Delikt en Delinkwent, Europees strafrecht
Vindplaats: DD 2015/56 Bijgewerkt tot: 10-09-2015
Auteur: - Download gedrukte
versie (PDF)
Deze rubriek bestrijkt de periode 1 januari – 1 juli 2015. De vorige rubriek Europees strafrecht werd gepubliceerd in het maartnummer (DD 2015/19).
1Institutioneel en beleidsmatig kader
Voorbereiding Nederlands voorzitterschap
Na het zojuist als voorzitter aangetreden Luxemburg zal Nederland vanaf 1 januari 2016 voor een half jaar het voorzitterschap van de Europese Unie op zich nemen, als eerste van een nieuw trio dat verder bestaat uit Slowakije en Malta. In een
Kamerbrief van Minister Koenders van 28 januari 2015 zet de regering de ambities
voor het voorzitterschap uiteen (Kamerstukken II 2014/15, 34 139, nr. 1). Net als de ambities van de EU als geheel op dit moment, zijn die bescheiden. Nederland ziet het voorzitterschap sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon als een ‘dienende rol’ die minder dan in het
verleden ruimte laat voor het voeren van een eigen agenda. De prioriteiten die Nederland stelt zijn ‘een Unie die zich richt op hoofdzaken’, ‘een innovatieve Unie gericht op groei en banen’ en ‘een Unie die verbindt’, bijvoorbeeld door democratie en transparantie. Voor Justitie en Binnenlandse Zaken is de inzet vooral ‘consolidatie en implementatie’. Er zal een informele JBZ-Raad worden gehouden die onder meer zal gaan over cyberveiligheid en het bestrijden van cybercriminaliteit.
Oprichting EOM, 2013/0255 (APP)
Over de oprichting van een Europees Openbaar Ministerie wordt volop
onderhandeld. Het Letse voorzitterschap kwam met een compromistekst van de eerste 16 artikelen die volgens het persbericht van de laatste JBZ-Raad ‘broad conceptual support’ kreeg – maar niet van Nederland (zie voor die compromistekst Raadsdocument 9372/15). De nieuwe Minister van Veiligheid en Justitie Van der Steur zond op 3 juni een brief naar de Eerste Kamer waarin hij rapporteert over de
gevolg dat in grensoverschrijdende zaken rechters de toepassing van onderzoeksmaatregelen en dwangmiddelen moeten toetsen aan de hand van het recht van andere lidstaten, hetgeen praktisch moeilijk haalbaar lijkt. Ook wijst de Commissie Meijers erop dat het voorstel niet helder voorschrijft in welke lidstaat een opsporingsmaatregel moet worden uitgevoerd, hetgeen de mogelijkheid biedt systematisch te kiezen voor de lidstaat met de minste procedurele waarborgen.
2Wet- en regelgeving
2.1Europese Unie
Materieel strafrecht
Vierde witwasrichtlijn, 2013/0025 (COD)
De onderhandelingen over de vierde witwasrichtlijn zijn in tweede lezing afgerond, en de definitieve tekst van Richtlijn 2015/849/EU inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering is verschenen in het Publicatieblad van de EU, PbEU 2015, L 141/873. De richtlijn moet over twee jaar, op 26 juni 2017, zijn omgezet in nationaal recht. Net als de vorige witwasrichtlijnen heeft deze richtlijn betrekking op krediet- en financiële instellingen, en enkele natuurlijke en rechtspersonen die in het kader van beroepsactiviteiten handelen zoals auditors, notarissen, makelaars en aanbieders van kansspeldiensten. Conform de wens van de Raad en het Parlement hebben lidstaten de mogelijkheid om andere aanbieders van kansspeldiensten dan casino’s uit te zonderen van de werking van de richtlijn (artikel 2 lid 2). De rechtsgrondslag van de richtlijn is artikel 114 VWEU; strafrechtelijke handhaving van de bepalingen is niet verplicht.
