Knopen……….7 ... 7 Inleiding ... 8 Enkele Paalsteek ... 8 De achtknoop ... 9 De Vlinderknoop ... 10 Dubbele Vissersknoop ... 11 Franse Strop ... 11 De Prusikknoop ... 12 De Mastworp ... 12 Halve mastworp ... 13 Halve steek ... 13 Sjorren ... 14 Timmermanssteek ... 14 De Mastworp ... 14 Achtsjorring ... 15 Kruissjorring ... 16 Diagonaalsjorring ... 17 Touwbehandeling ... 18 ... 19
Historiek van het alpinisme en het rotsklimmen. ... 20
Wereldwijd ... 20 België ... 21 Het materiaal ... 22 Gordel ... 22 De zitgordel ... 22 De integraalgordel ... 22 Schoeisel ... 23 Veiligheid: helmen ... 24 Magnesium en magnesiumtasjes ... 24
Basisbenodigdheden voor een moderne klimmer ... 25
Sling ... 25 Karabiners of musketons ... 25 ... 25 ... 25 De juiste touwen ... 25 Wanneer is er touwschade? ... 26 Touw ontrollen ... 26 Touw oprollen ... 26 De valfactor ... 27 ... 27 Praktijk klimmen ... 28
Didactisch - methodische achtergrond. ... 28
Aandachtspunten voor de praktijk ... 28
Aanpassen van het materiaal ... 28
Inbinden ... 29
Specifieke stretchoefeningen ... 33
Progressieve klimopbouw ... 33
Verschillende soorten klimmen ... 34
Sportklimmen ... 34 Boulderen ... 34 Traditioneel klimmen ... 35 Ijsklimmen ... 35 Artificieel klimmen ... 35 De klimtechnieken ... 36
Het principe van drie steun- of vaste punten: ... 36
Klimmen doe je met je benen: ... 36
Belasting van grepen in logische zin: ... 36
Het principe van wrijving: ... 36
Het principe van “edging”: ... 36
... 37 Historiek ... 38 Definiëring en doelstellingen ... 40 Wat is oriëntatieloop ... 40 Doelstellingen ... 40
Andere soorten oriëntatie ... 41
De drie stappen bij de leerstofopbouw ... 42
Kaartlezen ... 42
a. Kaartrichting ... 43
Hoe het noorden bepalen? ... 43
b. Schaal van de kaart ... 49
... 50
c. Kaartsymbolen - de kaartlegende ... 51
Symbolen, kleuren van de stafkaart: ... 51
Symbolen, kleuren van de IOF-kaart ... 51
Hoogtelijnen ... 53
Hanteren van een kompas ... 54
Het kompas: types en onderdelen ... 54
Gebruik van het kompas ... 55
Bij het oriënteren van de kaart: ... 55
Om de looprichting te bepalen ... 55
Om een gekozen richting over te brengen in de realiteit ... 56
Om een richting te bepalen op het terrein ... 56
Schatten en meten van afstanden ... 57
Kiezen van de beste route ... 58
Het lopen met kompas (Azimut) ... 59
Reliëf lezen ... 59
Methodisch-didactisch ... 60
Uitzetten van een oriëntatieparcours ... 60
Terreinkeuze ... 60
Parcours ... 60
Kaartkeuze ... 60
Controleposten ... 60
Specifieke tips i.v.m. groepsinitiatie in de oriëntatiesport ... 61
Oefenstof voor het aanleren van oriëntatielopen ... 62
Oriëntatieloop met valse en ontbrekende posten ... 63
Uitdagingsloop (Bv. laddersysteem) : ... 63
Puzzelloop : ... 64
Schatten van afstanden ... 64
Afstandsloop ... 64 Driehoeksloop ... 64 Vensterloop ... 64 Wegennetomloop ... 64 Kompas hanteren ... 65 Graden lopen ... 65 Azimut lopen ... 65 Kompasvierkant ... 65 Sterloop op kompas ... 65 Lussenroute ... 65 Klaverbladroute ... 66 Kringroute ... 66 Spinnenwebroute ... 66 Blanco kaart ... 66 Lijn-oriëntatie ... 66 Scoreloop ... 66
Gecombineerde vormen : kaart, kompas, richting kiezen en afstand schatten ... 67
Geheugenoriëntatieloop ... 67 Sterloop ... 67 Radaromloop ... 67 Dropping ... 67 Steraflossing ... 67 ... 68
Wat is via ferrata? ... 69
Historiek via ferrata ... 69
Wat is een touwenparcours? ... 70
Apenbrug: ... 70 Historiek touwenparcours ... 71 Materiaal ... 72 Helm ... 72 Klimgordel ... 72 Musketons ... 73 Handschoenen ... 73 Leeflijn: ... 73 Methodisch-didactische principes ... 74 Quotering ... 74 De valfactor ... 74
Begeleiden van Via Ferrata en het touwenparcours ... 75
... 79
Inleiding ... 80
Onstaan van grotten ... 80
Primaire grotten zijn gelijktijdig met de vorming van het gesteente waarin ze voorkomen ontstaan. ... 80
Het in- en uitstappen ... 89 De peddelbrug achter ... 89 De peddelbrug voor ... 89 De peddelbeweging ... 90 De inpikfase ... 90 De doorhaalbeweging ... 90 De uitpikfase en de luchtfase ... 90 Basistechnieken ... 91 Lage peddelsteun ... 91 Boogslag voorwaarts ... 91
Stoppen van de boot ... 91
Wrikken ... 91 Oefenstof ... 92 Opwarming ... 92 Leren instappen ... 92 Bootgewenning en peddelgewenning ... 93 Peddelgewenning: ... 93 Bootgewenning: ... 93 Slagtechnieken aanleren ... 93 Draaitechnieken ... 93 Tikkertje: ... 94 Tienbal: ... 94 Vlaggenspel ... 94 Bare ... 94
Kajak, mag ik overvaren? ... 94
Lummelen ... 95
Het grote zoekspel ... 95
Een volle boot terug leeg maken ... 95
Algemene veiligheidsregels: ... 96
... 97
... 97
Materiaal: peddel en boot ... 98
Peddel ... 98 Boot ... 98 Enkele technieken ... 98 Redden ... 98 De kanoër redden ... 99 De peddel redden ... 99 De boot redden ... 100
De boot heeft wel drijflichamen en gedraagt zich als een boot. ... 100
De boot heeft geen drijflichamen en gedraagt zich als een zware boomstam. ... 100
Steunen ... 101
De lage steun ... 101
De hoge steun ... 101
De steun op de bodem ... 101
De steun met de handen ... 102
De steun tegen een rots ... 102
Keerwater ... 102
Keerwaters invaren ... 102
Op de rivier ... 106 Plannen ... 106 Groepsgrootte ... 107 Samenstelling ... 107 Traject kiezen ... 107 Basiskamp kiezen ... 107 Historiek ... 109 Materiaal ... 110
De onderdelen van de mountainbike ... 110
Het frame en het stuur ... 111
Frame: ... 111 Stuur: ... 112 Versnellingen en remmen ... 112 Versnellingen: ... 112 Remmen: ... 113 Dérailleurs en cranks ... 113 Dérailleurs: ... 113
De instelling van de dérailleurs is afhankelijk van het verzet dat je met de versnelling op het stuur instelt. Dérailleurs kunnen aardig worden afgesteld. Elke dérailleur bevat twee stelschroeven, die losser of vaster kunnen worden gedraaid om de mate van bewegingsvrijheid van de dérailleur bij te stellen. ... 113
Cranks: ... 114
Pedalen ... 114
Pedalen worden al dan niet voorzien van speciale toeclips: metalen of plastic klemmetjes, waarmee de voeten op de pedalen worden gehouden. Klikpedalen met bijhorende schoenen, ook wel SPD-systeem genaamd, zorgen voor een efficiëntere energietransfer en worden door de meeste rijders geprefereerd. ... 114
Het zadel ... 115
Hoewel het zadel direct met het lichaam in contact komt, wordt er vaak een zadel van inferieure kwaliteit op de fiets gemonteerd. Schaf een zo goed mogelijk zadel aan. De speciaal op man en vrouw afgestemde, anatomisch correcte zadels zorgen voor meer comfort en verminderen de kans op blessures. ... 115
De wielen ... 115
Methodisch-didactische principes ... 117
Materiaal dat je tijdens de tocht mee moet nemen ... 117
Gedragscode ... 117
Veiligheid ... 118
Blessures aan het hoofd: eerste doodsoorzaak bij fietsongevallen. ... 118
Verplichting, een oplossing? ... 119
Didactische wenken ... 120
Voor het vertrek: ... 120
Vertrek: ... 121
Klimmen: ... 121
Afdalen: ... 123
Algemeen onderhoud mountainbike ... 124
Schoonmaken: ... 124
Inleiding
“Het is vreemd hoe weinig de meeste mensen weten over het leggen van zelfs de eenvoudigste knoop.”
