatschappij in het thuisland een reden om te migreren. Waar de eerste twee redenen vooral gebaseerd zijn op de aantrekkingskracht van de vestigingslocatie (pullfactoren), is de derde gebaseerd op de onaantrekkelijkheid van de huidige woonlocatie (pushfactor). Naast deze drie factoren blijken ook de aanwezigheid van sociale contacten in het gastland, positieve ervaringen van andere emigranten en het gemak van het vinden van een baan aanmoedigende factoren te zijn bij het maken van het migratiebesluit. Wat opvalt, is dat de drie belangrijkste motiverende factoren vallen binnen de hoogste schaal in de behoeftehiërarchie van Maslow (1943), waarin personen vooral gemotiveerd worden door persoonlijke groei en voldoening. Aan deze motivatietheorie zal verderop in het theoretisch kader meer aandacht worden geschonken.
Show more

128 Read more

Leidende motieven bij decentralisatie. Discours, doelstelling en daad in het Huis van Thorbecke

Leidende motieven bij decentralisatie. Discours, doelstelling en daad in het Huis van Thorbecke

De eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog staan voor Nederland in het teken van het herstel na de bezetting. Ook verliest Nederland de kolonie Nederlands- Indië. Vanaf de jaren vijftig dragen economische groei en de aardgasbaten bij aan de verhoging van de welvaart en de opbouw van een stelsel van sociale verzekeringen. In de jaren zestig wordt de roep om politieke en bestuurlijke hervorming hoorbaar. In de jaren zeventig kenmerkt de politiek zich door de polarisatie tussen partijen waarbij de idealen van links en rechts mijlenver uit elkaar lijken te liggen. In het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen wordt de Grondwet verschillende malen herzien. Even zo vaak worden er pogingen tot herziening ondernomen. In deze paragraaf wordt eerst de grond- wetsherziening van 1956 beschreven. Daarna wordt stil gestaan bij de voorzet- ten tot herziening die zijn ondernomen in de periode 1966-1976. Vervolgens komt de herziening van 1983 aan de orde. In de subparagraaf tussen deze wijzigingen van de Grondwet, wordt ingegaan op de herziening van de Provinciale Wet. Na ruim honderd jaar vrijwel ongewijzigd te zijn, wordt deze in 1962 vervangen door de Provinciewet.
Show more

357 Read more

Het ontstaan van de Irakoorlog: Een analyse van de toepasbaarheid van het offensief realisme

Het ontstaan van de Irakoorlog: Een analyse van de toepasbaarheid van het offensief realisme

Een aanvullende reden voor een actief ingrijpen in Irak was de urgentie van de dreiging. De gevolgen van een aanval met massavernietigingswapens door Irak of Al Qaida zouden zo desastreus zijn dat de regering-Bush geen enkel risico wilde nemen en direct wilde ingrijpen (Record, 2003, p. 6). Een preventieve oorlog, tevens het derde element van de Bush-doctrine, leek daarom noodzakelijk. Deze oorlog werd door de Amerikaanse regering gelegitimeerd door de claims dat Irak nucleaire wapens zou ontwikkelen en dat Hoessein deze zou kunnen doorspelen aan Al Qaida. Deze claims bleken achteraf echter ongegrond te zijn: er is nooit bewijs gevonden voor een hervat nucleair programma in Irak of betrokkenheid van Irak bij de aanslagen van 9/11 (Gause, 2010, pp. 208-2010). Ondanks het feit dat nooit duidelijk is geworden of Hoessein daadwerkelijk irrationeel gehandeld zou hebben, heeft alleen al het vermoeden van irrationaliteit tot de oorlog met Irak geleid. De regering-Bush heeft het dreigende gevaar van Hoessein daarbij enerzijds overdreven in het publieke debat, maar anderzijds leken de beleidsmakers binnen de Amerikaanse regering zelf ook daadwerkelijk te geloven in de nucleaire dreiging vanuit Irak (Gause, 2010, pp. 197-198).
Show more

28 Read more

De mentor is zat   en wie zijn zij? Een beschrijvend onderzoek naar de wensen, behoeften en mogelijkheden van een alcoholtraining gericht op studentmentoren