Richtlijn strafrechtelijke bestrijding van fraude, 2012/0193 (COD)
Sinds vorig najaar wordt in trilogen onderhandeld over de PIF-richtlijn. Deze is vangroot belang aangezien deze de materiële competentie van het op te richten
Europees Openbaar Ministerie bepaalt. Uit een brief van het voorzitterschap aan de Raad (Raadsdocument 8604/15) valt onder andere op te maken dat in ieder geval over de vraag of btw-fraude onder de richtlijn moet vallen nog geen overeenstemming is bereikt.
Bestrijding van terrorisme en foreign fighters
terrorismebestrijding (zie artikel 3 lid 2 en artikel 216 VWEU). Het Raadsbesluit tot ondertekening van het protocol namens de Europese Unie is genomen op basis van artikel 83 lid 1 VWEU. Het is de vraag of, gezien dit besluit, aanpassing van het kaderbesluit terrorisme nog noodzakelijk wordt geacht. De EU zet verder vooral in op effectieve samenwerking en uitwisseling van informatie.
Formeel strafrecht
Pakket richtlijnen onschuldpresumptie, waarborgen voor kinderen
en rechtsbijstand
Het afgelopen half jaar zijn trilogen gestart over de eerste twee richtlijnen van het pakket: de richtlijn vermoeden van onschuld, 2013/0407 (COD), en de richtlijn procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte zijn in een strafprocedure, 2013/0408 (COD). In beide gevallen is de inzet van het Parlement om een hoger beschermingsniveau te garanderen dan door de Commissie is voorgesteld.
De richtlijn inzake gefinancierde rechtsbijstand bij overleveringsdetentie (2013/0409 (COD)) heeft tot nu toe een moeizamer traject afgelegd. Pas in maart kwam de Raad met een algemene oriëntatie (Raadsdocument 6603/15). Nederland heeft zich in de Raad zuinig opgesteld. De algemene oriëntatie bevat verscheidene mogelijkheden voor de lidstaten om minor offences en less serious offences uit te sluiten van de werking van de richtlijn (zie artikel 2 lid 2 en artikel 4 lid 2a). Meerdere lidstaten gaven aan teleurgesteld te zijn over de magere garanties die de richtlijn biedt, maar stemden toch in met de algemene oriëntatie. In mei stemde de LIBE-commissie van het
Parlement in met het conceptrapport van rapporteur De Jong (PE 544.135v02-00). Zoals wel was te verwachten, wil het Parlement de richtlijn op punten verruimen, onder andere door ook reguliere rechtsbijstand (in plaats van alleen voorlopige rechtsbijstand) onder de reikwijdte van de richtlijn te brengen. Het Parlement vindt daarvoor enkele medestanders in de Raad, die deze verruiming al eerder bepleitten. In juli zijn de trilogen aangevangen.
Samenwerking en informatiehuishouding
Verordening databescherming 2012/0011 (COD) en richtlijn
databescherming, 2012/0010 (COD)
Tijdens de JBZ-Raad van juni jongstleden lukte het de Raad eindelijk om een algemene oriëntatie te bereiken over de verordening databescherming
(Raadsdocument 9565/15), waarop de trilogen meteen zijn begonnen. Enkele
lidstaten maken zich, ook na het bereiken van de algemene oriëntatie in de Raad, nog zorgen over het beschermingsniveau dat de verordening zal bieden. Een debriefing van het voorzitterschap over de eerste triloog met Raadsdocument-nummer
om uiterlijk volgend voorjaar tot een akkoord te komen. Het is de bedoeling dat tegelijk met de verordening ook de richtlijn zal worden uitonderhandeld.
Richtlijn EU-PNR 2011/0023 (COD)
Het lijkt nu toch van een Passenger Name Record-richtlijn te komen. Na de
verschillende terroristische aanslagen in Europa werd het Parlement aangespoord om tot een eerste lezing te komen. Het verzamelen en opslaan van passagiersgegevens moet bijdragen aan de strijd tegen terrorisme, maar het Parlement was er niet happig op om in deze richtlijn tot een akkoord te komen zonder dat behoorlijke
databescherming is gewaarborgd. Hoe die databescherming eruit zal komen te zien, is echter afhankelijk van de nog lopende onderhandelingen over de verordening en richtlijn databescherming. De LIBE-Commissie heeft nu alsnog met het
ontwerpverslag van Kirkhope ingestemd, zodat er met de trilogen kan worden
begonnen. Meerdere parlementariërs hebben niettemin aangegeven dat ze de richtlijn strijdig achten met grondrechten.