(R.M. Abraham – Winter Nights’Entertainments, 1932)
Zonder knopen kunnen we niet klimmen, zekeren of abseilen. Knopen zijn dus voor bijna iedere natuursporter van levensbelang. Natuursporter in de meest ruime zin van het woord, dus muurklimmers, sportklimmers, alpiene klimmers, toerskiërs, klettersteigers, speleologen, etcetera. In de afgelopen jaren zijn talrijke knopen bedacht, geprobeerd en weer verworpen.
De belangrijkste knopen worden hieronder besproken. Ga bij het toepassen van de knopen als volgt te werk:
Houd je in eerste instantie aan deze knopen, dan doe je het in ieder geval goed. Leer deze knopen uit je hoofd en zorg dat je ze onder alle omstandigheden feilloos
en 'blind' kunt toepassen.
Leer je andere knopen kennen, die net zo goed zijn als de hieronder beschreven knopen, maar die sterk jouw voorkeur hebben, stap dan uiteindelijk op die alternatieven over.
Zorg er steeds voor dat je een visuele voorstelling hebt van hoe de juiste knoop eruitziet.
Enkele Paalsteek
Eigenschappen:
Snel te leggen knoop die zelfs na sterke tractie niet vastzet.
Vormt een niet-schuivende lus die achteraf makkelijk losgemaakt kan worden.
Onbetrouwbaar, vooral bij stugge en gladde touwen en moet altijd afgewerkt worden met een dubbele stopknoop.
Risico op doorschuiven bij een belasting die geleidelijk tot stand komt.
In de bergsport enkel maar te gebruiken in combinatie met een tweede knoop (mastworp).
De achtknoop
Enkele achtknoop
Makkelijk te leggen knoop die vooral gebruikt wordt als voorbereiding op onderstaande knopen.
Dubbele achtknoop
Makkelijk te leggen knoop.
Meestal in het midden van een touw aangebracht of gebruikt om een touw aan een uiteinde vast te maken.
Gevlochten achtknoop
(ook wel gestoken of geweven achtknoop genoemd) Deze knoop is de bekendste inbindknoop.
Hij is zeer betrouwbaar, maar komt zeer moeilijk terug los na herhaaldelijke, zware belasting
Twijfel je aan je knopen, gebruik dan deze knoop.
Hij is makkelijk te leggen en te controleren (ideaal voor initiatie en voor gevorderden).
Een goede achtknoop ziet er mooi uit en het uiteinde komt aan dezelfde kant uit als het er in gaat.
Minimum 10 cm. resttouw na de knoop
Neem een lus en vouw die dubbel.
Breng die lus achter het touw door naar voren en haal hem door het oog.
Vergeet hem niet af te werken met een dubbele stopknoop bij te weinig resttouw!
De Vlinderknoop
(ook wel Alpenvlinder of Papillon genoemd)
Dit is een klassieke Europese knoop voor bergbeklimmers.
Deze knoop gebruikt men om een lus te vormen in het midden van het touw. Kan gebruikt worden om in touwgroep te lopen, bijvoorbeeld om een gletser te
traverseren. (Hill Trail).
Dubbele Vissersknoop
Met deze verbindingsknoop kan je 2 touwen (van verschillende dikte) met elkaar
verbinden.
Franse Strop
( ook wel Franse prusikknoop genoemd)
De Franse strop schuift niet naar beneden maar kan wel naar boven geschoven worden.
De Machard blokkeert in twee richtingen.
Leg de 2 eindjes naast elkaar.
Sla het losse eind van de éne lijn om de andere heen, en daarna om beide.Steek het losse eind terug door de twee lussen die je zojuist hebt gevormd.
Dit is ook de dubbele stopknoop (paalsteek).
Herhaal het patroon met het losse eind van de andere lijn.
Schuif de twee knopen naar elkaar toe en trek ze voorzichtig aan.
Zorg dat de knopen goed tegen elkaar komen te liggen.
De Prusikknoop
Met een prussikknoop is het mogelijk in een enkel klimtouw van 11 mm naar omhoog te klimmen.
Het is een onontbeerlijke knoop voor alle reddingstechnieken.
Het bijzondere van de prussikknoop is, dat deze onder belasting zich vastklemt om het touw, maar als de belasting van het prusikje wordt gehaald, is de knoop eenvoudig heen en weer te schuiven.
De Mastworp
Een effectieve bevestiging als de trekrichting haaks tot horizontaal is. Deze knoop lost wanneer hij belast wordt onder een hoek.
We gebruiken de mastworp als bevestigingsknoop bij toproping (zie lager).
Een andere toepassing van deze veelgebruikte knoop is als begin- en eindknoop bij het sjorren.
Mastworp met een bocht
Deze knoop kan over een voorwerp geschoven worden of in een musketon zoals op de tekening.
Mastworp, gelegd met werkend eind
De mastworp moet op deze manier worden gelegd wanneer hij niet over het voorwerp overgeschoven kan worden.
Halve mastworp
(ook wel HMS – Halb-Mastwurf-Sicherung − genoemd) Deze zekeringsknoop wordt veel gebruikt in Europa.
Hij wordt ondermeer toegepast als zekering bij het rappellen en het naklimmen. Er is weinig kracht nodig om met deze knoop te zekeren en hij werkt in 2
richtingen. Dit wil zeggen dat je met even groot gemak het touw inhaalt of uitgeeft. Je kan dus zowel een voor- als naklimmer zekeren.
Het nadeel van deze knoop is dat het touw snel kringelt en tevens vertoont het touw snel slijtage aan de mantel van het touw als men met een halve mastworp rappelt.
Deze knoop wordt vaak beschouwd als de veiligste zekeringsmethode.
Halve steek
Een halve steek is eigenlijk een soort halve mastworp. Je gebruikt bijvoorbeeld twee halve steken om een sjorring (die verderop aan bod komen) af te ronden. Het is geen knoop die je los gebruikt.
Sjorren
Beginknopen
Timmermanssteek
Deze knoop wordt voornamelijk gebruikt als een beginknoop voor het vastsjorren van dingen, maar kan ook worden gebruikt voor het voortslepen van zware boomstammen.
De Mastworp
Zie hoger
Breng het losse eind rond de stam en losjes rond het staande deel.
Breng het naar voren en steek het onder het stuk van het touw dat rond de stam is geslagen. Wikkel het een drietal keren om zichzelf heen. Trek de knoop aan vanaf de kant van het staande deel tot het touw stevig vast zit.
Sjorringen
Achtsjorring
De achtsjorring wordt gebruikt om drie sjorbalken zo aan elkaar vast te maken dat ze later een driepikkel kunnen vormen. De sjorring dankt zijn naam aan zijn uiterlijk, je vormt “achten” bij het leggen van de sjorring. Het voordeel van een driepikkel is dat je geen sjorbalken in de grond hoeft te slaan. Je kan je constructie dus gewoon op de grond zetten en eventueel verplaatsen.
Leg de drie sjorbalken voor je gaat beginnen naast elkaar. Of je de onderkant van de balken gelijk legt, hangt af van het soort driepikkel dat je wilt maken:
Bij de normale opstelling van een driepikkel liggen de balken met de onderkant gelijk.
De opstelling met één paal loodrecht.
Werkwijze:
Leg de balken naast elkaar, met de onderkanten zoals hoger beschreven. Als je een hulppaaltje onder de balken legt, krijg je meer ruimte om de sjorring te maken. Begin met een
timmermanssteek (of mastworp) om één van de buitenste palen te leggen. Let er hierbij op dat je touw recht uit het oog vertrekt.
Sla vervolgens het touw afwisselend over en onder de balken heen en werk ‘naar boven toe’. Dat is het gemakkelijkst, omdat je het touw dan tussen de balken kunt leggen. Als je naar onder toe werkt, moet je telkens het hele touw tussen de balken door trekken. Leg om iedere balk drie slagen, de timmermanssteek niet meegeteld.
Kruissjorring
Deze sjorring is geschikt voor het aan elkaar binden van balken en palen die elkaar kruisen. Ze zijn het meest effectief wanneer de componenten elkaar loodrecht kruisen.
Werkwijze:
1. Maak een timmermanssteek (of mastworp) en steek de lijn afwisselend boven en onder beide balken door en herhaal dat tot je een keer helemaal rond bent voordat je hem vastzet. Voer de lijn over en onder beide balken door in tegengestelde richting.
2. Nadat je op deze wijze drie of vier keer bent rondgegaan, maak je een volle slag rond een balk en doe je hetzelfde in tegengestelde richting (woelen).