De mentor is zat en wie zijn zij? Een beschrijvend onderzoek naar de wensen, behoeften en mogelijkheden van een alcoholtraining gericht op studentmentoren

Verder heeft ook de waargenomen omgeving een invloed op het alcoholgebruik; wanneer mensen waarnemen dat er alcohol gedronken wordt in de fysieke omgeving, bevordert dit ook het eigen alcoholgebruik (Alting & Nelissen, 2003). Wanneer de cultuur tolerant is ten opzichte van alcohol, werkt dit de alcoholconsumptie in de hand (Van Gorp, Lemmers, & Paulussen, 1998). Dit effect zie je ook in de studentencultuur. De studentencultuur bevat enkele elementen die het alco- holgebruik stimuleren. Zo constateren Ham en Hope (2003) dat in grotere groepen die regelmatig bijeen komen, de kans op probleemdrinken hoger is dan in groepen die kleiner zijn en niet regel- matig samen komen. Ook het spelen van drankspelletjes, zoals breed geaccepteerd en toegepast in de studentenwereld, bevordert het alcoholgebruik (Ham & Hope, 2003; Alting & Nelissen, 2003). Alcoholgebruik wordt door een deel van de studenten als onderdeel van de studentenidentiteit gezien (Piacentini & Banister, 2006). Een laatste bevinding met betrekking tot de studentencultuur is dat diverse onderzoeken hebben aangetoond dat mensen die lid zijn van een vereniging gemid- deld een hogere alcoholconsumptie hebben dan mensen die dit niet zijn (Baer, 2002; Borsari & Carey, 1999; Ham & Hope, 2003; Oei & Morawska, 2004; Maalsté, 2000). Maalsté (2000) vindt in haar onderzoek dat studenten gemiddeld 16 glazen alcohol per week drinken tegenover 10 glazen voor overige jongeren in dezelfde leeftijdscategorie. Studenten die lid zijn van een studentenvere- niging hebben zelfs een gemiddelde van 23 glazen alcohol per week. Ook uit het onderzoek van Van Dijck en Knibbe (2005) blijkt dat de grootste groep probleemdrinkers zich bevindt tussen de mensen met een dagopleiding.
Show more

106 Read more

Gezonde samenwerking in de gezondheidsbevordering? Een onderzoek naar de ontwikkeling van een meetinstrument naar de kwaliteit van interorganisationele samenwerking

Gezonde samenwerking in de gezondheidsbevordering? Een onderzoek naar de ontwikkeling van een meetinstrument naar de kwaliteit van interorganisationele samenwerking

In de openbare gezondheidsbevordering is steeds vaker sprake van interorganisationele samenwerking (Bronstein, 2002; Mitchell & Crittenden, 2000). Niet alleen gaat het hierbij om samenwerking tussen professionals, maar steeds vaker gaat het ook om samenwerking tussen organisaties uit verschillende domeinen (Leurs, Mur-Veeman, Schaalma & De Vries, 2003). Interorganisationele samenwerking heeft betrekking opeen relatie, aangegaan door twee of meer partijen die verenigbare of aanvullende belangen en doelen hebben, om wederzijds voordeel te behalen’ (Lupgens en Zwiggers, 2004). Bronstein (2003) stelt dat het gaat om een interpersoonlijk proces waarbij leden van verschillende disciplines een gezamenlijk doel nastreven. Zonder deze samenwerking, zou dit doel niet kunnen worden verwezenlijkt. De intensiteit van het samenwerkingsverband wordt bepaald door de mate van integratie en uitwisseling van middelen tussen partners. De vorm van samenwerking waarvoor wordt gekozen is afhankelijk van het doel dat ondernemers nastreven en de mate waarin ze financieel en organisatorisch vervlochten willen raken met hun partners. De gekozen samenwerkingsvorm bepaalt vervolgens de invulling, die gegeven wordt aan de samenwerking (Lupgens en Zwiggers, 2004).
Show more

86 Read more

Wat beïnvloedt het vertrouwen van een klant in een online financiële dienstverlener? : een onderzoek naar de invloed van vertrouwensoverdracht en sociale invloeden online