Richtlijn informatie-uitwisseling over verkeersovertredingen
Op 6 mei 2014 verklaarde het Hof van Justitie Richtlijn 2011/82/EU inzake informatie-uitwisseling over verkeersovertredingen nietig wegens een onjuiste rechtsgrondslag (zaak C-43/12, Commissie/Parlement en Raad). Een nieuwe richtlijn, Richtlijn 2015/413/EU, is snel tot stand gekomen en op 13 maart in het Publicatieblad verschenen (PbEU 2015, L 68/9). De rechtsgrondslag is nu artikel 91 lid 1 sub c VWEU, in plaats van artikel 87 lid 2 VWEU. Omdat de rechtsgrondslag daarmee niet langer onder de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht valt maar onder vervoer, vervalt de opt-out van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken. Nederland had de oude richtlijn al geïmplementeerd en voldoet daarmee ook aan de
implementatieverplichting van de nieuwe richtlijn.
Externe dimensie
PNR Mexico
Er bestaan PNR-overeenkomsten met Australië, de VS en Canada. Voor Canada is een nieuwe overeenkomst in de maak, maar het Parlement heeft stemming over de overeenkomst uitgesteld. Het heeft het Hof van Justitie gevraagd of de daarin voorziene databescherming voldoet aan de voorwaarden gesteld in het Handvest en VWEU. Nu willen meerdere derde landen een vergelijkbare overeenkomst. Mexico heeft zelf PNR-wetgeving ontworpen die luchtvaartmaatschappijen – op straffe van fikse boetes – verplicht tot overdracht van data, terwijl Europese
officieel begonnen. Het is denkbaar dat meer landen deze strategie gaan uitproberen: een reeks landen, waaronder Rusland, Zuid-Korea, Saudi-Arabië en Brazilië, heeft vergelijkbare wetgeving op grond waarvan ze Europese luchtvaartmaatschappijen probeert te bewegen PNR-gegevens te verstrekken.
2.2Omzetting door Nederland
Richtlijn recht op toegang tot een raadsman
Op 19 februari diende de regering een Wetsvoorstel toegang tot een advocaat in
strafprocedures in bij de Tweede Kamer (zie voor alle stukken Kamerstukken II 2014/15, 34 157). Dit voorstel dient tot omzetting van Richtlijn 2013/48/EU. Artikel 2 lid 4 van de richtlijn maakt het mogelijk om toepassing van de richtlijn uit te zonderen wanneer het gaat om lichte feiten die buitengerechtelijk (voor het Nederlandse recht is dat met een strafbeschikking) worden afgedaan, maar daar maakt de wetgever geen gebruik van. Op het moment dat de verdachte in kennis wordt gesteld van een verdenking (het moment dat de verdachte in beginsel recht krijgt op toegang tot een raadsman) is namelijk nog niet altijd beslist of de zaak met een strafbeschikking zal worden afgedaan of dat de verdachte zal worden gedagvaard. Bovendien is de regering van mening dat verdachten, ook van overtredingen, de bevoegdheid moeten hebben om zich (op eigen kosten) te laten bijstaan door een
raadsman. Die bijstand betreft zowel het recht op consultatie als het recht op bijstand tijdens het politieverhoor, en de raadsman mag het verrichten van enkele bijzondere
onderzoekshandelingen bijwonen. De wijze waarop de bijstand tijdens het politieverhoor wordt ingevuld, zal worden geregeld in artikel 28d Sv. Zo kan het verhoor ten minste éénmaal worden onderbroken voor overleg tussen de verdachte en zijn raadsman. Bij herhaalde verzoeken kan onderbreking worden geweigerd indien daardoor de orde of voortgang van het verhoor worden verstoord. Artikel 28 Sv voorziet daarnaast in de
mogelijkheid om bij AMvB nadere regels te stellen over de inrichting van en orde tijdens het verhoor, en bij het conceptwetsvoorstel is ook al een ontwerpbesluit gevoegd. De raadsman zit volgens dat ontwerpbesluit voor zover mogelijk naast de verdachte tijdens het verhoor. Hij mag voorafgaand aan en na afloop van het verhoor opmerkingen maken en vragen stellen. Tijdens het verhoor mag hij in een limitatief opgesomd aantal gevallen ook opmerkingen maken (bijvoorbeeld als hij meent dat het pressieverbod wordt overtreden). Wanneer de raadsman echter de orde van het verhoor verstoort, kan hem na een waarschuwing de verdere deelname aan het verhoor worden ontzegd.