3. Maak iedere ronde af met een halve steek rond een balk en zet de lijn vast met een mastworp loodrecht op een balk.
Diagonaalsjorring
Deze sjorring gebruik je enkel om twee balken die elkaar kruisen maar niet raken te verbinden en zo tegen elkaar te trekken. De sterkte van deze sjorring haal je niet uit de ‘windingen’ van het sjortouw, maar uit de wrijving van de balken op de plaats van de sjorring. Deze hout-op-houtwrijving geeft je constructie de nodige stabiliteit. Een typische toepassing van een diagonaalsjorring is de verbinding van de diagonalen in een toren.
Werkwijze:
1. Leg een timmermanssteek om beide balken heen. Trek de timmermanssteek aan tot de twee balken elkaar raken of tot de afstand tussen de twee balken zo klein mogelijk is.
2. Verlaat het oog van de timmermanssteek onder een hoek van 30° en sla het touw drie maal om de balken heen. Zorg ervoor dat de windingen naast elkaar liggen.
3. Herhaal dit nog eens in de andere richting zodat je een kruis krijgt.
4. Begin daarna te woelen. Leg ook hier de woelingen naast elkaar en leg na de derde woeling een mastworp, gevormd door twee halve steken. Het overschot van het eventuele touwwerk kan je oprollen of rond één van de balken leggen door middel van halve steken.
Touwbehandeling
Oprollen van een touw
Veel touwen worden verkocht met een touwzak waar ook een stuk zeil in zit, waar het touw opgelegd wordt aan de voet van de route. Dat zeil wordt aan het eind van de dag weer om het touw gedaan. Dit is verreweg de beste manier om niet alleen het touw op te slaan, maar ook om het naar een bergwand te dragen. Een andere goede manier is om het touw dubbel te slaan en het te verdelen in twee armlengten en die over één hand te dragen. Met de andere hand pak je de twee uiteinden van het touw en wikkelt die om beide bundels. Tenslotte kan er een lus door de bundel getrokken worden boven de omwikkeling.
Historiek van het alpinisme en het rotsklimmen
.Wereldwijd
Onze voorouders waren reeds klimmers. Zij klommen om te ontsnappen aan gevaarlijke dieren en op zoek naar eten. In het midden van de achttiende eeuw begonnen ze terug te klimmen, nu echter uit verlangen en niet meer uit noodzaak. Klimmen gebeurde onder het mom van wetenschappelijk onderzoek, vooral bij de Britten.
Verspreid doorheen de Alpen liggen vele dorpen en steden temidden van spectaculair ogende pieken. En voor zeer uiteenlopende redenen wilden vele mensen deze beklimmen. De top was het uiteindelijke doel voor deze vroege klimmers, en sneeuwhellingen en gletsjers verschaften de meest natuurlijke weg tot de top. Al snel echter waren deze eenvoudige routes niet meer voldoende en ontwikkelden zich de eerste klimtechnieken om ook via moeilijkere beklimmingen de top te bereiken. Al snel werd ontdekt dat lagere rotswanden en kloven bruikbaar waren als trainingsplaatsen. Het duurde echter nog tot het einde van de negentiende eeuw vooraleer touwen en zekeringstechnieken hun intrede deden ter bescherming van de (vallende) klimmer. Rond 1910 werd in Oostenrijk het “rappellen” ontdekt en werden de stalen karabiner en de pitons geïntroduceerd. Met behulp van deze tussenbeveiligingen werd het mogelijk om moeilijkere en zwaardere routes te beklimmen, die voorheen als ondenkbaar werden gedacht. Nochtans werden de beklimmingen van deze ‘trainingsrotsen’ als minderwaardig beschouwd in vergelijking met de grote Alpentoppen. Toch kan gezegd worden dat dit onterecht was, gezien de moeilijkheid van deze beklimmingen en het minderwaardige materiaal dat de klimmers ter beschikking hadden. De touwen werden gemaakt van hennepvezels en breuken waren dan ook legio. Ook de zolen van de klimschoenen waren van hennep. De stijl en de methode van klimmen is echter gedurende de laatste ± vijftig jaar onveranderd gebleven.
In het vooroorlogse (WO I) Engeland verliep de ontwikkeling van het klimmen enigszins anders. Een eerste reden is het feit dat het gebruik van pitons in Engeland ontmoedigd werd. Dit was deels om ethische redenen en deels te wijten aan de broze structuur van zandsteen. Een tweede reden ligt in het feit dat Engeland geen hoge toppen heeft. Hierdoor kregen we in Engeland de ontwikkeling van het sportklimmen als volwaardige sport.
In Amerika ontwikkelde het alpinisme zich zoals op het Europese continent, zij het met een vertraging van een kleine twintig jaar.
In de jaren dertig werd de nadruk nog steeds op het alpinisme en de hogere pieken gelegd, maar toch kregen we ook een enorme ontwikkeling in het rotsklimmen. Amerikaanse, Europese en Aziatische pieken werden beklommen.
Tijdens de tweede wereldoorlog was er weinig klimactiviteit, maar de technologische ontwikkeling tijdens WO II heeft wel een grote impact gehad op het naoorlogse klimmen. Zo kregen we de ontwikkeling van het nylon-touw, de lichtgewicht karabiner en de legerpitons.
Na de tweede wereldoorlog ontwikkelde het rotsklimmen zich verder. In Engeland bleef het klimmen zonder pitons gehandhaafd. Zij ontwikkelden een anker-systeem met het gebruik van klemblokjes en het gebruik van “runners” over natuurlijke uitsteeksels en dergelijke. Op het continent bleef het accent nog steeds op het alpinisme liggen en ontwikkelde het
Rond 1960 verschenen de eerste speciale klimschoenen. Samen met de ontwikkeling van betere pitons leidde dit opnieuw tot een verbetering in het rotsklimmen. In Engeland begonnen de klimmers een onderscheid te maken tussen het gebruik van dergelijke hulpmiddelen als zuivere bescherming bij een eventuele val, of als hulpmiddel bij het klimmen zelf. Het klimmen met hulpmiddelen ter bescherming van de klimmer werd bekend onder de naam “vrij klimmen” (free climbing).
De jaren zeventig werden gekenmerkt door een enorme ontwikkeling in het rotsklimmen. Dit was in grote mate te danken aan de ontwikkeling van de klimtechnieken in Yosemite Valley (California, U.S.A.). Klimmers van over heel de wereld reisden af naar Yosemite Valley om deze technieken te leren en deze wisselwerking gaf een boost aan het rotsklimmen. In Amerika krijgen we in deze periode de ontwikkeling en commercialisering van zekeringsmaterialen.
In de jaren tachtig reisden de klimmers de wereld af op zoek naar klimgebieden en normen werden verlegd. In Frankrijk ontwikkelde zich een nieuwe benadering van het rotsklimmen. Namelijk: de Franse klimmers daalden eerst de route af, hingen het zekeringsmateriaal reeds klaar en verkenden de aanwezige grepen. Vervolgens werd de route beklommen, ook al nam dit verschillende dagen en dus pogingen in beslag. Dit systeem wordt heden ten dage nog steeds gebruikt.
Dit resulteerde opnieuw in een verlegging van de standaards. Deze aanpak ligt uiteindelijk aan de basis van de ontwikkeling van het rotsklimmen als competitiesport. Meestal vinden deze competities nu plaats op artificiële klimmuren.
Voor de recreatieve klimmer is het sportklimmen echter een manier om de natuurlijke omgeving te verkennen en ervan te genieten.
België
In Belgie ontstond het alpinisme ± honderd jaar geleden. Het bleef echter een elitaire sport tot na de tweede wereldoorlog. Het zal ongeveer tot 1965 duren vooraleer het zich tot een populaire sport ontwikkelt. Deze tendens kunnen we ondermeer afleiden uit de ledenaantallen van de verschillende federaties en verenigingen. Nu zijn er ongeveer een zesduizend adepten en sympathisanten in het Vlaamse landsgedeelte.
Dit heeft geleid tot de noodzakelijke opvang van de aspirant-klimmer door de verenigingen. Zo ontstonden de cursussen initiator, trainer B, instructeur (B) (en trainer A) uit een samenwerking tussen VTS, BAC en VBSF. Zij hebben als doel de verschillende clubs en verenigingen te voorzien van bekwame lesgevers en begeleiders.
Je begint niet zomaar aan (rots)klimmen. Zoals bij alle sporten vergt dit een essentiële voorbereiding.
Het materiaal
Er zijn veel manieren waarop je met de sport rotsklimmen kan beginnen. Vandaag de dag is een van de populairste manieren de indoorklimmuur. Veel steden hebben klimclubs, die graag nieuwe leden krijgen. Dit is een ideale manier om te profiteren van de ervaring van andere leden. In het buitenland zijn er ook openluchtcentra die cursussen over klimmen en veiligheid geven. De twee Vlaamse federaties voorzien ook “klimscholen”.
Gordel
Een goede klimgordel
• vangt de val op door de schok te verspreiden over het lichaam. • veroorzaakt bij langdurig hangen geen pijn of drukpunten.
Je kan een onderscheid maken tussen een zitgordel en een integraalgordel.