Wat beïnvloedt het vertrouwen van een klant in een online financiële dienstverlener? : een onderzoek naar de invloed van vertrouwensoverdracht en sociale invloeden online

Waar deze onderzoeken vanuit gaan is het principe dat de sociale regels van interactie tussen mensen ook worden toegepast bij interactie tussen een mens en een computer. Zo blijken mensen in hun communicatie met een computer een mate van beleefdheid aan te houden en sociaal wenselijk te antwoorden. Zo bleek dat wanneer respondenten door een computer gevraagd werd zijn eigen werking te evalueren, zij een positiever antwoord gaven dan wanneer zij dezelfde vraag gesteld kregen over een andere computer. (Carney, Moon, Nass, 1999). Ook blijkt dat mensen een computer met een geslacht kunnen associëren en hier eigenschappen aan toedichten. Zo werden computers die in de taak een mannelijke stem hadden gekregen overtuigender ervaren dan computers die een vrouwelijke stem hadden. De computer met de vrouwelijke stem werd weer hoger geschat als het ging om lesgeven over relaties (Green, 1993).
Show more

36 Read more

Kwaliteit is ieders zaak!! : een onderzoek naar de toepassing van het Kwaliteitsmodel voor Overheidsorganisaties op de afdeling financiën van de gemeente Haaksbergen

Kwaliteit is ieders zaak!! : een onderzoek naar de toepassing van het Kwaliteitsmodel voor Overheidsorganisaties op de afdeling financiën van de gemeente Haaksbergen

Ook bij dit deelgebied zijn de meningen van de respondenten sterk verschillend. Respondenten haken af in de 1 e fase, omdat zij het niet eens zijn met de stelling dat de deskundigheid van medewerkers wordt bevorderd. De afhakende respondenten zijn het erover eens dat de wil om de deskundigheid te bevorderen aanwezig is, maar dat de uitvoering daarvan te wensen over laat. De verantwoordelijkheid ligt voor een groot deel bij de medewerker zelf, terwijl ook van bovenaf sturing gewenst is. Die centrale sturing ontbreekt momenteel. Alle respondenten waren het er over eens dat de middelen voor deskundigheidsbevordering aanwezig zijn. Het ontbreekt dus aan de invulling van het aanwenden van die middelen. De afgehaakte medewerkers scoren de 2 e fase bijna volledig positief.
Show more

72 Read more

Tekenhoogte op beeldschermen

Tekenhoogte op beeldschermen

Mocht de visus wel belangrijk blijken voor een experiment, dan moet er rekening gehouden worden met het feit dat de visus-meting stapsgewijs verloopt. Er is bijvoorbeeld geen visus tussen 0,8 en 1,0 en tussen 1,0 en 1,25 te meten. Als men tussen deze twee visus-waarden in zit, geeft dit een verkeerd beeld van de werkelijkheid. Mensen kunnen bijvoorbeeld dichter bij elkaar zitten wat visus betreft dan wordt aangegeven. Ook moet er dan rekening worden gehouden met het feit dat mensen met visus 2 erg scherp kunnen zien, maar dat de kwaliteit van het beeldscherm hen in de weg zou kunnen zitten. Het beeldscherm kan niet goed kleine tekens afbeelden, omdat er te weinig pixels beschikbaar zijn om een goed tekenbeeld te verkrijgen. De puntgrootte verandert stapsgewijs, omdat het scherm opgebouwd is uit pixels. De hoogte van de tekens wordt steeds met één pixel verhoogd. Hierdoor kan men niet kiezen voor een waarde die tussen twee pixels in ligt. Om er voor te zorgen dat het experiment per proefpersoon niet te lang duurde, zijn alleen de kleinere tekens per puntgrootte vergroot. De grotere tekens gingen met stappen van 2 puntgroottes. Het zou beter geweest zijn om deze tekens ook per pixel te verhogen.
Show more

173 Read more

Zorgaanbieders vergelijken : een onderzoek naar de problematiek van het vergelijken van zorgaanbieders en de
ondersteuning hierbij voor cliënten met een verstandelijke handicap die gebruik maken van een pgb