Richtlijn minimumnormen voor slachtoffers van strafbare feiten
Richtlijn 2012/29/EU, die minimumnormen voor de rechten en bescherming van slachtoffers van misdrijven en voor slachtofferhulp voorschrijft, moet op 16 november van dit jaar zijn geïmplementeerd in het nationale recht. De richtlijn heeft het kaderbesluit slachtofferzorg vervangen. Een wetsvoorstel dat de richtlijn moet omzetten is op 24 juni van dit jaar
Richtlijn aanvallen op informatiesystemen
Op 1 juli 2015 trad de wet in werking die Richtlijn 2013/40/EU over aanvallen op informatiesystemen omzet in nationaal recht. De wet voorziet in verhoging van de maximumstraf en in enkele strafverzwarende omstandigheden.
Kaderbesluit private corruptie
Op 1 januari 2015 trad de Wet verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit in werking. Deze wet strekt mede tot wijziging van artikel 328ter Sr, dat een omzetting is van Kaderbesluit 2003/568/JBZ inzake private corruptie. De Commissie had over de eerdere implementatie geoordeeld dat deze mogelijk te weinig strafrechtelijke aansprakelijkheid vestigde. Het verzwijgen van de gift, belofte of dienst is niet langer bestanddeel, bovendien is het laakbare handelen in overeenstemming met internationale instrumenten meer algemeen geformuleerd als handelen in strijd met een plicht (dat mede de oude strafbaarstelling omvat). Ook is de maximumgevangenisstraf verdubbeld.
3Jurisprudentie
3.1Europese Unie
Restrictieve uitleg van de verordening drugsprecursoren
Op 12 februari deed het Hof van Justitie uitspraak in de Gielen-zaak, in antwoord op
prejudiciële vragen gesteld door de Rechtbank Oost-Brabant (zaak C-369/13). De rechtbank had de vraag gesteld of de stof APAAN gelijk kon worden gesteld met de stof BMK, die laatste zijnde een geregistreerde stof in de zin van Verordening 273/2004/EG inzake drugsprecursoren. Het bezit en het in de handel brengen van deze stoffen is slechts toegestaan indien daartoe een vergunning is verleend, omdat BMK wordt gebruikt bij de illegale productie van amfetaminen. APAAN staat niet op de lijst, maar de rechtbank vraagt zich af of het middel gelijk kan worden gesteld met BMK omdat het op relatief eenvoudige wijze kan worden omgezet in BMK. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt dat de rechtbank tot nu toe, vanwege het legaliteitsbeginsel, heeft geoordeeld dat ten aanzien van APAAN geen vergunning vereist is. Niettemin is zij, gelet op de prejudiciële vragen, kennelijk bereid deze stof in de toekomst wel als BMK te kwalificeren. De rechtbank vraagt het Hof of kan worden gesteld dat APAAN reeds BMK ‘bevat’ of dat het een samengestelde stof betreft in de zin van de verordening. Het Hof beantwoordt deze vragen ontkennend. De lijst met stoffen is uitputtend, en omdat APAAN moet worden omgezet in BMK kan niet worden gezegd dat APAAN reeds BMK bevat of dat het een samengestelde stof betreft. Er is dus geen sprake van een geregistreerde stof. Het Hof voegt toe in overweging 35 en 36:
“Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door het door de verordeningen nr. 273/2004 en nr. 111/2005 nagestreefde doel […], of door het veranderlijke karakter van de
psychotrope stoffen worden gebruikt, te bestrijden door toezicht op de handel in deze stoffen in te voeren, vergezeld van doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, neemt dit niet weg dat het repressieve doel van genoemde verordeningen niet van invloed kan zijn op de definitie van het begrip ‘geregistreerde stof’ of op de eventuele kwalificatie van de
betrokken stof als geregistreerde stof op basis van die definitie.”