De zitgordel
Een zitgordel, die in de meeste klimzalen gebruikt wordt, is veilig en comfortabel en is vervaardigd om het gewicht te verdelen bij een val.
Een zitgordel bestaat uit twee delen: beenlussen en een heupriem, bij de meeste modellen zitten die steeds aan elkaar vast.
- Beenlussen: ze vangen minder gewicht op dan de
riem, maar zorgen er wel voor dat iemand die
gevallen is in zithouding blijft hangen, en niet aan zijn middel.
- Heupriem: Een gordel is gemaakt van sterk, breed nylonband dat bij een val het hele gewicht over een groot oppervlak verdeelt. Ze moeten boven de heupen zitten en goed passen.
Hoe breder het ruggedeelte, hoe beter en comfortabeler de gordel.
De integraalgordel
Deze heeft ook nog schouder-riemen, ze zijn veiliger aangezien hun aanbindpunt hoger ligt dan het zwaartepunt van de klimmer, waardoor de kans op een rugletsel bij een niet-gecontroleerde val vermindert. Deze gordel wordt vooral gebruikt voor kinderen.
Schoeisel
Voor een maximale greep en gevoel dragen klimmers nauw aansluitende klimschoenen. Lompe schoenen zijn niet geschikt om aan sportklimmen te doen. Elastische randen en gepunte neuzen zijn pijnlijk, maar populair, omdat daardoor de schoen nauw zit en je toch voeling blijft hebben met de structuren in de wand.
De klassieke bergschoen is totaal verdrongen door de zogeheten PA (Pierre Alain). Kenmerken van de PA:
Gladde zool die in hardheid varieert. Opgebouwd uit nylon en omgekeerd leder.
Voorzien van veters tot aan de tenen ofwel instap met stevige rek en/of velcro.
Voordelen: - deze schoentjes zijn zeer licht; - zij geven veel wrijving;
- zij geven een goed gevoel van de te belasten grepen. Nadelen: - zij verslijten snel;
- zijn vaak pijnlijk om te dragen.
Klimschoenen zijn zeer geschikt voor het moeilijke klimwerk met kleine voetsteunen, ze bieden immers uitstekende wrijving en laten de steunen goed ' voelen '. Erg comfortabel zijn ze niet, ze zitten heel strak.
de neus: zo smal mogelijk, hierdoor kan je je voet in de smalle scheuren van de rots vastklemmen of op kleine greepjes zetten.
de zool: plat, gemaakt van 'plakkerig' rubber. Het is belangrijk dat de zool zorgvuldig schoon gehouden wordt zodat ze haar doeltreffendheid niet verliest. de hiel: de rand die om de schoen heen loopt komt bij de hiel omhoog, zo heeft hij bij het 'hielhaken' een goede wrijving.
De meeste klimmers dragen geen sokken omdat de schoenen strak aanzitten.
Heb je echter geen klimschoentjes, gebruik dan een gemakkelijke sportschoen met een stevige zool.
Veiligheid: helmen
Wanneer je op rotsen gaat klimmen is het van essentieel belang dat je een helm aanhebt, er moet maar een klein steentje van enkele meters hoogte op je hoofd terecht komen om een serieuze diepe wonde te veroorzaken.
Je kiest een helm die speciaal voor klimmen ontworpen is. Er zijn 2 soorten helmen beschikbaar, nl. de standaard en de lichtgewicht.
De kenmerken van een goede helm: - Comfortabel zitten
- Goed op je hoofd passen - Verstelbaar zijn
- Voorzien van een U.I.A.A. – label
- Eventueel voorzien om een koplamp op te bevestigen
Standaardhelm Lichtgewichthelm
- beschermt het hoofd goed
- heeft een stevige kap van glasvezel, met een schokdempende schuimrubberen voering
- Y-vormige kinband, op vier punten vastgehecht blijft goed op het hoofd zitten
- beschermt het hoofd minder goed
- kap meestal van ander materiaal gemaakt: polycarbonaat en thermoplast, dure modellen: koolstofvezel.
- Y-vormige kinband, op vier punten vastgehecht blijft goed op het hoofd zitten
Magnesium en magnesiumtasjes
Magnesiumpoeder verbetert de grip doordat het vocht absorbeert van de vingertoppen. Het stelt de klimmer in staat dingen vast te pakken met wat meer zelfvertrouwen, wat ook betekent dat de klimmer een greep net iets langer kan houden.
In sommige klimhallen verbiedt men het gebruik van magnesiumpoeder omwille van hygiëne en gezondheidsredenen.
Basisbenodigdheden voor een moderne klimmer
Slings, karabiners, nutjes, … allemaal vakjargon van uitrusting die als basis dient voor de klimmer. Deze technische klimbenodigdheden maken het klimmen tot een veilige sport. Het is natuurlijk belangrijk dat je begrijpt waarvoor dit alles dient.
Sling
Een sling of 'band' is een stuk sterk nylonband dat in lussen is genaaid. Er zijn verschillen in sterkte, in breedte en ze worden voor een heleboel dingen gebruikt. Vb.: om over een kleine rotspunt te leggen, of om beveiligingsmateriaal te verlengen.
Zo heb je de standaardsling, de lange sling.
Karabiners of musketons
Karabiners hebben een snapper en worden gebruikt als verbinding tussen een heleboel verschillende klimbenodigdheden. Ze zijn uit staal vervaardigd of van een minder slijtvaste aluminiumlegering en ze zijn in verschillende vormen en maten verkrijgbaar. Aluminium karabiners zijn populairder omdat ze lichter zijn dan staal, maar wel net zo
sterk; beide hebben ze een breukwaarde van 2000 kg.
- Schroefkarabiner: deze musketon heeft een schroefdraad die voorkomt dat hij onbedoeld opengaat. Deze wordt bij grote zekeringen altijd gebruikt.
- Karabiner met snapper of klikmusketon: deze wordt over het algemeen gebruikt om het klimtouw aan een sling vast te maken om een setje te vormen. Ook leeflijnen hebben klikmusketons, deze worden bij Wild Trails gebruikt om de leeflijn aan de staalkabel te bevestigen. Je hecht de leeflijn echter met een schroefmusketon aan je klimgordel vast.
De juiste touwen
Je klimtouw is het belangrijkste onderdeel van de veiligheidsbenodigdheden en moet daarom altijd als zodanig gerespecteerd en op de juiste manier behandeld worden. Je kan niet zomaar elk soort touw gebruiken (je moet er zeker van zijn dat het touw dat je gebruikt speciaal voor klimmen gemaakt is).
Een klimtouw is dynamisch, het rekt dus uit wanneer het belast wordt, waardoor de schok van een val opgevangen wordt.
De moderne klimtouwen worden vervaardigd uit synthetische garens zoals nylon. Zowel de kern als de mantel worden hieruit vervaardigd. Er worden doorgaans twee soorten touwen gebruikt:
De lengte zal meestal variëren van 40 tot 70m voor enkele touwen en van 80 tot l00m voor dubbele touwen. Een touw moet alleszins voorzien zijn van het U.I.A.A.-Iabel. Dit houdt in dat een touw minstens vijf vallen met valfactor 2 moeten kunnen doorstaan.
Wanneer is er touwschade?
- kernschade: bobbels of oneffenheden in het touw wijzen op schade aan de kern, zelfs als er geen zichtbare schade aan de mantel is. Beschadigd touw moet meteen weggegooid worden.
- Mantelschade: dit gebeurt meestal als het touw langs een scherpe rand schuurt, of als er een steen op valt. Van de onbeschadigde stukken kan je slings maken.
Touw ontrollen
Een van de eerste dingen die je voor het klimmen moet doen, is je touw ontrollen. Je maakt de knoop los en ontrolt het dan lus voor lus, laat elke lus op de grond vallen. Gooi het nooit op de grond of ga nooit klimmen als je het niet minstens één keer door je handen hebt laten gaan. Want het is dan dat je het touw controleert op slijtplekken, bobbels of andere vervormingen. Waar je altijd streng op moet toezien is dat jij en de anderen nooit op het touw gaan staan, misschien ligt er wel een scherpe steen onder!