Zorgaanbieders vergelijken : een onderzoek naar de problematiek van het vergelijken van zorgaanbieders en de ondersteuning hierbij voor cliënten met een verstandelijke handicap die gebruik maken van een pgb

van hulp om tot de juiste zorg te komen. Uit het vraaggesprek werd duidelijk hoe de zorgfuncties in werkelijkheid door cliënten gebruikt worden. Zo blijkt dat de functie ‘verpleging’ in de praktijk erg weinig voorkomt bij cliënten die gebruik maken van een pgb; slechts af en toe in de vorm van hulp bij medicatie. Ook activerende begeleiding blijkt minder vaak voor te komen bij pgb-cliënten. Deze begeleiding wordt (bijna) altijd in natura ontvangen omdat de uitvoerenden gespecialiseerde medewerkers van een instelling zijn. Zij werken niet particulier en cliënten vinden het in dat geval vaak makkelijker om voor zorg in natura te kiezen (Kleinkoerkamp, 2007). Wanneer deze twee functies in de zorgvraag opgenomen zouden worden, zou een zorgvraag gecreëerd worden die in de praktijk dus weinig voorkomt. Het doel is juist, met betrekking tot de gebruikte zorgfuncties, een zorgvraag te creëren die in de praktijk regelmatig voorkomt en daarom is besloten verpleging en activerende begeleiding niet in de zorgvraag te verwerken. Dan blijven dus persoonlijke verzorging, ondersteunende begeleiding en (tijdelijk) verblijf over. Uit een onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau naar ontwikkelingen in de zorgvraag van verstandelijk gehandicapten tussen 1998 en 2001 blijkt dat het aantal indicaties voor alleen begeleiding terugloopt en dat (tijdelijk) verblijf, dat alleen in combinatie met andere zorgfuncties voorkomt, groeipercentages tussen de 40% en 80% per jaar vertoonde (SCP, 2005). Meneer Kleinkoerkamp geeft aan dat de overige drie functies inderdaad regelmatig voorkomen in de praktijk. Voor het onderzoek is het van minder belang in welke klassen deze functies geïndiceerd zijn; aangenomen wordt dat problemen bij het vergelijken van zorgaanbieders niet afhankelijk zijn van klassen van zorgfuncties, bovendien wordt wederom uitgegaan van veelvoorkomende klassen. Om de zorgvraag zo realistisch mogelijk te maken is besloten gebruik te maken van een bestaande casus, door MEETwente aangereikt, die de drie overgebleven zorgfuncties omvat.
Show more

46 Read more

Chaos in de kinderopvang en de samenhang met het welbevinden van de kinderen

Chaos in de kinderopvang en de samenhang met het welbevinden van de kinderen

bijgedragen dat er geen relatie tussen welbevinden en lawaai is gevonden, omdat een hoge mate van lawaai kan samenhangen met zowel zeer hoog als zeer laag welbevinden. Daarnaast is er geen onderscheid gemaakt tussen lawaai van binnen en buiten het kinderdagverblijf. In veel van de in de literatuur genoemde onderzoeken naar de invloed van lawaai is er gekeken naar vrij extreme vormen van lawaai veroorzaakt door bijvoorbeeld een vliegveld of treinrails in de nabije omgeving. Deze leiden wellicht tot een grotere verstoring van het welbevinden dan de meer natuurlijke geluiden in het kinderdagverblijf veroorzaakt door spel of door de kinderen zelf. Een soortgelijke conclusie werd getrokken door Groeneveld et al. (2010), die onderzoek deden naar onder andere het verband tussen lawaai en welbevinden op het kinderdagverblijf en in de gastouderopvang. Ook in deze studie werden geen significante verbanden gevonden tussen lawaai en welbevinden, waarbij eveneens de aanbeveling wordt gemaakt in volgende studies de bron van het lawaai in acht te nemen. In toekomstig onderzoek zou onderscheid gemaakt moeten worden tussen geluid van binnen en buiten het dagverblijf, en de bron van het geluid binnen het dagverblijf, zoals lawaai door apparaten, spel of door de kinderen zelf. Op deze manier kan er effectiever worden onderzocht welke vormen van geluid eventueel
Show more

47 Read more

Kan een portaal de persoonlijke behoeften vanouderen vervullen, of niet?