Kaderbesluiten nog steeds geldige bevoegdheidsgrondslag
Het Hof deed op 16 april uitspraak in twee zaken die door het Parlement warenaangespannen tegen de Raad, zaak C-540/13 en gevoegde zaken C-317/13 en C-679/13. Het Parlement had de nietigverklaring gevorderd van besluiten van de Raad genomen in 2013. In het nemen van deze besluiten was in kaderbesluiten voorzien, maar volgens het Parlement was de rechtsgrondslag van de besluiten artikel 34 EU-Verdrag, dat niet langer geldig is. Volgens het Parlement hadden de kaderbesluiten eerst moeten worden vervangen door richtlijnen. De besluiten noemen echter zelf het kaderbesluit en het VWEU als
rechtsgrondslag. Het Hof stelt daarom vast dat de besluiten een geldige rechtsgrondslag hadden. De Raad had echter bij het nemen van de besluiten wel eerst het Parlement moeten raadplegen. Artikel 39 EU-Verdrag voorzag daarin, en hoewel dat is ingetrokken moeten de rechtsgrondslagen uit de kaderbesluiten wel in overeenstemming met het toentertijd
geldende primaire recht worden uitgelegd. De besluiten worden dus alsnog vernietigd, al laat het Hof de rechtsgevolgen in stand totdat nieuwe besluiten zijn genomen.
EAB
Op 16 juli wees het Hof arrest in de zaak Lanigan, C-237/15 PPU. De zaak betreft een spoedprocedure in verband met de toepassing het Europees aanhoudingsbevel. Lanigan, de verdachte, zit reeds sinds 16 januari 2013 (!) in Ierland in voorarrest, in afwachting van zijn overlevering naar het Verenigd Koninkrijk ter zake van een vervolging wegens moord en verboden wapenbezit. Het Kaderbesluit voorziet in een beslistermijn van 90 dagen. In december 2014 brengt Lanigan in stelling dat de termijnen uit het Kaderbesluit EAB zijn overschreden en dat zijn overlevering daarom moet worden geweigerd. De Ierse rechter vraagt het Hof van Justitie vervolgens wat de rechtsgevolgen zijn van het overschrijden van de termijnen. Het Hof antwoordt dat de nationale rechter een beslissing moet nemen over de tenuitvoerlegging van het overleveringsbevel, ook als de termijnen voor het nemen van die beslissing zijn overschreden. Bovendien hoeft de verdachte niet vrijgelaten te worden zolang de rechter van oordeel is dat de termijn van detentie niet excessief is in het licht van de procedure. Als de rechter besluit tot schorsing van de hechtenis, zullen niettemin alle nodige maatregelen moeten worden genomen om te zorgen dat overlevering plaats kan vinden.
Overig
het doel van de richtlijn, te weten de beëindiging van illegaal verblijf. Het antwoord op de vragen is relevant voor Nederland, aangezien de Hoge Raad eind vorig jaar oordeelde dat wanneer iemand na terugkeer opnieuw het land binnen komt, de rechter zich er niet van hoeft te vergewissen dat de terugkeerprocedure (opnieuw) is doorlopen
(ECLI:NL:HR:2014:3091). Als ik het goed zie, dan zal deze rechtspraak moeten worden herzien indien het Hof van Justitie het betoog van de A-G volgt. Ook illegaal verblijf na aanvankelijke terugkeer valt dan onder de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn, hetgeen betekent dat de procedures waarin die richtlijn voorziet moeten worden toegepast.
A-G Kokott heeft op 30 april conclusie genomen in zaak C-105/14 (Taricco) over de toelaatbaarheid van een nationale verjaringsregeling in het licht van de verplichting
‘doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties’ te stellen op fraude met EU-middelen. De korte Italiaanse verjaringstermijnen staan effectieve handhaving in de weg, en Kokott adviseert het Hof te stellen dat de nationale rechter deze buiten toepassing moet laten in zaken die nog niet zijn verjaard. Het legaliteitsbeginsel komt daarmee volgens haar niet in gevaar, aangezien de gedraging en de daarop gestelde straf ten tijde van het plegen in het Italiaanse recht geregeld waren. Het Europese recht neemt in dit geval slechts een
vervolgingsbeletsel weg.