Touw oprollen
Touw wordt opgerold om het gemakkelijk te kunnen opbergen en te dragen. Bij de bergklimmersrol maak je een reeks lussen van net boven je middel tot net onder je knie. Je kan het touw om de nek en over een schouder dragen, of als een rugzak op de rug. Een andere manier van oprollen is de alpiene rol: je begint vanuit het midden van het touw en je vormt dan een reeks lussen, elk een hele spanwijdte als de armen lang zijn en leg elke lus gaandeweg om je nek. Haal de lussen van je nek en bind ze bij elkaar. Als je het opgerolde touw op je rug wil dragen, moet je de twee uiteinden loshalen, ze over je schouder leggen en rond je middel vastbinden. (cfr. Knopen)
De valfactor
De valfactor verwijst naar de hoeveelheid kracht die er bij een val ontwikkeld wordt. De sterkte van deze kracht is afhankelijk van een aantal factoren. De valfactor wordt meestal uitgedrukt in een getal, dat de uitkomst is van de breuk van de afstand van de val met de lengte van het uitgegeven touw, dus de verhouding tussen de gevallen afstand en de lengte van het touw dat beschikbaar is om de val te absorberen. De waarden lopen meestal uiteen van 0,1 tot 2, waarbij 2 staat voor de grootste kracht op zowel klimmer als zekeraar en/of relais. Als op de derde touwlengte bijvoorbeeld de voorklimmer 3 meter geklommen heeft boven de zekering zonder tussenzekeringen te plaatsen en hij valt, zal hij net iets meer dan 6 meter vallen - hij zal onder de zekering zelf vallen. Dit is valfactor 2. De voorklimmer is 6 meter gevallen met 3 meter uitgegeven touw (6: 3 = 2). Als dezelfde voorklimmer valt op 30 meter boven de standplaats met een tussenzekering op 27 meter, valt hij ook 6 meter, maar de elasticiteit van het touwen de dynamische werking van de zekeringsketen zullen de meeste energie opvangen. In deze situatie merkt de zekeraar misschien nauwelijks iets van de val. De valfactor is in dit geval maar 0,2, hoewel de valafstand identiek is. De moraal van het verhaal: breng zo snel mogelijk na het verlaten van de standplaats een tussenzekering aan.
Praktijk klimmen
Didactisch - methodische achtergrond.
Aandachtspunten voor de praktijk
Als begeleider heb je een grote verantwoordelijkheid. Deze begint al bij het passen van het materiaal.
We onderscheiden dan ook verschillende stappen bij de begeleiding van een groep.
Aanpassen van het materiaal
Als begeleider verdeel je het materiaal zelf onder de deelnemers. Voorzie voldoende verschillende maten van klimgordels, niet elke deelnemer heeft immers dezelfde morfologie (sommige gordels zijn aanpasbaar zowel aan de heup als aan de benen).
Deel zelf de gordels uit onder de deelnemers, kijk hierbij vooral naar de benen.
Bespreek de verschillende onderdelen van de gordel: brede heupband, beenlussen en vooral de draaglus. Vermeld hierbij zeker dat deze lus niet dezelfde draagkracht heeft als de materiaallus (aan de zijkant van de gordel). De draaglus kan immers 5 ton houden, een materiaallus maar 5 kilo!
Toon aan de ganse groep hoe je een gordel aantrekt.
• Hou de brede band van de gordel met beide handen vast.
• Zorg dat de lus naar voren wijst.
• Kijk na of er geen riempjes gedraaid zitten.
• Stap met je benen in de beenlussen en trek de gordel naar boven.
• Maak de sluiting van de heupriem vast.
• Vergeet niet terug te steken bij het vastmaken van de gordel. Dit is afhankelijk van het type gordel, op sommige (modernere) gordels zit een automatische sluiting. Meestal zal je echter te maken krijgen met gordels waar dit “terugslaan” wel dreigt vergeten te worden.
Laat de deelnemers elkaar controleren.
Controleer nu zelf de deelnemers, diegene die gecontroleerd zijn, mogen gaan zitten aan het begin van de route.
Inbinden
Het inbinden moet correct gebeuren en het is dan ook belangrijk dat de deelnemers dit goed kunnen zien. Stel je dan ook zichtbaar op als begeleider.
Er worden verschillende manieren gebruikt om je in te binden.
Bij het sportklimmen op de rots of in zaal gebruikt men meestal de geweven acht. Let op bij het inbinden aan de gordel dat je de draaglus volgt met het touw. Je gaat je dus niet enkel inbinden op de lus maar op de twee bevestigingspunten die de lus dragen (zowel op been- als op heupgedeelte).
Indoor durft men al wel eens een makkelijke manier van inbinden gebruiken. In dit geval heeft men reeds een dubbele acht in het touw gelegd en dien je je enkel maar in te binden met een musketon. Dit is vooral interessant bij kindergroepen omdat hier het risico op onachtzaamheid en foute knopen het grootst is. Het spaart je als begeleider tevens veel tijd omdat je niet steeds opnieuw knopen moet gaan leggen.
Het zekeren
Bij het zekeren kan men gebruik maken van verschillende systemen. De verschillen tussen deze systemen moeten telkens apart bekeken worden. Informeer je dus vooraf welk systeem er gebruikt wordt.
Het meest gebruikte systeem is echter de metalen acht. Toon eerst hoe je een acht moet bevestigen in het touw.
Bij zekeren vertrekt men steeds van de uitgangshouding: linkerhand houdt het touw vast boven de metalen acht, met de rechterhand neem je het touw vast dat uit het
zekeringsapparaat vertrekt. Het zekeren gebeurt in 4 stappen.
• Breng de rechterhand naar boven tot ze in het gezichtsveld komt. Trek met de linkerhand het touw naar de acht, met de rechterhand trek je het touw van het apparaat weg. (“Bijtrekken”)
• Breng de rechterhand terug naar je zitvlak zodat je terug in de uitgangshouding bent. (“Achter”)
• Plaats je linkerhand vlak boven je rechter. (“Links”)
• Plaats nu je rechterhand boven je linker en neem met je linker terug het touw vast boven het zekeringsapparaat zodat je terug in de uitgangshouding bent. (“Rechts”)
Maak geen al te grote bewegingen, dit is moeilijker.
Het verschil in gewicht tussen klimmer en zekeraar mag niet te groot zijn!
Wanneer een klimmer naar beneden wil komen, is het aan de zekeraar om dat op een veilige manier te laten gebeuren.
Hij gaat de klimmer blokkeren (‘blokken’), d.w.z. het touw zo strak mogelijk trekken.
Vervolgens gaat de klimmer zitten in zijn gordel en plaatst zijn voeten plat tegen de muur en hij zorgt voor een voldoende grote spreiding van de benen i.f.v. evenwicht. De zekeraar laat hem vervolgens langzaam zakken door het touw zachtjes door beide handen te laten glijden.
Demonstreer zelf steeds het zekeren en laat een deelnemer de ideale afdaalhouding aannemen voor de groep. Let er op dat de acht en de touwhandelingen duidelijk zichtbaar zijn voor de initianten. Ze zullen vooral kijken naar de klimmer doch in deze fase is het zekeren van cruciaal belang en daar kan je hen niet voldoende op wijzen.
Het beveiligen van de klimmer
In de klimzaal wordt er veelal gebruik gemaakt van drie zekeringstoestellen.
De metalen acht:
is bij juist gebruik nog altijd één van de beste, veiligsteen gemakkelijkste beveiligingsapparaten. Steek het touw dubbel doorheen het grote oog en trek vervolgens de lus rond het kleine oog. De acht wordt dan met het kleine oog in een schroefkarabiner aan de gordel bevestigd. Let op: het touwuiteinde dat zich achter de acht bevindt, mag nooit losgelaten worden!!
De halvemastworp
: deze moet altijd gebruikt worden in combinatie meteen HMS-schroefmusketon. Deze manier van zekeren kan zeker bij kinderen aangeraden worden: zet twee kinderen achter elkaar en laat ze beiden de klimmer beveiligen met een halvemastworpzekering. Zelfs als beide kinderen samen het touw zouden loslaten, zal het systeem toch blokkeren. De twee halvemastworpen zullen naar elkaar toe getrokken worden en zo ‘verstrengelen’ en blokkeren.
Let op: Ook hier mag het touw achter de HMS-musketon niet losgelaten worden.
De gri-gri:
dit is een auto-blocant die de laatste tien jaar zijn intrede in de klimzalen heeft gedaan. Het systeem is echter niet aan te raden voor beginners. Tal van gevaren bij verkeerd gebruik zijn hieraan verbonden. Voordeel is dan weer dat het makkelijk hanteerbaar is.Opwarming
Het belang van de opwarming
Blessures vermijden
Het belang van een warming-up voor het klimmen kan niet genoeg benadrukt worden, of je nu op het punt staat de eerste keer te klimmen of mee doet aan de finale van een belangrijke internationale competitie. De meeste klimmers zijn berucht om hun luiheid als het om goede voorbereiding gaat. Klimmen is een van de meest veeleisende activiteiten voor banden en gewrichten, maar veel beoefenaars denken nog steeds dat een blessure iets is wat alleen anderen overkomt. Even verrassend is het grote aantal mensen dat last heeft gehad van een verrekte pees of spier en toch niets van hun fouten geleerd heeft. Natuurlijk zijn er behalve de warming-up ook andere factoren die invloed hebben op je vermogen blessures te vermijden: de hoeveelheid rust die je tussen twee routes of klimdagen neemt en je slaap- en voedselpatroon, om er maar een paar te noemen. Maar in eerste instantie zal de belangrijkste variabele toch de doelmatigheid van de voorbereiding zijn die je aan het klimmen vooraf laat gaan.