Kan een portaal de persoonlijke behoeften vanouderen vervullen, of niet?

De doelgroep van het systeem(PAL4) is te verdelen in 4 groepen. De eerste groep bestaat uit ouderen van 65 en ouder die een nieuwe invulling willen voor hun leven. Deze groep ouderen is meestal al bekend met internet en computergebruik. Deze groep wordt ook wel de jongere ouderen genoemd. De tweede groep zijn de iets oudere 65 plussers. Bekenden van deze mensen vallen weg. Deze groep ouderen heeft wat later kennis gemaakt met internet en computergebruik. De derde groep bestaat uit ouderen die ouder zijn dan 70/75. Deze mensen hebben meer behoefte aan zorg en begeleiding. Internetgebruik bij deze mensen is beperkt. De laatste groep is voor ouderen met een ziekte. Deze vereist meer begeleiding en zorg. Meestal is er meer aanvullende apparatuur nodig voor deze groep. PAL4 community is vooral bedoelt voor de groep jonge ouderen. PAL4 is een initiatief van het zorginnovatiebedrijf Focus Cura Zorginnovatie BV. Focus Cura heeft de inhoud van ontspanning, gezondheid, gezelschap bepaald en via contracten met Focus Cura hebben de verschillende service organisaties een eigen deel; ”mijn wijk” of “mijn community” op de website die zij naar eigen idee kunnen inrichten. Twee van deze service organisaties (zorgverleners) zijn Beweging 3.0 en Rivas. De service organisaties biedt het systeem aan haar klanten door een inlogaccount toe te kennen(te verkrijgen door lidmaatschap, op dit moment geen extra kosten ). Zo kunnen de klanten zodoende gebruik maken van de pal4 community.
Show more

89 Read more

Van toeschouwer naar expert : een onderzoek naar het effect van het tonen van sportspecifieke statistische gegevens op de publieksbeleving

Van toeschouwer naar expert : een onderzoek naar het effect van het tonen van sportspecifieke statistische gegevens op de publieksbeleving

zijn er altijd twee scouts aan het werk met het invoeren van de acties. Eén scout voert alleen de zojuist genoemde basisacties in. De gegevens die door deze scout geregistreerd worden, zijn bedoeld voor het publiek. De andere scout voert naast de basisacties ook andere gegevens in, zoals de richting van de bal en de plaats waar naartoe deze geslagen wordt. Deze uitgebreide gegevens worden gebruikt door de coach. Tijdens het invoeren van de acties ontstaat er dus een steeds groter wordende database waarin alle acties zijn opgeslagen. De ruwe data die door de scouts in de database worden geplaatst zijn nog niet bruikbaar voor analyses. Deze data moeten eerst door een analyseprogramma omgezet worden in bruikbare statistieken. Een dergelijk analyseprogramma geeft bijvoorbeeld als output hoeveel aanvallen een bepaalde speler in totaal heeft uitgevoerd en welk percentage daarvan succesvol was. De statistieken die op deze manier verkregen worden kunnen door verschillende mensen gebruikt worden. In eerste instantie zijn de statistieken bedoeld voor de coach. Daarnaast worden de statistieken ook doorgestuurd naar een scherm in de zaal, het internet en de televisie.
Show more

84 Read more

Op weg naar een goed functionerende monumentenzorg : een onderzoek naar het ontwikkelen van een strategie voor de monumentenzorg van de gemeente Haaksbergen

Op weg naar een goed functionerende monumentenzorg : een onderzoek naar het ontwikkelen van een strategie voor de monumentenzorg van de gemeente Haaksbergen

Øì ÊßÍÌÍÌÛÔÔÛÒ ÊßÒ ÜÛ ÑÞÖÛÝÌ×ÊÛÍ òòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòò ìí ìòï ×ÒÔÛ×Ü×ÒÙ òòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòòò[r]

106 Read more

Show all 10000 documents...

Related subjects