Op 7 mei nam A-G Bot conclusie in de zaak Covaci (zaak C-216/14), die gaat over Richtlijn 2010/64/EU inzake het recht op vertolking en vertaling. Hij begint zijn conclusie met een beginselverklaring, onder meer inhoudende dat de minimumvoorschriften moeten worden gezien als dwingende voorschriften, en dat zij, omdat ze het wederzijds vertrouwen beogen te versterken, niet restrictief mogen worden uitgelegd (paragraaf 28-35). De Duitse
verwijzende rechter had gevraagd of de richtlijn zich verzet tegen een regeling krachtens welke hoger beroep slechts in het Duits mag worden ingesteld, of tegen een regeling die het verplicht maken voor de verdachte om een ontvangstgemachtigde ter zake van
betekeningen aan te wijzen. Beide vragen worden door de A-G ontkennend beantwoord. Wel moet het nationale recht de uitoefening van rechten mogelijk maken, bijvoorbeeld door ervoor te zorgen dat een beroep dat in de eigen taal wordt gedaan, wordt vertaald in de procestaal. Ten aanzien van de tweede vraag is de voorwaarde dat de wettelijke termijn waarbinnen de betrokkene van zijn rechten gebruik kan maken ook daadwerkelijk ten volle kan worden gebruikt, met andere woorden dat deze termijn pas gaat lopen op het moment dat de betrokkene kennis neemt van de tegen hem genomen beslissing.
3.2Nederland
Internationale afvaltransporten
controleprocedure volgt, anders dan de kennisgevingsprocedure van de EVOA. De
verdachte rechtspersoon heeft gehandeld in strijd met deze Chinese procedure. Artikel 10.60 lid 2 Wet milieubeheer verbiedt handelen dat op grond van artikel 2 sub 35 EVOA moet worden aangemerkt als illegale overbrenging van afvalstoffen. Er is echter niet in strijd met de EVOA gehandeld, maar uitsluitend in strijd met Chinese normen inzake de overbrenging van afval, en dat is geen strafbaar feit naar Nederlands recht. De vrijspraak door het Hof geeft daarom geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk, aldus de Hoge Raad.
Terugkeerrichtlijn
Iemand die in Nederland verblijft terwijl hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat hij ongewenst is verklaard, maakt zich schuldig aan overtreding van artikel 197 Sr. Om daadwerkelijk tot de oplegging van een straf te kunnen komen, moet de rechter zich ervan vergewissen dat de terugkeerprocedure, zoals voorgeschreven in de Terugkeerrichtlijn, is doorlopen (ECLI:NL:HR:2013:BY3151). In ECLI:NL:HR:2015:1143 van 12 mei 2015 maakt de Hoge Raad duidelijk dat deze vergewisplicht ook geldt ten aanzien van vreemdelingen die weten of ernstige reden hebben te vermoeden dat tegen hen een inreisverbod is
uitgevaardigd. Dat is niet zo verwonderlijk, aangezien ongewenstverklaringen van voor inwerkingtreding van de Terugkeerrichtlijn moeten worden gezien als inreisverboden.