Uw klimmen verbeteren
Als de dreiging van een blessure niet genoeg aansporing voor je is, is de andere reden voor een warming-up dat misschien wel: het helpt je beter te klimmen. Je kunt niet van je spieren verwachten dat ze meteen op hun krachtigst trekken of dat ze soepel en gecoördineerd werken wanneer je rechtstreeks vanuit je stoel opspringt om een moeilijke route te lijf te gaan.
Een warming-up geeft je ook de tijd om je gedachten van werk of sociale omgeving af te leiden en je te focussen op het klimmen zelf.
Een systematische aanpak
Hoe vaak heb je aan de voet van een rotswand of klimmuur mensen aan zien komen die er uitzagen alsof ze maar wat deden? Vervolgens doen ze dan, terwijl ze zich verkleden of wat tegen een vriend kletsen, wat warming-up bewegingen in de vorm van een paar molen- wiekslagen met hun armen, ze buigen hun vingers wat naar voor en achter en raken ter afsluiting even met hun vingertoppen hun tenen aan. De ironie is dat sommige bizarre en extreme vormen van warming-up die je zo nu en dan ziet, in potentie schadelijker zijn dan het klimmen zelf!
Het is erg belangrijk om vanaf het begin veilige procedures aan te leren en die consequent toe te passen voor elke klim die je begint. Tenslotte is de warming-up ook een prima middel om te peilen hoe goed je je voelt en of je al dan niet hersteld bent van je vorige klimsessie. Klimmers die op een verstandige manier aan warming-up doen, hebben een serie standaardoefeningen om te testen hoe ver ze tijdens de feitelijke warming-up moeten gaan. Het is ook nuttig om een paar routineroutes of klimproblemen te klimmen als warming-up op de plaats waar je regelmatig klimt. Ook hieraan kun je aflezen hoe je vorm van de dag is.
De vier-stappen-warming-up handleiding
Deze handleiding dekt de belangrijkste zaken van een klimwarming-up. Hij wordt gepresenteerd in de volgorde waarop je hem moet afwerken om het optimale uit je warming-up te halen.
De stappen zijn:
Cardio-respiratoir/ Cardio-vasculair activeren Algehele beweeglijkheid
Specifieke stretchoefeningen Progressieve klimopbouw
Cardio-respiratoir/ Cardio-vasculair activeren
Als je tegen een steile heuvel loopt te zwoegen om een afgelegen rotswand te bereiken, kun je deze eerste stap rustig overslaan. Maar als je net uit je auto stapt aan de voet van een sportklimfaciliteit, zul je eerst je hart en longen aan het werk moeten zetten. Door je polsslag te versnellen gedurende zo'n 3 tot 5 minuten door te joggen, touwtje te springen of wat kleine oefeningetjes ter plekke verbeter je de doorbloeding, warm je de spieren op en bereid je je hele lichaam voor. Dit essentiële onderdeel van de warming-up versoepelt ook het kraakbeen in je gewrichten, zodat het voorbereid is op de klappen van de zwaardere oefeningen.
Algehele beweeglijkheid
Voor je met stretchen begint, is het handig om wat beheerste draaibewegingen te maken. Zo kan je beide schouders of heupen langzaam laten roteren om de gewrichten op te warmen en om uw spieren, pezen en gewrichten te laten wennen.
Specifieke stretchoefeningen
Stretchen van het bovenlichaam
In alle gevallen zijn de belangrijkste stretchoefeningen die bij geen enkele klimsessie mo- gen ontbreken, die van de vingers en voorarmen, de peesaanhechtingen van uw ellebogen, de schouders en de nek. Voor steile rotsen moet u vooral aandacht besteden aan uw rug- en zijspieren, en voor minder steile rotsen aan uw benen.
Het stretchen van het onderlichaam
Dit kan bij de warming-up tot een absoluut minimum beperkt blijven. Kies één basisoefening voor iedere spiergroep, te weten de lies, de dijen, de hamstrings en de kuiten. Al deze oefeningen kunnen op de rotswand of de klimmuur gedaan worden, zodat je de soepelheidsoefeningen kunt combineren met een element van klimtechniek. Dit is een leuke manier om de monotonie van de uitvoerige voorafgaande stretchoefeningen te doorbreken. Het is eventueel handig om een basishandboek over yoga of soepelheidstraining te raadplegen voor meer informatie.
Progressieve klimopbouw
Nu komt het echt belangrijke gedeelte. Je bent warm, soepel en volledig gestretcht, dus is de laatste stap je spieren en pezen te belasten met een geleidelijk groter gewicht (door te klimmen of door klimachtige bewegingen te maken met een verhoogde intensiteit).
Probeer de oefening in je warming-upsessie af te stemmen op de rots of klimmuur die je wilt gaan beklimmen. Je eerste bewegingen moeten zo eenvoudig zijn dat je ze nauwelijks merkt; gebruik ze om te ontspannen, te stretchen en om je geestelijk voor te bereiden en het juiste klimgevoel te krijgen. Bouw vervolgens langzaam op, waarbij je tussendoor steeds pauzes neemt, tot het moment waarop je bijna klaar bent voor de maximale inspanning.
Verschillende soorten klimmen
Sportklimmen
Sportklimmen is het overwinnen van een route zonder daarbij gebruik te maken van de haken, het touw of de setjes om uit te
rusten. De route kan variëren van loodrecht tot zelfs liggend (dal) en licht overhangend tot horizontaal (dak). De moeilijkheid ligt erin om de route te overwinnen die van 5 tot 50 meter kan bedragen en de "relais", het eindpunt waar het touw in wordt bevestigd, te bereiken. Er zijn 8 verschillende moeilijkheidsgraden, van 2 tot 9. Graad 2 is eerder eenvoudig, graad 9 is onbeschrijfelijk moeilijk. Elke graad is onderverdeeld in subgraden: a; b; c.
De overgang van a naar b kan nog eens onderverdeeld worden door een "+" bij te voegen. Een 7c+ is dan net iets moeilijker dan een 7c.
Boulderen
Boulder wordt in het Nederlands letterlijk vertaald door "grote steen". Het boulderen is gebaseerd op het overwinnen van korte krachtige klimpassages. Het ganse lichaam is gefocust op enkele bewegingen, er kan niet gerust worden omdat de klimbewegingen heel intensief en maximaal zijn.
John Gill was in de jaren '50 een trendsetter in deze discipline. Hij begon als eerste in Amerika routes te zoeken die zonder touw konden geklommen worden en die een ongekende moeilijkheid van bewegingen inhielden, het eiste een optimale beheersing van het lichaam. De route begint dikwijls al zittend op de grond en eindigt meestal wanneer je op het blok staat. Dan is het probleem overwonnen.
Er worden geen touwen gebruikt omdat de klim nooit lang is. Wel wordt er een "Crash Path" onder de route gelegd, dit is een soort valmat. Tevens staan er ook één of meerdere personen onder het blok die je proberen veilig op de mat te plaatsen, moest je vallen. Dit noemt men "Spotters". Doordat ze hun handen naar boven steken, kunnen ze de klimmer ondersteunen in de lenden wanneer deze
aan het vallen is en proberen ze hem/haar op de mat te duwen zodat de klimmer niet naar achter kantelt en "veilig" landt.
Om een betere houvast te hebben, wordt er een soort van hars gebruikt of "Pof'. Dit is dezelfde materie die vioolspelers op hun snaren aanbrengen om betere grip te hebben. De hars wordt in een blok gekocht en vervolgens stuk geslagen in een handdoek. Deze wordt
zo dichtgeknoopt dat de hars in een bolletje zit samengeperst. Met het doek wordt op de
rots geslagen waardoor de hars in heel lichte mate vrijkomt en zo een betere houvast geeft. Er worden ook kleine borstels gebruikt om de rots te "kuisen" en er zo voor te zorgen dat er een betere frictie heerst. Tevens wordt er ook magnesium gebruikt.
Traditioneel klimmen
Bij traditioneel klimmen zitten weinig tot geen haken gefixeerd in de rots. De klimmer moet zelf zijn tussenzekeringen aanbrengen. Dit kan gaan van klemblokken en friends tot hexentrics, stoppers, nuts en tri-cams. De tussenzekeringen worden tijdens het klimmen aangebracht zonder daarbij in het touw te gaan hangen of uit te rusten aan één van de zekeringspunten. De tussenzekeringen worden door de naklimmer meegenomen en zo wordt de route "gecleand".
Ijsklimmen
Ijsklimmen gebeurt op bevroren watervallen of ijswanden waarbij twee ijsbijlen en een paar crampons (stijgijzers) worden gebruikt om zich voort te bewegen. De tussenzekeringen worden aangebracht met ijsschroeven die in het ijs worden gedraaid. Deze worden tevens gerecupereerd door de persoon die als tweede de route klimt.
Artificieel klimmen
Hierbij worden dezelfde tussenzekeringen gebruikt als bij het traditioneel klimmen maar daarbij worden nog kleine laddertjes, bandschlings, sky-hooks, mephaken, copperheads, gebruikt. Al dit materiaal mag gebruikt worden om zich voort te bewegen. Er wordt bijna continu in het touw gehangen en de moeilijkheid ligt er in om de juiste weg met het juiste materiaal naar boven te vinden. Dit kan uren tot dagen duren. Daardoor wordt er ook in de "Big Wali" overnacht. Dit gebeurt op een klein platform of al hangend in de wand. Deze stijl van klimmen vindt men vooral terug in Amerika, Mexico, Australië,...
De klimtechnieken
Er zijn een aantal basisprincipes waar je bij een initiatie muur- en rotsklimmen de
aandacht moet op vestigen.
Het principe van drie steun- of vaste punten:
Bij de voortbeweging op de wand moet je erop letten steeds drie punten te
hebben waar je contact hebt. Dit wil zeggen twee handen en één been of met je
twee benen en één hand. Klim nooit door een knie te plaatsen.
Klimmen doe je met je benen:
Net zoals bij de voortbeweging op het vlakke, moet je ook bij het klimmen
zoveel mogelijk proberen voort te bewegen met de benen. De armen fungeren
hoofdzakelijk in functie van het evenwicht tegen de wand. Je moet met andere
woorden het lichaamszwaartepunt zo dicht mogelijk bij de wand houden. Als je
dit principe correct toepast zal je krachtenbesparend klimmen. Dit principe is
voornamelijk van toepassing op schuine en rechte wanden. Bij overhangende
gedeelten van een wand zullen de armen uiteraard veel zwaarder belast worden,
omdat ze dan niet alleen meer fungeren in dienst van het lichaamsevenwicht
maar ook moeten helpen om het lichaam in de wand te houden.
Belasting van grepen in logische zin:
Probeer de grepen zoveel mogelijk op biomechanisch verantwoorde wijze te
belasten. Een greep die onderste boven gekeerd staat, zal in 95% van de
gevallen ook onderhands moeten belast worden. Hetzelfde geldt voor een greep
die links of rechts gedraaid staat. Meestal zullen we ons lichaamsgewicht dan
ook respectievelijk naar rechts of links moeten verplaatsen om een optimale
greep te krijgen.
Het principe van wrijving:
Het is bij klimmen niet noodzakelijk om goede voetsteunen te hebben om jezelf
voort te bewegen. Wanneer een bruikbare voetsteun ontbreekt kan het volstaan
om met één of beide voeten op wrijving te gaan werken. Bij wrijving proberen
we een zo groot mogelijk vlak van de voetzool tegen de wand te plaatsen. Hoe
groter het steunvlak is , hoe groter de verwekte wrijving zal zijn en hoe beter de
steun.
Het principe van “edging”:
Dit is in feite het principe van het plaatsen van de rand van de schoen op zeer
smalle uitsteeksels en dergelijke. Hiervoor moet je leren vertrouwen op de
schoenen en jezelf. Een ‘edge’ is een rand, en hiermee wordt bedoeld: zowel
de rand van je schoenen als de rand van een uitsteeksel, een oneffenheid,…
Meestal wordt bij het klimmen de binnenzijde van de grote tenen belast. Soms is
het ook noodzakelijk om de buitenzijde van de voeten te belasten.
Historiek
Oriënteren bestaat reeds sinds de mens zijn geografische omgeving trachtte te registreren. Eerst werden hiervoor natuurlijke hulpmiddelen gebruikt, zoals de zon, wind, sterren en landschapkarakteristieken, later werden hulpmiddelen vervaardigd om het oriënteren te preciseren en vast te leggen. Enkele voorbeelden van verschillende hulpmiddelen:
Bomen
Geïsoleerde bomen kunnen een moslaag vertonen op de kant van de stam die het meeste blootgesteld staat aan de regen. Dit is bij ons de westkant. De richting waarin bomenrijen gebogen staan door de overheersende wind kan eveneens een aanduiding zijn.
Natuurlijk kan je je niet alleen verlaten met deze hulpmiddelen, want stel dat er op je tocht geen bomen staan….
Zon
Ook op de zon kan men zich oriënteren. Ze komt op in het oosten en gaat onder in het westen.
Zon en uurwerk
Richt de kleine wijzer naar de zon. Je krijgt een hoek tussen de kleine wijzer en de lijn die naar 12 uur wijst. De lijn die deze hoek in 2 deelt wijst naar het zuiden. Ook hier kunnen de wolken deze methode uitsluiten.
Maan
Bij een heldere hemel kan men zich op de maan oriënteren. Bij een groeiende maan wijzen de punten naar het oosten. Bij een krimpende maan wijzen ze naar het westen. Voorwaarde is natuurlijk dat de maan zich niet schuilhoudt achter de wolken.
Later in Zweden(1888), waren de militaire cadetten verplicht kaarten te lezen en afstanden te schatten. Voor het eerst werd hier het woord ' oriënteren ' gebruikt. Tot in 1897 was de oriëntatieloop enkel een militaire aangelegenheid. Daarna werden de eerste wedstrijden georganiseerd voor burgers, onder meer in Oslo (Noorwegen) in het jaar 1897.
Na de tweede wereldoorlog vond het oriëntatielopen als sport ingang in Zweden. Majoor Ernst Killander merkte in 1918 een vermindering van de interesse voor de loopproeven in de atletiek. Hij poogde door gebruik van de natuurlijke omgeving de actieve interesse voor het lopen te stimuleren. Om het lopen aantrekkelijk te maken ontwierp hij een parcours en gebruikte kaarten en kompassen. In 1922 organiseerde Killander, de vader van het oriëntatielopen, het eerste regionale kampioenschap. Rond 1930 was de sport wijd verspreid in Zweden en werd een nationale organisatie opgericht: 'SVENSKA ORIËNTERINGSFÖRBUNDET' (Soft).
In 1937 werd het eerste nationaal kampioenschap gehouden met 100 deelnemers. Nu zijn er zo'n 1000 oriënteringsclubs aangesloten bij Soft, met een 200.000 leden.
In 1961 werd in Kopenhagen de 'INTERNATIONAL ORIENTATION FEDERATION' (IOF) opgericht. In 1964 waren er reeds elf landen bij de IOF aangesloten.
Het eerste Europese kampioenschap, voor mannen en vrouwen, werd gehouden in Noorwegen in 1962. Deze kampioenschappen worden sedertdien om de twee jaar georganiseerd.
De eerste Belgische oriëntatiewedstrijd werd georganiseerd in 1964. In 1966 werd de Belgische vereniging voor oriëntatielopen (BVOS) opgericht. Zij houdt zich bezig met de organisatie van nationale en regionale wedstrijden. Volgens het decreet van 1977 omtrent de landelijk georganiseerde sportfederaties splitste de nationale bond in een Franstalige en Nederlandstalige vleugel. (FRSO en VVO) Sinds 1977 is oriëntatielopen een erkende Olympische sport. In 2001 was het een van disciplines op de wereldspelen te Akita, Japan. Het hoofddoel van IOF is een echte Olympische sport te worden….wie weet in Peking 2008?
Definiëring en doelstellingen
Wat is oriëntatieloop
Het oriëntatielopen zouden we in een adem kunnen omschrijven als volgt: het opzoeken van gemerkte punten in een natuurlijk landschap, via een zelfgekozen weg, al lopend, met behulp van een topografische kaart en een kompas, al dan niet in wedstrijdvorm. De deelnemers trachten op een onbekend terrein individueel een aantal posten te bereiken, die aangeduid zijn op de kaart. De route is niet op voorhand uitgestippeld. Deze posten zijn in het terrein herkenbaar door duidelijke, oranje-rood-witte bakens. Als bewijs dat je de gezochte post hebt bereikt, breng je via een elektronische chip of een perforatietang met een bepaalde code die iedere loper mee heeft de juiste gegevens mee. Het is de bedoeling om het parcours, bepaald door de bakens zo snel mogelijk en correct af te leggen. Een dosis sport, een dosis natuur en een dosis observatievermogen, dat is het recept voor de oriëntatieloper. Het komt erop neer dat men zowel het hoofd als de benen moet gebruiken wil men het oriëntatielopen tot een goed einde brengen.
Op de eerste plaats is oriëntatielopen een geschikte activiteit in de recreatieve sportbeoefening. Deze sportvorm laat zich immers gemakkelijk aanpassen aan de wensen en capaciteiten van uiteenlopende groepen, zoals families, trimgroepen, en wandelaars.