EAB
De Rechtbank Amsterdam herziet in een vonnis van 2 januari 2015 haar rechtspraak over artikel 6 lid 5 OLW, dat de voorwaarden bevat onder welke een vreemdeling met een Nederlander kan worden gelijkgesteld voor de toepassing van de Overleveringswet (ECLI:NL:RBAMS:2015:74). De eerste voorwaarde is dat de vreemdeling een
verblijfsvergunning heeft voor onbepaalde tijd. Deze voorwaarde wordt, overeenkomstig het Wolzenburg-arrest van het Hof van Justitie (zaak C-123/08), aldus uitgelegd dat voor onderdanen van EU-lidstaten geldt dat zij vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland moeten hebben verbleven. Eerder oordeelde de rechtbank dat voor rechtmatig verblijf de vreemdeling altijd diende te beschikken over een ziektekostenverzekering. Artikel 7 lid 1 van Richtlijn 2004/38 en artikel 8.12 Vreemdelingenbesluit 2000 maken echter voor het
verblijfsrecht onderscheid tussen drie categorieën burgers: sub a) werknemers en zelfstandigen; sub b) economisch niet-actieven en sub c) studenten. Ten aanzien van economisch niet-actieven en studenten (sub b en c) stelt de richtlijn het hebben van een ziektekostenverzekering als voorwaarde, maar ten aanzien van werknemers en
autoriteiten hebben geen bezwaar tegen verderlevering, maar zijn onbevoegd toestemming te verlenen. Eerder liet de rechtbank het toezicht op de naleving van het specialiteitsbeginsel bij gebreke van instemming van de buitenlandse autoriteiten over aan de officier van justitie. Dit standpunt herroept zij. Volgens de rechtbank volgt duidelijk uit artikel 28 lid 3
Kaderbesluit EAB dat verderlevering moet worden geweigerd indien er geen toestemming is. Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Terrorisme
Op 27 januari kwam het Hof Den Haag tot een veroordeling van een beoogde Syriëganger op basis van artikel 134a Sr (ECLI:NL:GHDHA:2015:83). Daarmee vernietigde het de gedeeltelijke vrijspraak van de rechtbank. Het vonnis is interessant omdat het Hof daarin het juridisch kader inzake artikel 134a Sr uitgebreid uiteenzet, waarbij ook de internationaal- en Europeesrechtelijke herkomst van de bepaling wordt besproken. De verdachte wordt ook veroordeeld ter zake van voorbereiding van opzettelijke brandstichting.
Buitenwerkingstelling Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens
Nadat het Hof van Justitie vorig jaar april de Richtlijn dataretentie ongeldig verklaarde(gevoegde zaken C-293/12 en C-594/12, Digital Rights Ireland), oordeelde de civiele rechter in Den Haag in maart dat ook de Nederlandse omzetting daarvan, de Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens, strijdig is met fundamentele rechten
(ECLI:NL:RBDHA:2015:2498). De kortgedingrechter toetst de wet aan het Handvest en komt op basis daarvan tot de conclusie dat daarin gemaakte inbreuk op het recht op privéleven en bescherming van de persoonsgegevens niet beperkt is tot het strikt noodzakelijke. De wet bevat geen objectieve criteria waarmee de toegang tot de gegevens wordt beperkt tot gevallen waarin sprake is van ernstige criminaliteit. De toegang is weliswaar beperkt tot opsporing en vervolging van strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan of van terroristische misdrijven, maar dat beperkt de toegang niet tot ernstige criminaliteit, aldus de rechter. Immers, ook ter zake van een fietsendiefstal is voorlopige hechtenis toegestaan en kunnen in theorie gegevens worden opgevraagd. De toegang tot de gegevens wordt daarnaast niet gecontroleerd door een rechterlijke instantie of onafhankelijke administratieve instantie (het Openbaar Ministerie kan niet gelden als een dergelijke instantie). De wet kan niet garanderen dat de inmenging in de genoemde rechten gerechtvaardigd is, en wordt buiten werking gesteld.
Vrijspraak bereiden en in- en uitvoeren synthetische cannabinoïden
Naar aanleiding van het arrest Markus D. en G. van het Hof van Justitie van vorig jaar juliof in ieder geval gepresenteerd als geschikt voor ‘het herstellen, verbeteren of anderszins wijzigen van fysiologische functies bij de mens door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen.’ Die definitie stemt overeen met die van Richtlijn 2001/83/EG inzake geneesmiddelen. Het Hof van Justitie oordeelde dat synthetische cannabinoïden niet onder het bereik van de geneesmiddelenrichtlijn vallen, omdat middelen die slechts de fysiologische functies wijzigen zonder dat ze een gunstige invloed kunnen hebben op de gezondheid, niet kunnen gelden als geneesmiddelen in de zin van die richtlijn. De rechtbank legt de Geneesmiddelenwet conform de richtlijn uit en komt tot een vrijspraak.