Doelstellingen
Doelstellingen om oriëntatieloop te beoefenen zijn: - Fysieke capaciteiten
- Psycho-motorische capaciteiten (ruimtelijke perceptie, oriëntering in ruimte en tijd) - Cognitieve capaciteiten (memorisatie)
- Dynamisch-affectieve capaciteiten (individuele weerbaarheid en doorzettingsvermogen)
Het oriënteren is een sport waar lichamelijke en geestelijke inspanning en daarmee ook ontspanning hand in hand gaan. Op dit sportterrein heerst een serene rust die van de natuur uitgaat.
Vooral in de Scandinavische landen heeft het oriëntatielopen een lange traditie als een “recreatieve sport-voor-allen-activiteit”.
In het sportieve openluchtleven spelen de technieken van het oriëntatielopen vaak een ondersteunende rol. Bij wandeltrektochten en bij het skilopen in onbekend gebied bijvoorbeeld kan het oriënteren een essentiële vaardigheid zijn.
In het oriëntatielopen kunnen elementen uit verschillende leervakken verzameld worden. Natuurobservatie sluit aan bij biologie en ecologie. De principes van het oriënteren en kaartlezen worden geleerd in de aardrijkskundeles. Fysieke eigenschappen kunnen worden geoefend tijdens de lessen lichamelijke opvoeding. Daarom is het oriëntatielopen een activiteit met een rijke vakoverschrijdende inhoud.
Uiteraard is het oriëntatielopen ook een wedstrijdsport. De competitievorm bestaat uit een individuele wedstrijd tegen de tijd. De afstand schommelt tussen 3 en 12 kilometer. Het aantal posten varieert van 6 tot 25. Ze worden doorlopen volgens een vrij gekozen route. De laatste jaren kent het oriëntatielopen als wedstrijdsport een toenemende populariteit. Het hoeft geen betoog dat oriëntatielopen een milieuvriendelijke sport is, waarbij de deelnemer in harmonie met de natuurlijke omgeving aan sport doet.
Andere soorten oriëntatie
MTB-Oriëntatie
is de jongste oriëntatiediscipline. De kaarthouder wordt vastgemaakt op het stuur. Op die manier is het mogelijk om tijdens het fietsen de kaart te lezen. In België worden jaarlijks een vijftiental wedstrijden georganiseerd.TRAIL-Oriëntatie
is een variant van oriëntatie waar niet zozeer het fysieke een rol speelt, doch vooral het mentale ; door de kaart juist te interpreteren kiest de trail-o-er welke post op de juiste plaats staat. Aangezien de wedstrijd vooral verloopt over verharde paden, wordt het vooral beoefend door mensen met een fysieke handicap.Ski-Oriëntatie
wordt bijna niet beoefend in de lage landen. Hiervoor dien je naar sneeuwzekere gebieden in Midden-Europa en Scandinavië te trekken.De drie stappen bij de leerstofopbouw
Denk aan de succesbeleving bij het vinden van de posten en het groeiende zekerheidsgevoel !!
Voor de leerlingen is het zeer moeilijk om de werkelijke gegevens van de omgeving die ze met de ogen waarnemen om te zetten naar gegevens op de kaart. Van een driedimensionele werkelijkheid moeten zij de stap maken naar een tweedimensionele weergave op de kaart. Ook de schaal van de kaart is voor hen een nieuw begrip.
De oriëntatiecomponent kan worden opgesplitst in drie vaardigheden : 1. kaartlezen
2. hanteren van een kompas
3. schatten en meten van afstanden
Daarnaast volgen een reeks specifieke vaardigheden die een beroep doen op een combinatie van de drie vorige :
-vertalen van kaartsymbolen naar de natuur -vertalen van terreinkenmerken naar de kaart -kiezen van de voordeligste route
-memoriseren van kaartgegevens voor het te lopen traject
-omzeilen van hindernissen in het terrein (bijvoorbeeld waterlopen) -nauwkeurig observeren van de omgeving.
Kaartlezen
Meestal wordt gebruik gemaakt van twee types van kaarten. Op de eerste plaats dient de zogenaamde stafkaart te worden vermeld. Deze kaarten staan op een schaal 1/25.000 en worden gekenmerkt door een uitgebreid pakket kaartsymbolen.
Daarnaast worden de IOF-kaarten gebruikt voor officiële wedstrijden. Deze kaarten voldoen aan de normen van de Internationale Oriëntering Federatie. Vergeleken met de gekende stafkaarten (NGI) zijn oriëntatiekaarten nog meer uitgebreid met o.a. de begroeiingsgrenzen, hoogtelijnen, opvallende voorwerpen, enz.
Ze zijn duidelijker gemaakt door verschillende kleurcodes.
Ze zijn speciaal ontworpen voor het oriëntatielopen op een schaal 1/15.000. Zij bevatten immers meer inlichtingen over herkenningspunten en de terreinaard en worden gemaakt met de enige bedoeling er het oriëntatielopen mee te beoefenen.
Hoe gedetailleerder de kaart, hoe gevarieerder de baanlegger ook de routes kan maken en hoe groter de keuze om posten te plaatsen.
In elke kaart kan men drie conventies terugvinden : a. kaartrichting
b. schaal van de kaart c. kaartsymbolen
a. Kaartrichting
Naar conventie zijn alle kaarten zo getekend dat het noorden steeds bovenaan is. Dit wordt het kaartnoorden genoemd. Van boven naar onder, dus van noord naar zuid zijn evenwijdige lijnen getrokken. Dit zijn de meridianen.
De plaatsnamen zijn van west naar oost geschreven.
Een georiënteerde kaart is een uitgangspunt voor alle verdere oriëntatietechnieken. Tracht steeds de kaart zo te houden dat het kaartnoorden (de bovenkant) samenvalt met het reële noorden op het terrein.
Hoe het noorden bepalen?
Een hoofdbekommernis van de oriëntatieloper is steeds het noorden te bepalen.
Zoals reeds werd gezegd wijst de bovenkant van een kaart steeds naar het noorden. Dit wordt het geografisch of aardrijkskundig noorden genoemd. Het noorden dat door de kompasnaald wordt aangewezen is het magnetisch noorden of het kompasnoorden.
Het magnetisch noorden vertoont een afwijking ten opzichte van het geografisch noorden. Deze afwijking noemt men de declinatie. Deze magnetische afwijking verandert jaarlijks.
Je kunt de declinatie het beste als volgt onthouden :
- metingen van het terrein naar de kaart worden verminderd met de declinatie - metingen van de kaart naar het terrein worden vermeerderd met de declinatie
Beginnende oriëntatielopers moeten met deze afwijking geen rekening houden omdat het kompas meestal slechts gebruikt wordt als een grove richtingsaanduiding.
Declinatie is vooral belangrijk bij een trekking van enkele dagen, weken, waarbij men gebruik maakt van een stafkaart.
Zoals reeds vermeld gebruikt men bij oriëntatieloop IOF-kaarten, hierbij moet er niet echt rekening gehouden worden met de magnetische afwijking.
Nog wat anders is het azimut of de kaarthoek. Hiermee wordt de hoek bedoeld tussen het noorden en de looprichting. Een oriëntatieloper kan in azimut naar een volgende post lopen die zich bijvoorbeeld op 20° ten opzichte van het noorden bevindt. Ook hier wordt het onderscheid gemaakt tussen het kaartazimut en het magnetisch azimut.
geografisch noorden
magnetisch noorden
KAART ORÏENTEREN
Het eerste wat een oriëntatieloper doet om zijn traject te bepalen is het oriënteren van zijn kaart. Dat wil zeggen dat hij het kaartnoorden gaat richten naar het werkelijke noorden. Er zijn verschillende eenvoudige technieken om dit te doen :
De meest voor de hand liggende manier bestaat erin de kaart in het horizontale vlak te draaien zodat de kaartsymbolen overeenstemmen met de omgeving.
Dit doe je als volgt:
- De omgeving rondom je bekijken
- Op de kaart de herkenningspunten zoeken die je om je heen ziet
- De kaart zodanig draaien dat de punten overeenstemmen met de ligging ervan
Een goede observatie van de omgeving is de enige vereiste vaardigheid voor deze werkwijze. Nu is de kaart georiënteerd en het noorden wordt aangeduid door de bovenkant van de kaart. Natuurlijk kan men deze techniek alleen toepassen als men zicht heeft op de omgeving en als men precies weet waar men zich bevindt. Twee situaties die tijdens een oriëntatieloop eerder zeldzaam zijn.
De oriëntatieloper bepaalt meestal het noorden aan de hand van het kompas. Dat gebeurt als volgt :
- Leg het kompas eerst horizontaal op de kaart. De magneetnaald wijst naar het noorden - Draai de kaart in het horizontale vlak onder het kompas door tot het kaartnoorden
samenvalt met het magnetisch noorden. In dat geval lopen de kompasmeridianen parallel aan de kaartmeridianen, hiervoor moet het kompas wel op het noorden gezet
kaart N
looprichting
kaartazimut magnetisch azimut
magnetisch N